Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN4955

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
222621 JE RK 10-1364
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de thans door de raad aangegeven voorziening, en tevens dat beide maatregelen in het belang van de minderjarige zijn. De kinderrechter overweegt hiertoe het volgende. De omstandigheden waaronder [baby] is geboren, de verzwegen zwangerschappen en de vondst van een eerder geborene zijn reden tot grote zorg. Het gaat daarbij niet alleen om de ontwikkelingsdreiging voor [baby], maar ook om de gevolgen die deze traumatische gebeurtenissen voor de moeder mogelijk zullen hebben. Daarbij is van belang dat tegen de moeder nog een strafrechtelijk onderzoek loopt en zij inmiddels weer bij haar ouders woont. In het belang van [baby] dient een gedegen risicotaxatie én (netwerk)pleeggezinscreening te worden gemaakt alvorens [baby] definitief geplaatst kan worden. Daarbij dient de aandacht vooral uit te gaan naar het toekomstperspectief van de minderjarige. De kinderrechter acht het in het belang van [baby] dat zij geregeld contact heeft met haar ouders. Zij acht de bezwaren tegen de huidige reisafstand echter niet opwegen tegen de bezwaren die kleven aan een overplaatsing van [baby] naar een andere pleeggezin hangende het onderzoek van de raad.

Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat plaatsing bij het neutrale pleeggezin vooralsnog wordt gecontinueerd, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 222621 JE RK 10-1364

nadere beschikking betreffende ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing,

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden- en West-Brabant,

gevestigd Meerten Verhoffstraat 18, 4811 AS Breda,

hierna te noemen de raad,

en

de minderjarige [naam en geboortedatum]

1. Het verdere verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 juli 2010 en de daarin

vermelde stukken;

- het op 5 augustus 2010 door de Stichting Bureau Jeugdzorg genomen

indicatiebesluit;

- het verweerschrift van mr. H. Swagemakers, advocaat van de moeder;

- de instemmingverklaringen van de grootouders van 9 augustus 2010;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 augustus 2010.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. mevrouw [naam], moeder van de minderjarige en gezagdragende ouder, bijgestaan door mr. H. Swagemakers, advocaat te Oosterhout,

2. de heer [naam] vermoedelijke vader van de minderjarige, bijgestaan door mr. M. Leimena, advocaat te Breda,

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd Erasmusweg 34, 4834 AA Breda, hierna te noemen de stichting.

2. De nadere beoordeling

2.1. Bij voormelde beschikking is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting tot 30 oktober 2010 en is deze gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen, voor een periode eindigende uiterlijk op 26 augustus 2010. Verder zijn bij die beschikking de belanghebbenden en de raad opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting teneinde op het verzoek van de raad te worden gehoord.

2.2. De raad brengt ter terechtzitting naar voren dat het belangrijk is dat er een onderzoek komt naar de zwangerschappen van de moeder, de verhoudingen binnen het gezin van de moeder en haar ouders, het netwerk en de toekomst van de minderjarige. Dit moet zorgvuldig gebeuren en naar verwachting zal het onderzoek binnen drie maanden kunnen worden afgerond. De raad merkt nog op dat de moeder en de vader op dit moment regelmatig contact hebben met de minderjarige.

2.3. De raadsman van de moeder legt ter terechtzitting een verweerschrift over hetwelk, kort samengevat, inhoudt dat de moeder een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk vindt. De moeder is, zo stelt de raadsman, zeer wel in staat [naam] te laten opgroeien zonder dat haar zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd. De raadsman stelt verder dat het volstrekt onduidelijk is waarom [naam] aanvankelijk wel geplaatst kon worden bij haar grootouders en nadien niet meer. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat de grootmoeder van [naam] een hartinfarct heeft gehad en in het ziekenhuis is opgenomen. Inmiddels is zij weer aan de beterende hand en mag zij vandaag het ziekenhuis verlaten. De raadsman verzoekt, bij toewijzing van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing, [naam] te plaatsen bij de grootouders. Zij hebben een bereidverklaring ondertekend waarin zij verklaren pleegouder te willen zijn van [naam]. Voor zover plaatsing bij de grootouders geen doorgang kan vinden, hebben de oom en tante van de moeder zich eveneens bereid verklaard als pleegoudergezin te fungeren. De raadsman stelt voorts dat hij zich zorgen maakt

over de afstand die de ouders moeten afleggen om [naam] te bezoeken en de frequentie waarin zij [naam] mogen zien. Hij acht het niet in het belang van [naam] dat zij geplaatst is in een pleeggezin te Sleeuwijk. Het is bij zeer jonge kinderen immers wenselijk dat er vele contacten zijn tussen moeder en kind, ter voorkoming van een mogelijke hechtingsproblematiek.

De moeder vult nog aan dat het een stuk beter met haar gaat. Zij begrijpt goed dat er zorgen zijn en dat er nog onderzoek moet plaatsvinden. Zij zal zich erbij neerleggen als [naam] uit huis geplaatst wordt. Zij merkt verder op dat zij inmiddels samen met de vader, [naam], 2x bij [naam] is geweest. Op dit moment verblijft de moeder weer bij haar ouders en krijgt ze hulp van een psychotherapeut.

2.4. De stichting geeft ter terechtzitting aan dat de raad het nooit eens is geweest met een plaatsing van de minderjarige bij de grootouders, omdat zij zich op het standpunt stelt dat er eerst onderzoek moet worden verricht. Nadat de moeder is geschorst vanuit de detentie en weer bij haar ouders is gaan wonen, heeft de stichting besloten haar standpunt te herzien en [naam] niet bij de grootouders te plaatsen. De stichting is van mening dat de moeder en [naam] nog niet samen kunnen zijn en er eerst verder onderzoek dient te worden verricht. Dit heeft de stichting doen besluiten [naam] voorlopig, in afwachting van de resultaten van het uit te voeren onderzoek, te plaatsen in een neutraal pleeggezin. Ten aanzien van de vermelding van de raadsman dat er nog een ander pleeggezin in het netwerk van moeder bereid is gevonden om als pleeggezin te fungeren, geeft de stichting aan dat op het moment van plaatsing dit pleeggezin nog niet in beeld was en zodoende onbekend is bij de stichting. Met de moeder en de heer [naam vader] is afgesproken dat zij [naam] 3 x per week kunnen bezoeken.

2.5. De raadsvrouw van de heer [naam vader] geeft ter terechtzitting aan dat de geboorte van [naam] een totale verrassing voor hem was. Hij wil zijn verantwoordelijkheid nemen en is zodoende vanaf het begin al betrokken bij [naam]. Indien DNA onderzoek zal uitwijzen dat hij de vader is, wil hij [naam] erkennen. Het onderhavige verzoek plaatst de heer [naam vader] wel voor een dilemma. Enerzijds ziet ook hij het liefst dat [naam] bij haar familie is, doch anderzijds zijn er, gelet op hetgeen er is voorgevallen, de nodige zorgen. De heer [naam vader] kan zich wel vinden in een plaatsing van de minderjarige bij de oom en tante. Plaatsing van [naam] bij de grootouders is, gezien de situatie, naar zijn mening op dit moment (nog) geen goede optie.

2.6. De raad geeft naar aanleiding van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht nog aan dat het ter zitting aangegeven netwerkpleeggezin in het onderzoek kan worden betrokken.

2.7. De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter

terechtzitting van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de thans door de raad aangegeven voorziening, en tevens dat beide maatregelen in het belang van de minderjarige zijn. Dat brengt mee dat, nu door de raad ter terechtzitting is medegedeeld dat nog nader onderzoek zal worden verricht met betrekking tot een eventuele (definitieve) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, in afwachting van de resultaten van genoemd onderzoek beide maatregelen zullen worden gehandhaafd. De kinderrechter overweegt hiertoe het volgende. De omstandigheden waaronder [naam] is geboren, de verzwegen zwangerschappen en de vondst van een eerder geborene zijn reden tot grote zorg. Het gaat daarbij niet alleen om de ontwikkelingsdreiging voor [naam], maar ook om de gevolgen die deze traumatische gebeurtenissen voor de moeder mogelijk zullen hebben. Daarbij is van belang dat tegen de moeder nog een strafrechtelijk onderzoek loopt en zij inmiddels weer bij haar ouders woont. In het belang van [naam] dient een gedegen risicotaxatie én (netwerk)pleeggezinscreening te worden gemaakt alvorens [naam] definitief geplaatst kan worden. Daarbij dient de aandacht vooral uit te gaan naar het toekomstperspectief van de minderjarige. De kinderrechter acht het in het belang van [naam] dat zij geregeld contact heeft met haar ouders. Zij acht de bezwaren tegen de huidige reisafstand echter niet opwegen tegen de bezwaren die kleven aan een overplaatsing van [naam] naar een andere pleeggezin hangende het onderzoek van de raad.

Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat plaatsing bij het neutrale pleeggezin vooralsnog wordt gecontinueerd, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

Met inachtneming hiervan zal worden beslist als hierna te melden.

3. De beslissing

De rechtbank

handhaaft de beschikking van deze rechtbank van 30 juli 2010;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg dan wel een accommodatie zorgaanbieder 24 uurs, met ingang van 27 augustus 2010 tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 30 oktober 2010, zulks ter effectuering van het voornoemde indicatiebesluit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Graaf, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van Van Gastel, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld

a. door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: