Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN4080

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
Awb 09_2605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na tussenuitspraak: De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 44 van de WAO, de daarop gebaseerde Richtlijnen en de jurisprudentie van de CRvB, de uitkering van eiser terecht met terugwerkende kracht heeft gekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 2605 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde [naam gemachtigde],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoerings¬instituut werknemers¬verzekeringen (UWV; kantoor Breda)

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 mei 2009 (bestreden besluit), inzake de korting met terugwerkende kracht op zijn arbeidsongeschiktheids-uitkering krachtens artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 februari 2010, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. J.Z. Groenenberg.

Bij tussenuitspraak van 22 maart 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen.

Bij brief van 27 april 2010 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft bij brief van 1 juni 2010 op de brief van verweerder gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank op 16 juni 2010 het onderzoek gesloten.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is in 1980 vanwege rugklachten uitgevallen voor zijn werk als chauffeur-losser bij een bouwbedrijf. Verweerder heeft aan eiser met ingang van 11 februari 1981 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

Op 25 september 2002 is eiser 10 uren per week als conciërge voor de [naam bedrijf] gaan werken, waarna eiser is ingedeeld in de arbeidsongeschikt-heidsklasse 65 tot 80%.

Met ingang van 15 maart 2004 is eiser, naast zijn dienstverband als conciërge, 15 uren per week als chauffeur bij [naam bedrijf] te [woonplaats] gaan werken en ontvangt eiser een WAO-uitkering laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Eiser heeft op 7 februari 2007 in een wijzigingformulier aangegeven dat hij per

1 maart 2007 meer uren gaat werken, te weten 25 uren per week, waarvoor hij een brutoloon van € 1083,33 per maand zal ontvangen. Bij brief van 14 februari 2007 heeft verweerder eiser laten weten dat de nieuwe loongegevens niet van invloed zijn op de hoogte van eisers uitkering.

Eiser heeft op 21 mei 2008 in een wijzigingformulier aangegeven dat hij met ingang van 1 april 2008 meer loon is gaan ontvangen, te weten een brutoloon van € 1132,46 per maand.

Eiser heeft op 1 juli 2008 in een wijzigingformulier aangegeven dat hij met ingang van

1 mei 2008 minder loon is gaan ontvangen, te weten een brutoloon van € 657,55 per maand.

Bij (primaire) besluit van 16 december 2008 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn WAO-uitkering over de periode van 1 maart 2007 tot en met 31 augustus 2007 en vanaf 1 april 2008 onder toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald naar een fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Over de periode 1 september 2007 tot en met 31 maart 2008 heeft verweerder een korting toegepast als ware eiser voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het bedrag dat hij moet terugbetalen, zijnde € 6.827,86, wordt verrekend met eisers WAO-uitkering.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit van 16 december 2008 gehandhaafd. Volgens verweerder kan ingevolge het beleid een al uitbetaalde WAO-uitkering met terugwerkende kracht worden gekort als de betrokkene wist of redelijkerwijs kon weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed zouden zijn op het recht en/of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Eiser ontving vanaf 1 maart 2007 € 586,97 bruto per maand meer aan inkomen. Verweerder is van mening dat het eiser redelijkerwijs duidelijk moest zijn geweest dat hij teveel uitkering ontving en dat de beslissing van 14 februari 2007 niet juist kon zijn.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Eiser is van mening dat verweerder in de brief van 14 februari 2007 de eenduidige toezegging heeft gedaan dat de opgegeven inkomsten geen invloed hebben op de hoogte van de uitkering. Eiser ontkent dat het voor hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij teveel uitkering ontving.

2.3 In artikel 44, van de WAO, is het volgende bepaald:

1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:

a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15% of

b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

2. De toepassing van het bepaalde in het eerste lid vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid bedoeld in dat lid worden genoten. Deze termijn:

a. wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende perioden van korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten;

b. wordt, indien gedurende een periode van vier weken of langer geen inkomsten uit arbeid worden genoten, onderbroken indien vervolgens opnieuw inkomsten worden genoten uit dezelfde arbeid als de arbeid die werd verricht voor de onderbreking, met dien verstande dat het van de drie jaar resterende tijdvak aanvangt vanaf het moment dat opnieuw de inkomsten uit die arbeid worden genoten.Na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn wordt de in het eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid.

In artikel 18, vijfde lid, van de WAO is bepaald dat in het eerste en tweede lid van artikel 18 wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

2.4. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het bestreden besluit niet is beslist op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 19 februari 2009 inzake de terugvordering en verrekening van de WAO-uitkering. De omvang van het geschil beperkt zich dan ook tot de vraag of verweerder, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, de uitkering van eiser terecht met terugwerkende kracht heeft gekort, ofwel geanticumuleerd.

2.5 Bij tussenuitspraak van 22 maart 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen.

2.6 Bij brief van 27 april 2010 heeft verweerder aangegeven dat het geconstateerde gebrek is hersteld. Verweerder heeft in zijn reactie - kort samengevat - aangegeven dat hij een bestendige gedragslijn hanteert, die er op neerkomt dat in het geval van toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht de instructies worden gevolgd die ter uitvoering van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006(Beleidsregels) zijn vastgesteld. Op grond van deze instructies, die zijn weergegeven in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep genoemd in de overweging 2.4.2 van de tussenuitspraak, is verweerder van mening dat terecht met ingang van 1 maart 2007 is geanticumuleerd.

2.7 De rechtbank overweegt dat verweerder eerst naar aanleiding van de tussenuitspraak een nadere motivering van het bestreden besluit heeft gegeven. Reeds gelet daarop is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Vervolgens zal de rechtbank bezien of de brief van verweerder van 27 april 2010 aanleiding geeft gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van

5 november 2008 (gepubliceerd op www. rechtspraak.nl onder LJ-nummers BG3734, BG3718 en BG3717), overweegt de rechtbank dat uit deze uitspraken volgt dat verweerder bij toepassing van artikel 44 van de WAO een bestendige gedragslijn hanteert, die erop neerkomt dat ook in die situatie de instructies worden gevolgd die ter uitvoering van de Regeling schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen van 18 april 2000, Stcr 2000, 89 zijn opgesteld. Deze regeling is met de inwerkingtreding van de Beleidsregels ingetrokken. Voorts heeft de CRvB in genoemde uitspraken overwogen dat verweerder, ter zake van deze instructies, voor de beoordeling of het betrokkene redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hij te veel uitkering ontving de Richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk” (Richtlijnen) heeft opgesteld. Deze Richtlijnen bestaan uit hoofdregels en nadere beoordelingsregels.

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer de uitspraak van 3 augustus 2004, LJN: AQ6598 en 29 maart 2005, LJN: AT3544) dient een dergelijk buitenwettelijk, begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of zodanig beleid op consistente en redelijke wijze is toegepast.

De rechtbank is van oordeel dat de Richtlijnen in het onderhavige geval op consistente en redelijke wijze zijn toegepast. De WAO-uitkering van eiser was gebaseerd op twee dienstverbanden van in totaal 25 uren per week. Immers, eiser werkte 10 uren per week als conciërge voor [naam bedrijf] en 15 uren als chauffeur bij [naam bedrijf]. Per 1 maart 2007 heeft eiser zijn dienstverband bij [naam bedrijf] uitgebreid naar 25 uren per week. Met ingang van 1 maart 2007 werkte eiser derhalve 35 uren in totaal. In de hoofdregels van de Richtlijnen staat onder meer dat wanneer het bedrag van inkomsten plus uitkering dat de betrokkene ontvangt meer is dan wat hij voorheen aan inkomsten plus uitkering ontving, verweerder aanneemt dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. In de omstandigheid dat verweerder niet adequaat heeft gereageerd op het wijzigingformulier en de omstandigheid dat verweerder daardoor de te hoge uitbetalingen geruime tijd heeft voortgezet, ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat aan de hoofdregels geen toepassing kon worden gegeven.

Met betrekking tot het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel dan wel het vertrouwens-beginsel overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat verweerder niet naar behoren heeft gereageerd op de door eiser tijdig verstrekte informatie over zijn inkomsten uit die arbeid, dan wel de omstandigheid dat het eiser niet redelijkerwijs duidelijk is geweest dat aan hem ten onrechte WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% werd uitbetaald - wat van die stelling ook zij – onvoldoende om te komen tot het oordeel dat verweerder niet tot anticumulatie had mogen besluiten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 44 van de WAO, de daarop gebaseerde Richtlijnen en de jurisprudentie van de CRvB de uitkering van eiser terecht met terugwerkende kracht gekort.

2.8 Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser de juistheid van de in het kader van de toepassing van artikel 44 van de WAO door verweerder gemaakte berekening van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid en zoals weergegeven in het besluit van

16 december 2008 niet heeft betwist. De rechtbank komt deze berekening niet onjuist voor.

2.9 Gelet op hetgeen in 2.5 en 2.7 is overwogen, dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu de gebreken door verweerder in beroep zijn hersteld.

2.10 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proces¬kosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vast¬gesteld op het hieronder opgenomen bedrag. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente toe te wijzen.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-.

wijst het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente af.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, rechter, en door deze en mr. M.P.J. Tillie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 22 maart 2010 kunnen partijen kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: