Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3614

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
02/800181-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van een overval in een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800181/10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] op [geboorteland]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring.

raadsman mr. Stoffels, advocaat te Zevenbergen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 juli 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen een overval in een woning heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de getuigenverklaring van [getuige 1], het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de verwondingen van de aangevers, de verklaring van [medeverdachte], de verklaring van verdachte bij de politie van 18 februari 2010, het proces-verbaal met betrekking tot het buurtonderzoek, de processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] met betrekking tot de telefonische contacten tussen verdachte en [medeverdachte] en de processen-verbaal met betrekking tot de historische gegevens van hun telefoons.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Het staat vast dat verdachte niet binnen is geweest. Volgens de officier van justitie zou verdachte de bestuurder van de auto zijn geweest. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder klein was en smal van postuur. Dit is niet het signalement van verdachte die groot en breed is.

Volgens de getuige [getuige 2] is verdachte in de nacht van 14 op 15 januari 2010 iets na 24.00 uur weggegaan uit Capelle aan de IJssel en is hij anderhalf à twee uur later teruggekomen. Als hij in die tijd naar Bergen op Zoom is gereden dan had verdachte, als hij weer om 02.00 uur in Capelle aan de IJssel was, in ieder geval om ongeveer 01.00 uur weer weg moeten rijden in Bergen op Zoom.

[getuige 3], die een volledig objectieve getuige is en geen baat heeft bij het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid, heeft verklaard dat [getuige 2] in januari 2010 samen met een vriend, die lichtbruin van huid was en lang van postuur, bij hem was, dat het kan zijn dat ze rond 23.30 uur kwamen en dat hij denkt dat ze de hele nacht bleven.

Uit het vorenstaande heeft de verdediging de conclusie getrokken dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij de overval en dus moet worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

[medeverdachte] is in de nacht van 14 op 15 januari 2010 op het station in Rotterdam opgehaald met een auto, waarin drie personen zaten. De bestuurder was een persoon die uit Bergen op Zoom kwam en die van huidskleur half zwart (halfbloed) was. Die bestuurder kende [slachtoffer 1] en legde aan hen uit waar [slachtoffer 1] woonde. [slachtoffer 1] kende de bestuurder van de auto en daarom kon deze niet mee de woning van [slachtoffer 1] binnen. De bestuurder van de auto heeft hen onderweg van Rotterdam naar Bergen op Zoom verteld over het plan voor de overval. Hij was de opdrachtgever. In Bergen op Zoom hebben ze de auto in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] gezet. De bestuurder van de auto heeft toen de woning aangewezen. Ze hadden afgesproken dat ze eerst zouden kloppen om de woning binnen te komen en, als dat niet zou lukken, dan zouden ze via het balkon binnen gaan. De bestuurder van de auto zou buiten wachten. [medeverdachte] is op 15 januari 2010 omstreeks 02.00 uur met twee mededaders het flatgebouw binnen gegaan en ze hebben meerdere malen op de deur van de woning van [slachtoffer 1] geklopt. Toen deze niet open deed, zijn ze op het balkon geklommen, hebben ze een ruit ingegooid en zijn ze vervolgens de woning binnengedrongen. Daar waren de bewoner, [sla[slachtoffer 1]offer 1] , en een vriend van hem, [slachtoffer 2] , aanwezig. Een van de daders toonde hen een vuurwapen. [slachtoffer 2] werd meteen geslagen op zijn hoofd en in zijn gezicht . Ook werd hij op de bank geduwd. Tegenover [slachtoffer 1] werd gedreigd met slaan. De daders riepen “geld, geld” en “geef geld, geef geld, geef alles wat je hebt”. [slachtoffer 1] kreeg diverse klappen op zijn hoofd en oogkas , terwijl er steeds werd geroepen om geld. Een van de daders riep tegen [slachtoffer 2] “geef nou maar geld, dit wapen is namelijk echt en je wilt toch zeker niet dood”. Vervolgens haalde die dader de houder uit het wapen en toonde deze aan [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] zag dat er kogels in die houder zaten. Opeens riep een van de daders dat ze al veel te lang binnen waren en toen zijn ze de woning uitgevlucht. Ze hebben uit de woning een gevulde spaarpot en een boterkuipje, waarin een hoeveelheid wiet zat, meegenomen.

Verdachte heeft tegen de politie gezegd dat hij bij de overval alleen maar hoefde te rijden, dat hij wist dat het om [slachtoffer 1] ging die in de [adres] in Bergen op Zoom woont en dat hij op maandag 11 januari 2010 nog bij [slachtoffer 1] was geweest. Voorts heeft hij gezegd dat [medeverdachte] bij het station in Rotterdam is opgehaald, dat de auto in Bergen op Zoom in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] werd geparkeerd, dat er drugs en geld in de woning van [slachtoffer 1] gepakt moesten worden en dat hij, verdachte, alleen in de auto zat en rondjes is blijven rijden nadat de andere jongens naar binnen waren gegaan. Verdachte heeft ook nog tegen de politie gezegd dat hij tijdens het rondjes rijden op de [adres] zag dat de politie met zwaailichten en sirenes hem tegemoetkwam. Hij is toen de wijk ingereden en even later werd hij door de politie gecontroleerd, waarna hij verder mocht rijden.

Daarna is er volgens verdachte diverse malen met en naar zijn privételefoon gebeld.

Verdachte is inderdaad op 15 januari 2010 omstreeks 03.15 uur in het kader van een buurtonderzoek in de directe omgeving van de [adres] gecontroleerd door de politie en mocht daarna verder rijden.

Uit de gegevens van de mobiele telefoon van [medeverdachte] is vastgesteld kunnen worden dat [medeverdachte] op 14 januari 2010 om 22.07 uur en op 15 januari 2010 te 05.54 uur is gebeld door een telefoonnummer dat op naam van verdachte staat. Voorts is uit historische gegevens van de telefoons van [medeverdachte] en verdachte naar voren gekomen dat er overeenkomstige nummers terugkomen op de printlijsten en dat er door hen beiden rond de overval met deze nummers contact is geweest.

Verdachte heeft weliswaar wisselende verklaringen afgelegd, maar de rechtbank houdt hem aan de verklaring welke hierboven is weergegeven, omdat deze wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven staat vast dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het feit dat verdachte geen uitvoeringshandelingen met betrekking tot de overval op zich heeft gepleegd, deze hem volledig als mededader kan worden toegerekend, omdat de samenwerking tussen verdachte en de overige daders zo nauw en bewust is geweest.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot het signalement van verdachte. [medeverdachte] heeft gezegd dat hij heeft gezien dat hij aan de huidskleur van de chauffeur zag dat deze een halfbloed was, half zwart, maar op de overige vragen van de politie met betrekking tot het signalement van die bestuurder kon hij geen duidelijk antwoord geven. Hij heeft verklaard: “Ik denk klein. Ik heb die jongen niet goed gezien. Verder heb ik niet op hem gelet”. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet de conclusie mag worden getrokken dat [medeverdachte], afgezien van de huidskleur, een juist signalement van die bestuurder heeft opgegeven.

Ook het verweer van de raadsman dat verdachte, gelet op de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], niet bij de overval betrokken kan zijn geweest, verwerpt de rechtbank.

[getuige 2] heeft aanvankelijk tijdstippen genoemd die zouden impliceren dat verdachte de overval niet gepleegd kan hebben, maar later heeft [getuige 2], toen hij geconfronteerd werd met het feit dat hij dan telefonisch contact zou hebben gehad met verdachte, terwijl hij en verdachte samen in de studio in Capelle aan de IJssel waren, verklaard dat hij gedronken en geblowd had die avond, dat verdachte op het tijdstip dat hij eerder genoemd had misschien nog niet terug was en dat hij zich misschien drie uur vergist had in de tijd. De rechtbank is van oordeel dat de tijdstippen dus geenszins vaststaan en dat deze verklaring dus niet als tegenbewijs kan worden gebruikt.

[getuige 3] heeft verklaard dat [getuige 2] in januari 2010 met een vriend bij hem is geweest, maar hij weet niet of dat in de nacht van 14 op 15 januari 2010 is geweest. De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring dus niet als tegenbewijs kan worden gebruikt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 15 januari 2010 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging

met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen

een gevulde spaarpot en een boterkuipje, inhoudende een hoeveelheid wiet, toebehorende aan [slachtoffer 1],

waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen, een vuurwapen, aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond en die [slachtoffer 2] op de bank heeft geduwd en de woorden heeft geroepen: "geld, geld" en "geef geld, geef alles wat je hebt" en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op/tegen diens gezicht en/of hoofd

heeft geslagen en die [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "geef nou maar het geld, dit wapen is namelijk echt en je wilt toch zeker niet dood" en die [slachtoffer 2] de houder van dat vuurwapen heeft getoond met daarin een aantal kogels.

De rechtbank heeft het in de tenlastelegging vermelde huisnummer van de woning aan de [adres] gewijzigd van [huisnummer] in [huisnummer], omdat zij van oordeel is dat hier sprake is van een kennelijke schrijffout. De rechtbank acht verdachte door deze wijziging niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest, overeenkomstig de aanstaande richtlijn van het openbaar ministerie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals hierboven weergegeven, gepleit voor vrijspraak van verdachte en geen nader verweer gevoerd met betrekking tot de eis van de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is samen met drie mededaders van Rotterdam naar Bergen op Zoom gereden voor het plegen van een overval op een woning. In Bergen op Zoom is verdachte als bestuurder van de auto beneden gebleven en de drie anderen zijn via het balkon en door het inslaan van een ruit de etagewoni[adres] te [woonplaats] binnengedrongen. In die woning waren de bewoner, [slachtoffer 1], en een vriend van hem, [slachtoffer 2], aanwezig. Een van de daders heeft een vuurwapen aan hen getoond en tegen [slachtoffer 2] gezegd dat het vuurwapen echt was en hem bedreigd met de dood. Tevens liet die dader aan [slachtoffer 2] zien hoe hij de houder uit het wapen haalde en dat er kogels in die houder zaten. De drie mededaders van verdachte hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geduwd, geslagen en geschopt en ze schreeuwden dat ze geld moesten hebben. [slachtoffer 2] heeft hierbij een hoofdwond, pijn aan zijn neus en twee blauwe ogen opgelopen en [slachtoffer 1] een blauw oog en gevoelige ribben. Overal in de woning werd gezocht en daarbij werden diverse spullen omver gegooid. Uiteindelijk hebben zij alleen een gevulde spaarpot en een boterkuipje met wiet meegenomen.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers, afgezien of het nu wel of niet om een incasso in het drugsmilieu zou gaan, een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. [slachtoffer 1] heeft tegen de politie gezegd dat hij door de overval angstig is geworden en [slachtoffer 2] heeft op zijn schadeformulier aangegeven dat hij op het moment van de overval vreesde voor zijn leven, dat hij nu vooral ’s avonds bang is om op straat te gaan en dat hij moeite heeft met slapen in verband met nachtmerries en herbeleving. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier te proberen snel aan geld te komen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, de psychische gevolgen voor de slachtoffers en de straffen die over het algemeen voor soortgelijke feiten worden opgelegd en in afwijking van de eis die is geformuleerd naar een toekomstige richtlijn, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar noodzakelijk is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank er, ten nadele van verdachte, rekening mee gehouden dat hij de initiator van de overval was en geen openheid van zaken heeft willen geven, maar steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd, en, ten voordele van verdachte, dat hij niet in de woning is geweest, hetgeen overigens voortkwam uit het feit dat [slachtoffer 1] hem anders waarschijnlijk zou hebben herkend.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 2.047,69 voor het feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 750,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien die voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging

met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een mobiele telefoon, Nokia M97;

- een mobiele telefoon, Nokia 6021;

- een acculader, merk Nokia;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 750,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], € 750,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04A)

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Van Gameren en mr. Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van Moonen-Scheepens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 juli 2010.

Mr. Van Gameren en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 15 januari 2010 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning ([adres] heeft weggenomen

een (gevulde) spaarpot en/of een boterkuipje, inhoudende een hoeveelheid wiet,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die spaarpot en/of boterkuipje

onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht, althans dat

vuurwapen/voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en/of

die [slachtoffer 2] op de bank heeft/hebben geduwd en/of (daarbij) de woorden

heeft/hebben geroepen: "geld, geld" en/of "geef geld, geef alles wat je hebt"

en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) op/tegen diens gezicht en/of hoofd

heeft/hebben geslagen/gestompt en/of die [slachtoffer 2] de woorden heeft/hebben

toegevoegd: "geef nou maar het geld, dit wapen is namelijk echt en je wilt

toch zeker niet dood" en/of die [slachtoffer 2] de/het houder/magazijn van dat

vuurwapen/voorwerp heeft getoond met daarin een aantal kogels;

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht.