Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN4208

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
606109 cv 10-4006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding. Vordering ex artikel 223 RV samen met bodemprocedure. Ivm gelijktijdige uitspraak belang bij provisionele vordering ontvallen, waardoor niet-ontvankelijk. Concurrentiebeding rechtsgeldig overeengekomen, geen onbillijke benadeling werknemer, geen reden om geheel of gedeeltelijk te vernietigen o.g.v. 7:253, lid 2 BW. Werkgever geen feitelijk belang bij handhaving werking concurrentiebeding. Schijn van misbruik, hetgeen in strijd is met art. 19, lid 3 Grondwet. Belangenafweging in voordeel werknemer. Matiging concurrentiebeding voor zover indiensttreding bij gewenste werkgever. Geen opeisbare boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0671

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 606109 CV EXPL 10-4006

vonnis d.d. 18 augustus 2010

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. T. van der Dussen, advocaat te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.J.A. Smit, advocaat te Breda.

Partijen zullen verder worden aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

in de voorlopige voorziening en in de bodemprocedure:

a. het tussenvonnis van 23 juni 2010, met de daarin genoemde stukken;

b. de conclusie van antwoord in verband met de voorlopige voorziening;

c. de conclusie van antwoord in de bodemprocedure, met producties;

d. de mondelinge behandeling van het geding ter terechtzitting van 27 juli 2010, waarbij aanwezig waren [eiser], vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Van der Dussen, en waarbij [gedaagde] vertegenwoordigd werd door de heren R. Marijnissen en C. Wijnen, respectievelijk plantmanager en P&O functionaris, bijgestaan door mr. Smit;

e. de door de griffier gemaakte aantekeningen van de zitting.

De inhoud van deze stukken, alsmede van de ter terechtzitting door mr. Van der Dussen overgelegde pleitaantekeningen, geldt als hier ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, wordt, voor zover nodig, hierna teruggekomen.

2. Het geschil

[eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair:

- de werking van het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding te schorsen, in die zin dat het hem is toegestaan als Maintenance Supervisor in dienst te treden bij [concurrent] B.V., verder te noemen “[concurrent]”, zulks totdat de bodemrechter in de hoofdzaak terzake anders heeft beslist,

- voor recht te verklaren dat [gedaagde] de contractuele boete, zoals vastgelegd in het concurrentiebeding, niet zal kunnen opeisen totdat de bodemrechter in de hoofdzaak terzake anders heeft beslist;

en subsidiair:

- zo het concurrentiebeding in stand dient te blijven, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag van € 10.000,00 netto, danwel een in goede justitie vast te stellen bedrag, als voorschot op een in de bodemprocedure vast te stellen vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW,

in de bodemprocedure, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair:

- het concurrentiebeding op grond van het bepaalde in artikel 7:653 BW met ingang van de datum van het in deze te wijzen vonnis geheel of gedeeltelijk teniet te doen;

en subsidiair:

- het concurrentiebeding in zijn werking te matigen, in die zin, dat het hem is toegestaan als Maintenance Supervisor in dienst te treden bij [concurrent];

- voor recht te verklaren dat [gedaagde] de contractuele boete, zoals vastgelegd in het concurrentiebeding, niet zal kunnen opeisen;

en meer subsidiair:

- zo het concurrentiebeding in stand dient te blijven, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag van € 41.574,00 bruto, danwel een in goede justitie vast te stellen bedrag, als schadevergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW;

en zowel in de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv als in de bodemprocedure:

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.785,00, vermeerderd met de wettelijke rente, en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weerspro-ken, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de producties, het volgende vast:

- [eiser] is op 5 januari 1987 bij de rechtsvoorgangster van [gedaagde] in dienst getreden in de functie van Inpakker/Machine Operator;

- [eiser] is gedurende de periode van 1 september 2007 tot en met 31 december 2007 elders in dienst geweest;

- op 1 januari 2008 is [eiser] opnieuw in dienst getreden van [gedaagde], tegen hetzelfde salaris als voorheen, namelijk € 2.850,00 bruto per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag en € 130,00 consignatievergoeding;

- in de op 14 november 2007 tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen, luidende: “Nadat de werknemer twaalf maanden in dienst is geweest bij de werkgever, geldt dat, zonder door de werkgever verleende voorafgaande schriftelijke gehele of gedeeltelijke ontheffing van dat verbod, het de werknemer verboden is om binnen een tijdvak van één jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking, direct of indirect, al dan niet in dienstverband, al dan niet tegen vergoeding in welke vorm en onder welke naam dan ook, in Nederland, op enigerlei wijze en in enigerlei vorm in een bedrijf gelijk, gelijkvormig of aanverwant aan dat van de werkgever werkzaam te zijn, een dergelijk bedrijf te vestigen, te drijven, te mededrijven of te doen drijven danwel financieel in welke vorm ook bij een zodanige onderneming belang te hebben of daarin aandeel van welke aard ook te hebben. Dit aan de werknemer opgelegd verbod geldt evenzeer ten aanzien van die bedrijven, instellingen of personen die door de werkgever op het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking worden vertegenwoordigd of tot aan een periode van twee jaar vóór dat tijdstip door de werkgever werden vertegenwoordigd.”;

- in de arbeidsovereenkomst is op overtreding van het concurrentiebeding een boete gesteld, als volgt luidende: “De werknemer zal voor iedere door hem begane overtreding van het bepaalde in dit artikel aan de werkgever zonder rechterlijke tussenkomst een dadelijke en niet voor matiging vatbare boete verbeuren, gelijk aan € 7.000,-- alsmede een, eveneens dadelijke en zonder rechterlijke tussenkomst en niet voor matiging vatbare boete ter hoogte van € 150,-- voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat zulk een overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om een vergoeding van de werkelijk door haar geleden kosten, schaden en interessen te vorderen, voorzover de verbeurde boetebedragen overschrijdende.”;

- [eiser] is in de loop der tijd taken, vallende buiten het werkgebied van een monteur, gaan vervullen, en extra werkzaamheden gaan verrichten, bestaande uit het aanpassen respectievelijk verbeteren van productieprocessen, tegen een ongewijzigd salaris en zonder positieverbetering, ondanks zijn verzoeken daartoe;

- [eiser] heeft ten behoeve van genoemde werkzaamheden in 2009 op kosten van [gedaagde] ad € 995,00 een driedaagse cursus gevolgd;

- [eiser] heeft in maart 2010 gesolliciteerd naar de functie van Maintenance Supervisor bij [concurrent] B.V., verder te noemen “[concurrent]”, een concurrent van [gedaagde];

- [eiser] heeft inmiddels een aanbod gekregen tot indiensttreding bij [concurrent] in genoemde functie tegen een salaris van

€ 3.300,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en € 150,00 consignatievergoeding, waarbij hem de functie van Technical Manager in het vooruitzicht is gesteld;

- [eiser] heeft [gedaagde] op 31 maart 2010 op de hoogte gesteld van het aanbod van [concurrent] met de mededeling dat hij daarop in wenst te gaan, waarop [gedaagde] afwijzend heeft gereageerd in verband met het hiervoor opgenomen concurrentiebeding;

- op 2 april 2010 is [eiser] door [gedaagde] meegedeeld dat zijn functie opnieuw beoordeeld en gewogen zou worden teneinde een passend salaris te kunnen bepalen;

- één van de ex-werknemers van [gedaagde], die mede betrokken is geweest bij de door [eiser] ontwikkelde software, en thans bij [concurrent] werkzaam is, is door [gedaagde] niet aan het overeengekomen concurrentiebeding gehouden;

- het personeelsbestand van [gedaagde] is de laatste drie jaar vanwege de bedrijfseconomische situatie gekrompen van 115 naar 75 werknemers.

3.2 [eiser] baseert zijn vordering op de onredelijke benadeling van hem in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde], door hem aan het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding te houden, terwijl hij er belang bij heeft om bij [concurrent] te kunnen gaan werken. Volgens [eiser] ziet een concurrentiebeding op het beschermen van het bedrijfsdebiet van de werkgever, en hij stelt zich op het standpunt dat, nu het bedrijfsdebiet van [gedaagde] door zijn vertrek naar [concurrent] niet in gevaar komt, [gedaagde] het concurrentiebeding misbruikt om goed personeel aan zich te binden.

Omdat [gedaagde] ondanks herhaalde verzoeken weigerachtig blijft om in te stemmen met zijn indiensttreding bij [concurrent], stelt [eiser] dat hij er spoedeisend belang bij heeft dat de werking van het concurrentiebeding reeds bij voorlopige voorziening wordt geschorst, zodat hij zo spoedig mogelijk in dienst kan treden van [concurrent]. [eiser] beroept zich voorts op gelijke behandeling, nu er reeds meerdere werknemers van [gedaagde] elders in dezelfde bedrijfstak zijn gaan werken, en zelfs ook bij [concurrent].

Omdat hij ook op de langere termijn duidelijkheid wenst te verkrijgen, verzoekt [eiser] in de bodemprocedure het concurrentiebeding buiten werking te verklaren, danwel te matigen.

[eiser] stelt tenslotte dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot een bedrag van € 1.785,00 inclusief btw, en hij vordert deze op basis van Rapport Voorwerk II.

3.3 Gedaagde voert aan dat [eiser] welbewust de arbeidsovereenkomst met het daarbij behorende concurrentiebeding heeft ondertekend, zodat hij daaraan dient te worden gehouden. Zij voert aan groot belang te hebben bij behoud van [eiser] in haar organisatie, omdat hij één van de belangrijkste pijlers vormt ter verbetering van de sinds enkele jaren verslechterende situatie van [gedaagde]. De software voor de te verbeteren procestechnologie is namelijk in eigen huis ontwikkeld door [eiser], die daar tijd en gelegenheid voor heeft gekregen, bestaande uit zo’n 400 uren aan werktijd en het volgen van een cursus van € 995,00, die door [gedaagde] is betaald. [gedaagde] wenst die kennis van [eiser] voor haar organisatie te behouden en te voorkomen dat deze specifieke kennis bij haar concurrent terecht komt. [gedaagde] stelt zich daarom op het standpunt dat haar belangen prevaleren boven dat van [eiser], dat gelegen is in de wens om uitgerekend bij een 100% concurrent in dienst te treden. De gevorderde vergoedingen, inclusief de buitengerechtelijke kosten, worden eveneens door [gedaagde] betwist.

3.4 De kantonrechter overweegt als volgt.

Gelet op het feit dat [eiser] zo spoedig mogelijk in dienst wenst te treden bij [concurrent], dient hij duidelijkheid te krijgen omtrent de mogelijkheid van ontheffing van de werking van het concurrentiebeding. Voor het geval de bodemprocedure een langere tijd zal gaan vergen, heeft [eiser] derhalve belang bij een provisionele vordering voor de duur van de bodemprocedure, als bedoeld in artikel 223 Rv. [eiser] kan derhalve -in beginsel- worden ontvangen in zijn provisionele vordering.

3.5 Nu partijen ter terechtzitting ermee hebben ingestemd dat de uitspraak in de voorlopige voorziening gelijktijdig zal worden gewezen met de einduitspraak in de bodemprocedure, is het belang van [eiser] bij een uitspraak in de voorlopige voorziening komen te ontvallen, zodat [eiser] in deze niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.6 Als gevolg van het voorgaande zullen slechts de vorderingen in de bodemprocedure worden beoordeeld.

Vaststaat dat partijen, gelet op de wijze van totstandkoming, de inhoud en de reikwijdte, een rechtsgeldig concurrentiebeding zijn overeengekomen. Niet geoordeeld kan worden dat [eiser] in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde], onbillijk wordt benadeeld door dit beding. Voor een gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat beding als bedoeld in artikel 7:653, lid 2 BW bestaat derhalve geen reden. De primaire vordering van [eiser] zal derhalve worden afgewezen.

3.7 Vaststaat dat [concurrent] een concurrent is van [gedaagde]. Indien [eiser] bij [concurrent] in dienst treedt, zal hij zich in beginsel derhalve schuldig maken aan overtreding van het concurrentiebeding dat hij met [gedaagde] is overeengekomen.

De wet biedt de mogelijkheid het beding in zijn werking te matigen. In dit verband dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen.

Het belang van [eiser] is gelegen in een aanmerkelijke positieverbetering, zowel qua inhoud van de functie, de doorgroeimogelijkheden als de beloning. [eiser] heeft deze positieverbetering in rechte voldoende aangetoond.

Het belang van [gedaagde] is gelegen in het behoud van de bijzondere kennis van [eiser] voor haar bedrijf, en het voorkomen dat die kennis bij een concurrerend bedrijf terecht komt.

3.8 Niet weersproken is de stelling van [eiser] dat hij -na zijn herindiensttreding- steeds meer taken kreeg toebedeeld en extra werkzaamheden diende te verrichten, terwijl zijn salaris en positie, ondanks zijn herhaalde verzoeken, ongewijzigd bleven. Het bevreemdt dan ook niet dat [eiser] zich op een beter betaalde functie buiten [gedaagde] is gaan oriënteren. De omstandig-heid dat door [gedaagde] in januari 2010 met [eiser] zou zijn gesproken over een mogelijke positieverbetering en salarisverhoging, heeft [eiser] hiervan niet doen afzien.

[gedaagde] is ter terechtzitting voorgehouden, dat zij [eiser] niet tegen diens wil kan behouden voor haar organisatie. Immers, in het geval [eiser] bij een niet-concurrent in dienst zou treden, waardoor [gedaagde] geen beroep op het concurrentiebeding zou kunnen doen, zou zij zijn specifieke kennis eveneens verliezen en de verdere ontwikkeling van het productieproces moeten overdragen aan een of meerdere andere werknemer(s). [gedaagde] heeft dat niet bestreden. Haar belang om [eiser] te behouden voor haar organisatie, vereist derhalve geen handhaving van de werking van het concurrentiebeding.

3.9 Evenmin bevreemdt het dat [concurrent], waar reeds enkele ex-medewerkers van [gedaagde] werkzaam zijn, [eiser] in dienst wenst te nemen, temeer nu één van die ex-werknemers de leidinggevende van [eiser] zal worden, en deze niet alleen op de hoogte is van het feit dat [eiser] de door [gedaagde] bedoelde specifieke kennis heeft, maar deze ook zelf die kennis voorhanden heeft. Uit hetgeen door [gedaagde] zelf naar voren is gebracht blijkt ook dat nog minstens één andere ex-werknemer van [gedaagde] die bij [concurrent] werkzaam is, in het verleden betrokken is geweest bij de door [eiser] ontwikkelde procestechnologie. Als gevolg van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de specifieke kennis van [eiser] inmiddels reeds bij (werknemers van) [concurrent] aanwezig is, zodat ook indien het concurrentiebeding geheel gehandhaafd zou worden, niet voorkomen wordt (of reeds is) dat die kennis bij [concurrent] terecht komt of reeds gekomen is. Het belang van [gedaagde] is derhalve aanzienlijk minder dan dat zij dat doet voorkomen, terwijl het belang van [eiser] evident is.

Het heeft er dan ook alle schijn van dat [gedaagde] het concurrentiebeding thans misbruikt om [eiser] voor haar organisatie te behouden, hetgeen echter op gespannen voet staat met de vrijheid van arbeidskeuze zoals die is neergelegd in artikel 19, lid 3 van de Grondwet.

Het binden van goed personeel is een element dat niet rechtstreeks het bedrijfsdebiet van de werkgever raakt.

Onweersproken is voorts dat [eiser] geen persoonlijk contact heeft met klanten en/of relaties van [gedaagde], dat hij bij [concurrent] geen commerciële functie gaat vervullen, en dat hij geen kennis heeft van bedrijfsgeheimen of gevoelige bedrijfsinformatie van [gedaagde]. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat zijn indiensttreding bij [concurrent] direct concurrerend zal zijn voor [gedaagde].

3.10 Gelet op het voorgaande, en mede in aanmerking genomen de eigen stelling van [gedaagde] dat het concurrentiebeding destijds is opgenomen om te voorkomen dat [eiser] bij [bedrijfsnaam], een ander concurrerend bedrijf, in dienst zou treden, wordt geoordeeld dat [gedaagde] feitelijk geen belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding, althans dat het belang van [gedaagde] onvoldoende gewicht in de schaal legt bij de belangenafweging.

De conclusie is dan ook dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van [eiser], zodat het concurrentiebeding dient te worden gematigd. Het beding dient echter wel zijn werking te hebben bij, eventueel nog volgende, andere sollicitaties van [eiser], zodat het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding slechts zal worden gematigd, voor zover het de indiensttreding van [eiser] bij [concurrent] betreft. In zoverre zal de subsidiaire vordering van [eiser] worden toegewezen.

3.11 Als gevolg van de matiging van het concurrentiebeding, voor zover het de indiensttreding bij [concurrent] betreft, zijn de in het beding opgenomen boetes niet verbeurd, zodat [gedaagde] deze niet zal kunnen opeisen.

3.12 De meer subsidiaire vordering van [eiser] zal als gevolg van het voorgaande onbesproken blijven.

3.13 Voor de toekenning van een bedrag op grond van bedongen buitengerechtelijke incassokosten zal -zoals ook is bepaald in het Rapport Voorwerk II- moeten blijken dat de buitengerechtelijke verrichtingen meer hebben omvat dan verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, danwel dat die meer hebben omvat dan het zenden van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van een dossier.

Weliswaar gesteld, maar niet gebleken is dat voorafgaande aan de procedure meer werkzaamheden zijn verricht dan het zenden van een enkele brief op 15 april 2010, zodat niet aan bovenvermeld criterium is voldaan. Dat [eiser] zelf overleg heeft gehad met [gedaagde] voorafgaande aan de interventie van zijn gemachtigde doet daaraan niet af, nu dat overleg immers inherent was aan zijn verzoek aan [gedaagde].

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente daarover, zal derhalve worden afgewezen.

3.14 Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal [gedaagde] in de kosten van de procedure worden veroordeeld, voor zover het de bodemprocedure betreft.

Voor zover het de voorlopige voorzieningprocedure betreft, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten op navolgende wijze te compenseren.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in de vordering ex artikel 223 Rv:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de bodemprocedure:

matigt het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding, in die zin dat het [eiser] wordt toegestaan als Maintenance Supervisor bij [concurrent] in dienst te treden;

bepaalt dat [gedaagde], in verband met voormelde matiging, geen boetes vanwege het concurrentiebeding kan opeisen;

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van [eiser] gevallen kosten van het geding, tot op heden begroot op € 698,93, waaronder begrepen € 500,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser];

in de vordering ex artikel 223 Rv én in de bodemprocedure:

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 18 augustus 2010.