Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN6014

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
02-627311-09(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verkrachting. verklaringen aangeefster niet consistent. Geruime tijd verstreken tussen intakegesprek en aangifte niet ondenkbaar dat er beinvloeding is geweest.

Verweer ontvakelijkheid OM ivm overschrijding termijn/ontbreken processtukken verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/627311-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. E.R. Moes, advocaat te Bergen op Zoom

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juni 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Jordaan, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot seks.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het overschrijden van de redelijke termijn van vervolging.

Het ten laste gelegde feit zou zich hebben afgespeeld in december 2006. De eerste contacten van aangeefster en haar moeder met de politie dateren van januari 2007. In april 2008 wordt er aangifte gedaan. Verdachte wordt gehoord op die aangifte in december 2008, waarna in september 2009 een dagvaarding volgt.

Tussen de dagvaarding en het verhoor van verdachte zit een termijn van tien maanden gedurende welke geen onderzoekshandelingen zijn verricht. Vóór het verhoor en na de aangifte zit een periode van acht maanden waarin niets is gebeurd.

De raadsman is van mening dat niet alleen de periode na het horen van verdachte voor het tijdsverloop van belang is, maar ook de periode van twee jaar, die dan reeds verstreken is na het vermeende feit, dient mee te worden gewogen.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn, dient te worden verworpen.

Tussen het tenlastegelegde feit, de aangifte en het eerste verhoor van verdachte zit een lange tijd. Verdachte was er zich echter, voordat hij als verdachte is verhoord, niet van bewust dat er een vervolging zou komen, zodat hij daar geen druk van heeft ervaren.

De periode tussen het verhoor en de dagvaarding is weliswaar lang, maar echter niet zodanig lang, dat daardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

De raadsman voert vervolgens aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van processtukken in het dossier (te weten de hierna te noemen intakegesprekken), waardoor verdachte in zijn verdediging is geschaad.

Voordat aangeefster aangifte doet in april 2008 hebben er verscheidene gesprekken plaatsgevonden tussen politie en aangeefster en haar ouders. Na het eerste gesprek met politie is besloten eerst tot behandeling van aangeefster middels Family First Therapie over te gaan, alvorens aangifte te doen.

De rechtbank verwerpt het verweer van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens een incompleet procesdossier, waardoor verdachte in zijn verdediging zou zijn geschaad. De stukken met de eerste gesprekken tussen aangeefster en politie zijn niet opzettelijk uit het dossier gehouden. Thans geldt inderdaad het voorschrift van het Openbaar Ministerie dat het verslag van dergelijke intakegesprekken aan het dossier wordt gevoegd. Ten tijde van het tenlastegelegde feit was dit echter nog geen geldend voorschrift. Het ontbreken van deze stukken in het dossier is mede gelet daarop geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte en de ondersteunende verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Als bewijs ligt er slechts de aangifte. De raadsman stelt dat de aangeefster echter niet geheel in vrijheid tot die aangifte is gekomen. Zij hield ten tijde van de aangifte nog steeds van verdachte. Het zijn de verbalisanten die met gesloten, zeer gerichte vragen aangeefster op gang hebben geholpen om tot de uiteindelijke aangifte te komen. Bovendien heeft de moeder van aangeefster in januari 2007 aangegeven dat zij haar dochter verdenkt van het spreken van onwaarheden en dat zij twijfels heeft bij het waarheidsgehalte van hetgeen haar dochter vertelt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In het dossier liggen verklaringen d.d. 2 en 10 april 2008 van de aangeefster [slachtoffer]. Er zijn tapes waarop deze verhoren zijn opgenomen. De rechtbank heeft gedeelten van deze tapes uitgeluisterd. Op de tapes is de wijze van verhoor te horen.

De rechtbank concludeert uit het beluisteren van die tapes dat de verbalisanten in april 2008 meerdere malen teruggrijpen op de intake die zij samen met aangeefster in januari 2007 hebben uitgevoerd. Er worden meerdere malen gerichte vragen gesteld vanuit de kennis die de verbalisanten hebben vanuit die intake. Daaraan verbindt de rechtbank echter niet de conclusie dat verbalisanten de aangeefster hebben geleid in de aangifte die zij heeft gedaan. Wel staat vast dat er een behoorlijk tijdsverloop bestaat tussen intake en aangifte. Niet onaannemelijk is dat door dat tijdsverloop naast de feitelijke herinneringen van aangeefster, de intake de aangifte heeft ingekleurd en daarmee de aangifte heeft beïnvloed. Doordat er eerst een intake heeft plaatsgevonden en vervolgens op een veel later moment aangifte is gedaan, valt evenmin uit te sluiten dat er beïnvloeding is geweest vanuit de familie- en vriendenkring op aangeefster. Een en ander kan door de rechtbank niet meer worden nagegaan nu de verslaglegging van de intake zich niet in het dossier bevindt.

Vaststaat dat aangeefster een relatie heeft gehad met verdachte voor 31 december 2006.

In deze relatie hadden ze ook seks met elkaar. Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat ze tijdens hun relatie wel eens seks hadden, terwijl zij geen zin had.

Ook in de verklaring van aangeefster d.d. 10 april 2008 vertelt zij over de seksuele contacten die zij had met verdachte. In die verklaring zegt zij dat zij ook seks met verdachte heeft gehad na december 2006.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster op verschillende wijzen heeft verklaard betreffende de verkrachting die zou hebben plaatsgevonden op 31 december 2006. Bij de rechter-commissaris verklaart zij op 22 februari 2010 dat zij bijna zeker weet dat verdachte met zijn vinger in haar vagina is gegaan. Op 2 april 2008 verklaart ze op dit punt dat verdachte zijn hand in haar broeksband stopte en daarbij haar onderbuik aanraakte. Desgevraagd verklaart aangeefster dat zij denkt dat verdachte haar had willen vingeren voordat zij seks zouden hebben. Op 10 april 2008 verklaart aangeefster dat verdachte toen hij haar broek geopend had met zijn vinger in haar vagina is geweest.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op dit belangrijke punt niet consistent zijn.

Naast de aangifte zijn er verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die passen in het verhaal van aangeefster dat er iets is gebeurd op 31 december 2006. [slachtoffer] was verdrietig door iets wat was voorgevallen op die avond. Uit hun verklaringen blijkt echter niet wat er feitelijk zou zijn voorgevallen tussen aangeefster en verdachte op 31 december 2006.

De rechtbank acht het aannemelijk dat er iets is gebeurd op 31 december 2006 tussen aangeefster en verdachte wat tegen de wil van aangeefster was. Echter is niet vast komen te staan hetgeen er feitelijk is gebeurd.

De rechtbank acht het niet uit te sluiten dat er achteraf inkleuring heeft plaatsgevonden van de feiten door aangeefster en dat er beïnvloeding is geweest van aangeefster.

Er is veel twijfel over hetgeen op 31 december 2006 heeft plaatsgevonden tussen aangeefster en verdachte, zodat de rechtbank verdachte zal vrij spreken van het tenlastegelegde.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook van het feit vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 5.345,42 voor het feit.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Schoonen en mr. Bogaert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Persoons, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2006 tot en met 1 januari 2007

te Zundert door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging

met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft

gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die die

[slachtoffer], hebbende verdachte een of meer vingers in de vagina van die

[slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn penis en/of zijn tong in de mond

van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of de borsten en/of de vagina van

die [slachtoffer] betast en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer]

- (in de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2006) heeft

geïntimideerd en/of gekleineerd/beledigd en/of in een afhankelijkheidsrelatie

met hem, verdachte, heeft gebracht en/of met zijn psychisch overwicht dat hij,

verdachte, op die [slachtoffer] had verworven die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, wil heeft

onderworpen en de wil van die [slachtoffer] heeft gemanipuleerd en/of

- aldus en/of/althans door zijn (geestelijk) overwicht en/of (dreigende en/of

intimiderende) houding voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan en/of

- die [slachtoffer] (met zijn lichaam) tegen een poortje heeft geduwd en/of

-- toen die [slachtoffer] hem wegduwde -- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij het wel

wilde omdat zij het vroeger ook met hem wilde en/of dat zij 'hard to get'

speelde, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- de schouder van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- zijn hand in de broek van die [slachtoffer] heeft gestopt;

art 242 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2006 tot en met 1 januari 2007

te Zundert, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging

met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft

gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het duwen/inbrengen van een of meer vingers in de

vagina van die [slachtoffer] en/of het duwen van zijn penis en/of tong in de mond van

die [slachtoffer] en/of het strelen/betasten van de borsten en/of de vagina van die

[slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij,

verdachte,

- die [slachtoffer] (in de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2006) heeft

geïntimideerd en/of gekleineerd/beledigd en/of in een afhankelijkheidsrelatie

met hem, verdachte, heeft gebracht en/of met zijn psychisch overwicht dat hij,

verdachte, op die [slachtoffer] had verworven die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, wil heeft

onderworpen en de wil van die [slachtoffer] heeft gemanipuleerd en/of

- aldus en/of/althans door zijn (geestelijk) overwicht en/of (dreigende en/of

intimiderende) houding voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan en/of

- die [slachtoffer] (met zijn lichaam) (onverhoeds) tegen een poortje heeft geduwd en/of

-- toen die [slachtoffer] hem wegduwde -- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij het wel

wilde omdat zij het vroeger ook met hem wilde en/of dat zij 'hard to get'

speelde, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- de schouder van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- zijn hand in de broek van die [slachtoffer] heeft gestopt;

art 246 Wetboek van Strafrecht