Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3240

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
605272 az 10-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst.

Werkneemster van 55 jaar, laatstelijk werkzaam als afdelingsmanager Customer Services.

Dienstverband van 31 jaar. Salaris € 3.822,63 bruto per maand, exclusief emolumenten.

Werkneemster, die haar werkzaamheden overigens goed verricht, is verzocht haar werkplek te verplaatsen van een eigen kamer naar een bureau op de afdeling waar de werknemers, aan wie zij leiding geeft, hun werk verrichten.

Weigerachtige opstelling van werkneemster.

UWV WERKbedrijf heeft werkgeefster haar toestemming onthouden om het dienstverband met werkneemster te beëindigen omdat werkgeefster, mede gelet op het arbeidsverleden en de duur van het dienstverband van werkneemster, onvoldoende rekening heeft gehouden met de door werkneemster geuite bezwaren tegen de verplaatsing.

Verzoek 7:685 BW. Werkgeefster is bij ontbinding bereid een vergoeding te betalen van

€ 26.600,00 bruto (C=0,2). Werkneemster acht een vergoeding gerechtvaardigd van

€ 281.590,18 bruto (C=2).

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkgeefster haar wensen voldoende duidelijk gecommuniceerd naar werkneemster, maar laatstgenoemde heeft zich ter zake onvoldoende flexibel opgesteld. Ontbinding op zeer korte termijn (door werkgeefster is afstand gedaan van haar intrekkingsbevoegdheid) met een vergoeding van € 110.000,00 bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

Zaaknr.: 605272 AZ VERZ 10-165

Beschikking d.d. 27 juli 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BIC NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

verzoekster, hierna te noemen BIC,

gemachtigde: mr. E.F. Gomes, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

[verweerster],

wonend te [adres],

verweerster, hierna te noemen [verweerster],

gemachtigde: mw. mr. M.H. Stam, juriste bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 8 juni 2010 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;

b. het op 2 juli 2010 ter griffie ingekomen verweerschrift;

c. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter openbare terechtzitting van 7 juli 2010, waar zijn verschenen mr. Gomes vergezeld van mw. P. De Rop, directeur bij Bic, en mw. mr. Stam vergezeld van [verweerster].

De inhoud van deze stukken, alsmede van de ter zitting door mr. Gomes overlegde pleitnotities en producties (2 foto’s en een plattegrond) geldt als hier ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens door partijen ter zitting is aangevoerd, wordt, voor zover nodig, hierna teruggekomen.

2. Het geschil

Bic verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verweerster] zo spoedig mogelijk te ontbinden, onder toekenning van een eenmalige ontbindingsvergoeding aan [verweerster] gebaseerd op de factor C is 0,2, zijnde een bedrag van € 26.600,00 bruto.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter primair het verzoek tot ontbinding af te wijzen. Subsidiair, bij toewijzing van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per zo laat mogelijke datum, doch in ieder geval na 1 november 2010, aan [verweerster] een vergoeding toe te kennen van € 281.590,18 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag. Zowel primair als subsidiair verzoekt [verweerster] Bic te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat het volgende vast:

- [verweerster], geboren op 19 augustus 1954 en derhalve thans 55 jaar oud, is op 19 maart 1979 bij Bic in dienst getreden, waar zij laatstelijk werkzaam was in de functie van afdelingsmanager Customer Services tegen een salaris van € 3.822,63 bruto per maand, exclusief 9% vakantietoeslag en een jaarlijkse variabele bonusregeling;

- tussen partijen is in september 2009 een diepgaand verschil van mening ontstaan over de wijze waarop [verweerster] haar werkzaamheden dient uit te voeren, met name over de plaats van waaruit dat dient te geschieden;

- bij brief van 27 november 2009 heeft Bic [verweerster] een laatste formele waarschuwing doen toekomen met betrekking tot de weigering van [verweerster] om haar werkplek te verplaatsen naar de afdeling tussen haar medewerkers;

- Bic heeft [verweerster] bij brief van 6 januari 2010 voor 14 dagen op non-actief gesteld; op 25 januari 2010 heeft [verweerster] haar werkzaamheden hervat;

- op 25 januari 2010 namiddag heeft mw. De Rop een functioneringsgesprek, alsmede een bespreking met [verweerster] gehouden. Na deze gesprekken heeft Bic [verweerster] opnieuw op non-actief gesteld en aangekondigd dat aan UWV WERKbedrijf een ontslagvergunning voor [verweerster] zou worden verzocht;

- bij verzoek d.d. 25 januari 2010 heeft Bic UWV WERKbedrijf verzocht haar toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op te mogen zeggen wegens verwijtbaar handelen of nalaten, althans disfunctioneren;

- bij schrijven van 5 februari 2010 heeft Bic haar verzoek desgevraagd door UWV WERKbedrijf nader toegelicht en heeft zij vragen beantwoord;

- bij schrijven van 22 februari 2010 heeft [verweerster] bij UWV WERKbedrijf verweer gevoerd tegen de ontslagaanvraag van Bic;

- bij beslissing van 11 maart 2010 heeft UWV WERKbedrijf Bic haar toestemming onthouden om de arbeidsverhouding met [verweerster] op te zeggen omdat Bic, mede gezien het arbeidsverleden en de duur van het dienstverband van [verweerster], onvoldoende rekening heeft gehouden met de bezwaren van [verweerster] tegen verandering van haar werkplek bij Bic;

- na 11 maart 2010 hebben partijen op alle mogelijke manieren getracht tot een vergelijk te komen;

- omdat partijen in onderling overleg geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een beëindiging van het dienstverband, heeft Bic zich op 8 juni 2010 met het onderhavige verzoek tot de kantonrechter gewend.

3.2 Bic baseert haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsverhouding met [verweerster] op gewichtige redenen, bestaande in een zodanige verandering in de omstandigheden dat van haar niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bic is voorts van mening dat het ontstaan van deze situatie vrijwel volledig aan [verweerster] te wijten is. Bic voert daartoe aan dat [verweerster], zijnde een leidinggevende, niet wenst te voldoen aan redelijke verzoeken, die Bic als werkgeefster aan haar heeft gedaan tot verplaatsing van haar werkplek van een eigen kamer naar de afdeling. Bic stelt bij haar verzoeken rekening te hebben gehouden met het feit dat [verweerster] incidenteel een rustige werkomgeving nodig heeft om speciale werkzaamheden die veel aandacht en concentratie vergen, te kunnen doen. Daarvoor zou [verweerster] zich immers kunnen terugtrekken in een aparte kamer. Bic stelt er voorts belang bij te hebben dat [verweerster] haar medewerkers direct aanstuurt, dit teneinde de prestaties van haar team te verbeteren. Een dergelijke werksetting streeft Bic ook in het buitenland na. [verweerster] weigert echter aan de wensen van Bic te voldoen en dat neemt Bic haar zeer kwalijk. Gezien de verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster] stelt Bic zich op het standpunt dat [verweerster] geen “neutrale” ontbindingsvergoeding toekomt, maar dat een vergoeding gebaseerd op een factor C=0,2, wat neerkomt op een bedrag van € 26.600,00 bruto, een bedrag dat naar de mening van Bic meer recht doet aan de situatie.

3.3 [verweerster] kan zich niet verenigen met de door Bic verzochte ontbinding en de gronden waarop dat verzoek berust. [verweerster] benadrukt dat zij al meer dan 31 jaar voor Bic werkzaam is en zij bij Bic via diverse functies is doorgegroeid naar haar huidige functie, die zij nu 10 jaar bekleedt. [verweerster] is van mening dat zij altijd goed tot zeer goed heeft gefunctioneerd en dat er door Bic tot voor kort nimmer kritiek op haar functioneren is geuit. Vanaf eind september 2009 meent Bic en specifiek mw. De Rop haar pijlen op [verweerster] te moeten richten. Naar de mening van Bic zou de werksfeer, die in de ogen van Bic slecht was, beter worden als [verweerster] haar werkplek zou verplaatsen van haar aparte werkkamer naar een plaats op de afdeling tussen de werknemers aan wie zij leiding gaf. Zonder nader overleg heeft Bic op 21 september 2009 [verweerster] verzocht en gesommeerd onmiddellijk aan dit verzoek te voldoen. [verweerster] was het met de voorgestelde wijziging niet eens en zij heeft geprobeerd dit bij Bic bespreekbaar te maken door voor te stellen om haar werkplek voor de helft van de tijd te verplaatsen naar de werkvloer. Bic heeft echter gemeend van de kwestie een halszaak te moeten maken en zij heeft de bezwaren van [verweerster] aangemerkt als werkweigering en heeft haar op non-actief gesteld om vervolgens te streven naar een beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Eerst heeft Bic dat getracht te verwezenlijken via UWV WERKbedrijf, dat echter na verweer van [verweerster], een ontslagvergunning heeft geweigerd. Daarna heeft Bic getracht om op minnelijke wijze tot een beëindiging van het dienstverband te komen. Toen dat ook niet lukte, heeft Bic zich met het onderhavige verzoek tot de kantonrechter gewend. [verweerster] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat Bic haar verzoek op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd en geconcretiseerd. Ten tweede zou de wijziging van haar werkplaats volgens [verweerster] de uitvoering van haar werkzaamheden belemmeren, demotie betekenen en haar gezag ondermijnen. Ten derde stelt [verweerster] dat er sprake is van een eenzijdige wijziging van haar arbeidsvoorwaarden, die niet is toegestaan.

Gelet op het voorgaande was het verzoek van Bic tot wijziging van haar werkplek niet redelijk en onacceptabel. [verweerster] betwist met klem de stelling van Bic dat zij het verzoek tot verplaatsing van haar werkplek stelselmatig zou hebben geweigerd. Zij heeft zich steeds bereid getoond mee te werken aan fatsoenlijke oplossing, waartoe zij onder meer heeft voorgesteld een mediator in te schakelen. Het is Bic geweest die vanaf haar op non-actiefstelling enkel het einde van het dienstverband heeft nagestreefd. Na 31 jaar dienstverband heeft ook [verweerster] thans het vertrouwen in Bic als goed werkgeefster verloren en vraagt zij zich af in hoeverre een voortzetting van het dienstverband nog vruchtbaar zal kunnen zijn. Hoewel [verweerster] primair van mening is dat het verzoek van Bic dient te worden afgewezen, meent zij subsidiair dat haar bij ontbinding een vergoeding toekomt, waarbij de correctiefactor op 2 dient te worden gesteld en ook rekening wordt gehouden met het gemiddelde van de bonussen die zij vanaf 2000 heeft ontvangen. Op grond van het vorenstaande verzoekt [verweerster] de kantonrechter bij ontbinding per 1 november 2010 aan haar een vergoeding toe te kennen van € 281.590,18 bruto.

3.4 Naar het oordeel van de kantonrechter houdt het onderhavige verzoek geen verband met het bestaan van enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:685 BW.

3.5 Naar het oordeel van de kantonrechter staat het de werkgever vrij van bedrijfsfilosofie te veranderen. In het kader van haar nieuwe “policy” acht Bic het gewenst dat leidinggevenden als [verweerster] hun werkzaamheden grotendeels gaan verrichten temidden van degenen aan wie zij leiding geven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft mw. De Rop de nieuwe bedrijfsfilosofie op duidelijke wijze naar [verweerster] toe verwoord. [verweerster] heeft zich blijkbaar niet kunnen (of willen) aanpassen aan deze nieuwe manier van werken en zij heeft in elk geval voor een deel willen volharden in haar oude manier van werken. [verweerster] heeft zich in de visie van de kantonrechter onvoldoende flexibel getoond. Zij heeft zelf de deur dicht gedaan voor een verdere vruchtbare samenwerking in de toekomst. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Bic zich niet onredelijk gedragen ten opzichte van [verweerster]. Nu [verweerster] zelf ook al in punt 10 van het verweerschrift aangeeft dat zij na 31 jaar dienstverband het vertrouwen in Bic als goed werkgeefster heeft verloren en zij zich ook afvraagt in hoeverre een voortzetting van het dienstverband nog vruchtbaar kan zijn, acht de kantonrechter het gerechtvaardigd over te gaan tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Immers een arbeidsovereenkomst is een wederkerige overeenkomst, waarvan beide partijen de voortzetting moeten wensen. Zo niet is voortzetting van de arbeidsovereenkomst zinloos.

3.6 De kantonrechter heeft vervolgens in deze zaak de vraag te beantwoorden of aan de ontbinding een vergoeding moet worden verbonden ten gunste van [verweerster] en ten laste van Bic. Partijen beantwoorden deze vraag zelf bevestigend. Ook naar het oordeel van de kantonrechter dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord, nu in het kader van deze procedure niet is aangetoond dat [verweerster] echt vakinhoudelijk heeft gedisfunctioneerd. Eerst vanaf september 2009 heeft Bic aanmerkingen op met name de wijze waarop [verweerster] haar werk uitvoert en wenst te blijven uitvoeren en acht Bic het gewenst dat [verweerster] haar mensen direct gaat aansturen vanuit hun midden. [verweerster] houdt er blijkbaar een andere visie op na, waarbij zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende oog heeft gehad voor het doel dat haar werkgeefster met de wijziging heeft willen nastreven.

3.7 Over de omvang van de vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Bic is bereid aan [verweerster] ontbindingsvergoeding te betalen van € 26.600,00 bruto. [verweerster] acht, gelet op de omstandigheden van haar geval, een ontbindingsvergoeding van € 281.590,18 bruto redelijk en billijk. Het door Bic aangeboden bedrag doet naar het oordeel van de kantonrechter geen recht aan de omstandigheden van het geval. De 55 jarige [verweerster] heeft immers bij Bic een dienstverband van maar liefst 31 jaar en Bic heeft, gelet op de ook gedurende de laatste jaren aan [verweerster] toegekende bonussen, weinig tot niets op het functioneren van [verweerster] aan te merken gehad. Het door [verweerster] gewenste bedrag acht de kantonrechter echter ook niet reëel. Een flexibele opstelling had van [verweerster], zeker als leidinggevende, wel mogen worden verwacht. Met betrekking tot dit laatste treft [verweerster] toch wel enig verwijt. Uitgaande van het voorgaande en rekening houdend met de aan [verweerster] toegekende bonussen acht de kantonrechter een vergoeding van € 110.000,00 bruto redelijk en billijk. De kantonrechter heeft bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding geen aanleiding gezien om rekening te houden met de periode dat [verweerster] op non-actief heeft gestaan en evenmin met de fictieve opzegtermijn. Het eerste omdat dat de keus van werkgeefster zelf is geweest en het tweede omdat de ontbinding mede zijn grond vindt in de opstelling van werkneemster.

3.8 Aangezien van de zijde van Bic ter zitting afstand is gedaan van haar bevoegdheid ex artikel 7:685 lid 9 BW om haar ontbindingsverzoek alsnog in te trekken, zal de kantonrechter de ontbinding meteen uitspreken.

4. De proceskosten

Gelet op de uitkomst van procedure zal de kantonrechter omtrent de proceskosten beslissen zoals hierna aangegeven in het dictum.

5. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2010;

kent aan [verweerster] ten laste van Bic een vergoeding toe van € 110.000,00 bruto en veroordeelt Bic om voormelde vergoeding aan [verweerster] te voldoen;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.