Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2883

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
08/4812
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:76, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Buitenlandse bankrekening.

De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in het jaar 1995 rekeninghouder was van een bankrekening bij Van Lanschot Bankiers. Daaraan ontleent de rechtbank het vermoeden dat hij beschikte over aanzienlijke bedragen aan (inkomsten uit) vermogen die niet in zijn aangifte zijn vermeld. Belanghebbende heeft dat vermoeden niet ontzenuwd. Er is sprake van kwade trouw, zodat navordering gerechtvaardigd is. Er is sprake van omkering van de bewijslast. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met omkering van de bewijslast vormt geen aanleiding om de boete te matigen (beroep ongegrond).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1841 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4812

Uitspraakdatum: 19 juli 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 399.533, met een verhoging van f 60.295 (zonder kwijtschelding), alsmede gelijktijdig bij beschikking heffingsrente vastgesteld tot een bedrag van f 22.410 (aanslagnummer: [aanslagnummer].H57).

1.2.Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 april 2010 de navorderingsaanslag, de verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft bij brief van 16 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 20 oktober 2008, beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, drs. [gemachtigde], verbonden aan [naam kantoor gemachtigde] te Oss, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde], [gemachtigde] en [gemachtigde]. De bij de rechtbank onder de nummers AWB 08/4812, 08/4813 en 08/4814 bekende procedures zijn gelijktijdig ter zitting behandeld.

1.7.Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de inspecteur, welke pleitnota met instemming van de inspecteur wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende, geboren op [datum] 1942, is gehuwd met [naam echtgenote eiser], geboren [datum] 1942. Het sofinummer van belanghebbende is [BSN].

Overdracht van gegevens door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten

2.2.1.Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer (…), Hoofd van Belastingdienst/FIOD ECD/Team Internationaal te Haarlem, met als onderwerp: “Inkomstenbelastingen. Spontane uitwisseling van inlichtingen met Nederland. VAN LANSCHOT BANKIERS LUXEMBOURG SA.” Voor de regeling inzake de spontane uitwisseling van inlichtingen verwijst de brief naar artikel 7 van de EG-Richtlijn van

19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG), en voorts naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische Belastingverdrag van 19 oktober 1970.

2.2.2.Bij de onder 2.2.1 vermelde brief van 18 februari 2005 is een, door de belastingdienst geanonimiseerde, nota gevoegd met daarbij twaalf bijlagen (hierna: de Nota). In de Nota is het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:

(…) “ VERSTREKTE INLICHTINGEN

De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven.

Het betreft gegevens van de Bank van Lanschot Bankiers Luxembourg.

De stukken, bestaande uit verscheidene lijsten op papier (…) werden aangetroffen en in beslag genomen bij een huiszoeking in een garagebox te W (...) uitgevoerd in het kader van een onderzoek onder leiding van Onderzoeksrechter V (…). Deze garagebox werd op dat ogenblik gehuurd door de heer P (…) en door diens bende gebruikt als uitvalsbasis voor overvallen. Met een brief van

18 december 2001 heeft de procureur-generaal aan de belastingadministratie toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier (…).

Toelichting van de feiten zoals blijkt uit de verhoren.

De kopieën van de bankstukken werden door V(…) gekopieerd uit een computerbestand van de heer M (…). M (…) had als helpdeskmedewerker bij de firma L (…) te W (…) de gegevens in bezit gekregen via zijn afdelingschef, de heer J (…). P (…) is een gewezen werknemer van de bank. L (…) is een toeleveringsbedrijf van kantoorbenodigdheden aan bedrijven. De originele bankgegevens stonden op “microtape” zoals V (…) het verwoordt. Door middel van een toestel van een Duitse zusterfirma van L (…) zijn de originele bankgegevens gelezen en op een diskette gezet en vervolgens afgedrukt. (…) Tenslotte heeft V (…) de afgedrukte lijsten gefotokopieerd - ten minste een gedeelte ervan - en deze kopieën bewaard in de gehuurde garagebox, waar zij door de politie zijn aangetroffen.

Mogelijke motieven zoals blijkt uit de verhoren.

V (…) vermoedt dat M (…) en P (…) de bedoeling hadden de bank op te lichten door middel van deze stukken. V (…) verklaart dat M (…) hem en zijn dochter zou hebben bedreigd voor het geval “er iets uitkwam van deze stukken”. Het kopiëren en bewaren van de lijsten door V (…) evenals de beweerde bedreiging, kunnen ook wijzen op de intentie om de klanten van de bank aan de hand van de adreslijsten te lokaliseren met het oog op huisdiefstal.

Besluit

Dit alles betekent dat door de betrokkenen een hoge mate van geloofwaardigheid aan de stukken werd gehecht. Immers, de stukken zijn voor betrokkenen slechts nuttig onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moeten ze echt zijn in de zin van afkomstig van de bedrijfsadministratie van de bank. Ten tweede moeten ze accuraat zijn in de zin van overeenkomen met de werkelijkheid inzake enerzijds de namen en adressen van de rekeninghouders en anderzijds de rekeningstanden. Hieruit kan besloten worden dat de stukken zowel inzake herkomst als inhoud inderdaad een hoog gehalte aan waarachtigheid bevatten.

De stukken zijn door het Parket in beslag genomen ter gelegenheid van een huiszoeking, en bijgevolg op rechtmatige wijze verkregen. Vervolgens werd aan de administratie toelating van en inzage in en afschrift van de stukken verleend. Bijgevolg heeft de administratie de stukken verkregen op rechtmatige wijze. Bovendien betekent dit dat de oorsprong van de stukken ondubbelzinnig is.” (…)

2.2.3.De twaalf bijlagen bevatten gegevens over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996. Daarnaast bevatten de bijlagen tevens namen, adreslijsten en getallen. Meerdere bijlagen hebben als aanhef “F. van Lanschot Bankiers Luxembourg SA.” dan wel “FvL Cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de Bank van Lanschot Bankiers.

2.2.4.Op basis van de gegevens, welke door de BBI zijn verstrekt bij de brief van 18 februari 2005, is in maart 2007 binnen de Belastingdienst het project Bank Zonder Naam (hierna: het Project) van start gegaan. Doel van het Project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

2.2.5.Ten behoeve van het project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het Draaiboek) opgesteld. Het Draaiboek bevat alle aspecten van het project. Het Draaiboek, versie 7 maart 2007, is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de website van de belastingdienst en het Ministerie van Financiën.

2.2.6.Vaststaat dat de inspecteur geen stukken aan belanghebbende heeft overgelegd, die hebben geleid tot de totstandkoming van het Draaiboek. Aan belanghebbende zijn wel alle stukken vanuit België, zij het in geanonimiseerde vorm, overgelegd.

Identificatie van de op de fotokopieën vermelde rekeninghouders

2.3.1.In de aanvulling op het verweerschrift, gedagtekend 5 maart 2010, is op pagina 10 en 11 onder meer het volgende vermeld:

(…) “De inspecteur heeft na ontvangst van de Nota en de rekeningstandenlijsten de op de rekeningstandenlijsten vermelde informatie geverifieerd. Hiertoe zijn de volgende toetsen uitgevoerd.

Gekeken is of de op de rekeningstandenlijsten vermelde namen overeenkwamen met namen van rekeninghouders in eerdere projecten (het Rekeningenproject en het project Buitenlands Vermogen). Ten aanzien van drie belastingplichtigen die voorkomen op de rekeningstandenlijsten is gebleken dat zij bij deze eerdere buitenlandse vermogensprojecten openheid van zaken hebben gegeven omtrent hun buitenlandse bankrekeningen en hierbij ook informatie hebben verstrekt over hun rekening bij Van Lanschot Bankiers SA. Gebleken is dat de informatie op de door deze meewerkende belastingplichtigen verstrekte rekeningafschriften overeenkomt met de gegevens zoals vermeld op genoemde rekeningstandenlijsten.

Daarnaast blijken de gegevens die in het kader van het project Bank Zonder Naam worden verstrekt door meewerkende belastingplichtigen overeen te stemmen met de informatie op de rekeningstandenlijsten. In geen enkel geval zijn afwijkingen geconstateerd tussen de informatie die voorkomt op de rekeningstandenlijsten en de door meewerkende belastingplichtigen verstrekte informatie.

Tevens heeft een chikwadraattoets plaatsgevonden teneinde de op de rekeningstandenlijsten vermelde saldo-informatie te verifiëren op echtheid. Uitkomst van deze toets is dat de getallen op de rekeningstandenlijsten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen gefingeerde getallen zijn. (...)

Uit de informatie in de begeleidende Nota in combinatie met (de aanhef van) de bijlagen zoals hiervoor is vermeld, alsmede op grond van bovenstaande verificatie is door de Belastingdienst de conclusie getrokken dat het bankgegevens betreft die afkomstig zijn van de bank Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA.” (…)

2.3.2.Over de identificatie van de op de fotokopieën genoemde rekeninghouders is op pagina 11 van de aanvulling op het verweerschrift onder meer het volgende vermeld:

(…) “Op de rekeningstandenlijsten (...) komen rekeninghouders voor met één achternaam met één of meer voorletters alsmede rekeninghouders met een dubbele achternaam al dan niet met één of meer voorletters. In totaal gaat het om circa 2.500 renseignementen.

De gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de rekeningstandenlijsten zijn vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem BVR (Beheer Van Relaties) van de Belastingdienst. In dit systeem zijn alle natuurlijke personen en rechtspersonen die in Nederland wonen of zijn gevestigd, opgenomen. Via het systeem zijn ook historische gegevens te raadplegen.

Het BVR systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie.

Indien en voor zover uit de vergelijking met BVR slechts één persoon met exact dezelfde of, in andere bewoordingen, met de unieke combinatie meerdere voorletters-achternaam of combinatie (voorletters) achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon als rekeninghouder aangemerkt.”

In een aantal gevallen, zoals in casu, heeft identificatie (mede) plaatsgevonden aan de hand van de gegevens vermeld op de adressenlijsten.” (…)

2.3.3.Op één van de rekeningstandenlijsten, bijlage 7 van de aanvulling op het verweerschrift, zijn onder meer de volgende gegevens vermeld:

(…) “Bladzijde 1 van bijlage 7 vermeldt het volgende:

Date: 11/28/96

RACINE NAME CCY CURRENT ACCOUNTS DEPOSITS

0017003 [naam eiser-naam echtgenote eiser] NLG 543.16 .00

BONDS SHARES / OPTIONS INV. FUNDS TOTAL

1,222,625.00 .00 343,914.48 1,567,082.64

Bladzijde 2 van bijlage 7 vermeldt het volgende:

Date: 9/05/96

RACINE NAME CCY CURRENT ACCOUNTS DEPOSITS

0017003 [naam eiser-naam echtgenote eiser] NLG 543.16 .00

BONDS SHARES / OPTIONS INV. FUNDS TOTAL

1,215,500.00 .00 318,320.66 1,543,363,82

Bladzijde 3 van bijlage 7 vermeldt het volgende:

28 17003 [naam eiser-naam echtgenote eiser] 941221 NLG 1674863,96 72,86 982000, 0 0 0A.” (…)

2.3.4.In de aanvulling op het verweerschrift, op pagina 13, is met betrekking tot bovenstaande gegevens en belanghebbende onder meer het volgende opgenomen:

(…) “Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam van belanghebbende [eiser] en zijn echtgenote [naam echtgenote eiser] slechts éénmaal in BVR voorkomt. Het betreft hier dan ook een unieke naam-naamcombinatie.” (…)

Contacten tussen partijen vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen

2.4.1.De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 16 maart 2007 onder meer het volgende geschreven:

(…) “De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27 e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.” (…)

De bijlagen bevatten de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”, waarin belanghebbende wordt gevraagd om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

2.4.2.De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 19 april 2007 op de vragenbrief gereageerd, waarin hij onder meer het volgende vermeldt:

(…) ”Derhalve dat ik u verzoek om per omgaande een exemplaar van het draaiboek aan mij ter hand te stellen.

Voorts concludeer ik op grond van uw brief dat u over gegevens beschikt waaruit zou blijken dat belanghebbende een bankrekening in het buitenland zou hebben aangehouden.

Derhalve dat ik u middels dit schrijven verzoek om de desbetreffende informatie aan ondergetekende ter hand te stellen, waaruit dit zou blijken.

Hierbij gaat het om bij welke bank, onder welk rekeningnummer, welk bedrag, wanneer zou zijn aangehouden.” (…)

2.4.3.Op 4 juli 2007 heeft de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Oost-Brabant op de brief van de gemachtigde van belanghebbende gereageerd, waarin hij onder meer het volgende vermeldt:

1) richtlijnen / draaiboek

(…) “Het draaiboek, waar u om vraagt, is opgesteld voor intern gebruik door de medewerkers van de Belastingdienst ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek naar buitenlandse bankrekeningen.

Het draaiboek is inmiddels grotendeels openbaar geworden. Voor een aantal passages maken de belangen die genoemd worden in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en e, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaarmaking niet mogelijk.

Verder staan in het draaiboek gegevens die vallen onder de fiscale geheimhoudingsplicht. (…) Openbaarmaking van de gegevraagde informatie blijft achterwege wanneer één of meer van de in de artikelen 10 en 11 van de Wob genoemde uitzonderingsgronden of beperkingen en in dit geval de relatieve uitzonderingsgronden, zwaarder weegt dan het (algemene en gegeven) belang van openbaarmaking. Hiervan is in dit geval sprake.

Aan openbaarmaking van de onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie staat artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wob (de economische of financiële belangen van de Staat) in de weg. (…)

Daarnaast weegt het belang van de algemene openbaarmaking niet op tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals genoemd artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wob.

Ook om deze reden zullen de passages voor zover deze informatie bevatten die onder de fiscale geheimhouding valt niet worden openbaar gemaakt.

Namen van ambtenaren zijn in de openbaargemaakte versie van het draaiboek vervangen door de letters “NN” gevolgd door een uniek nummer.(…)”

2) standaardbrieven

(…) “Uit uw verzoek blijkt dat u reeds in het bezit bent van één of meer brieven waarin aan belastingplichtigen wordt verzocht om informatie omtrent één of meer buitenlandse bankrekening(en). Voor zover deze brieven reeds algemeen bekend zijn, of als sprake is van standaard of openbare informatie zal ik deze standaardbrieven als bijlage meesturen.

De overige brieven zijn niet openbaar in verband met het belang zoals genoemd in art. 10, lid 2 aanhef en letter d Wob. (…)

Uit de brieven kan informatie blijken die van belang is voor een efficiënte inspectie, controle en toezicht door de Belastingdienst.” (…)

3) Informatie aangaande uw cliënt

De onderhavige informatie is verkregen middels internationale gegevensuitwisseling. Zoals ik hiervoor heb weergegeven, regelt art. 7 van de Richtlijn de geheimhoudingsplicht die de lidstaten hebben wanneer deze op grond van de genoemde richtlijn over inlichtingen beschikken. Dat artikel maakt het mij niet mogelijk deze gegevens openbaar te maken.

Voor zover er toch een afweging op grond van de Wob-uitzonderingsgronden zou moeten plaatsvinden, dan verhinderen de belangen die worden genoemd in artikel 10, lid 2 aanhef en letters a, b, c, d, e, en g Wob, openbaarmaking. De gegevens die u vraagt, vallen bovendien onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr. (…)

Gezien het vorenstaande blijft openbaarmaking van de informatie aangaande uw cliënt achterwege.(…)”

2.4.4.De inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 10 oktober 2007 herinnerd aan zijn schriftelijk verzoek van 16 maart 2007 om gegevens en inlichtingen te verstrekken. De inspecteur stelt belanghebbende, onder verwijzing naar artikel 47, eerste lid, letter a, van de AWR, nogmaals en in laatste instantie in de gelegenheid om uiterlijk binnen 2 werkdagen de gegevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

2.4.5.De gemachtigde van belanghebbende heeft in zijn brieven van 11 oktober 2007 onder meer als volgt gereageerd:

(…) “Ten eerste is dit een irreëel korte termijn en ten tweede heb ik nog steeds niet enige inhoudelijke reactie van u mogen ontvangen m.b.t. de stukken waarom ik verzocht in mijn schrijven van 19 april jl. met kenmerk KL/nt/3102/0831.

Op grond van het draaiboek Bank zonder naam, blijkt dat alle aanslagen met een boete zullen worden opgelegd.

Nu dit dus van algemene bekendheid is dienen de stukken waarover u beschikt, want u wilt informatie hebben om aanslagen te kunnen gaan opleggen verhoogd met een bestuurlijke boete, ter beschikking te worden gesteld op grond van artikel 67m AWR.

Uw beroep op 49 AWR is dan ook bezijden de realiteit, vanwege het feit dat 67m AWR regelt dat de stukken waarop de boete zou worden gebaseerd ter hand moeten worden gesteld wanneer hierom wordt verzocht. Bij deze herhaal ik derhalve nogmaals mijn verzoek dienaangaande.

Voorts is het toch wel uiterst frappant dat u dezelfde vragen heeft gesteld aan de heer [naam zoon eiser], zoon van [eiser], dat er zelfs een gesprek op mijn kantoor is geweest waarbij u aanwezig bent geweest en dat thans de heer [eiser] onder extreem hoge tijdsdruk wordt gezet.(…)”

2.4.6.Op 24 oktober 2007 heeft de inspecteur een brief aan belanghebbende gestuurd, met de mededeling de stelling dat artikel 67m van de AWR van toepassing is, in onderzoek te hebben. Het daaromtrent in te nemen standpunt zal zo spoedig mogelijk worden medegedeeld.

2.4.7.Op 29 november 2007 heeft de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur een brief gestuurd, onder meer inhoudende:

(…) “Derhalve dat ik nu verzoek, zonodig sommeer, om binnen 8 kalenderdagen na dagtekening van dit schrijven de door mij eerder verzochte stukken ter hand de te stellen, dan wel duidelijk gedetailleerd en inhoudelijk op mijn schrijven te reageren.(…)”

2.4.8.Op 12 december 2007 heeft de inspecteur belanghebbende onder meer het volgende bericht:

(…) “Als u het draaiboek goed leest kunt u niet de conclusie trekken dat alle aanslagen met boete zullen worden opgelegd. Dat kan ook nooit in het draaiboek gezegd worden. Er staat dat er in voorkomende gevallen een boete onderzoek moet worden ingesteld. (…)

Met betrekking tot de heer en mevrouw [naam eiser] blijft artikel 47 AWR van toepassing. Indien zij niet voldoen aan deze vereisten kan omkering van de bewijslast ontstaan.(…)”

2.4.9.De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 26 november 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen met boeten op te leggen. De brief vermeldt onder meer het volgende:

(…) “Redelijke schatting

Ondanks mijn herhaalde verzoeken om informatie en mijn verwijzing naar uw verplichtingen zoals genoemd in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, heeft u niet voldaan aan de op u rustende verplichtingen. (…)

Aan de hand van gegevens van een groot aantal rekeninghouders die één of meerdere bankrekeningen bij Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA hebben aangehouden in de periode 1994/1996 heb ik een verloop van de gemiddeld aangehouden tegoeden kunnen vaststellen. De gemiddeld aangehouden tegoeden zijn in de door mij onderzochte periode op jaarbasis toegenomen met gemiddeld ruim 23,5% per jaar.

Deze toename kan zijn ontstaan uit het herbeleggen van rente en dividend-inkomsten, waardestijging van aandelen en beleggingsfondsen en het saldo van opnames en stortingen.

Omdat ik de inkomsten en het vermogen moet schatten is er voor mij geen aanleiding om rekening te houden met een lagere toename van de tegoeden dan uit het onderzoek bij de onderzochte groep rekeninghouders is gebleken.

Uitgaande van de mij bekende door u aangehouden tegoeden zal ik in mijn berekeningen voor de vermogensbelasting tot en met 2000 rekening houden met een jaarlijkse toename van uw tegoeden van 23,5%.

Ik zal uw vermogen op 1 januari 1996 met f 2.068.457 verhogen.

Met betrekking tot de inkomstenbelasting 1995 heb ik een rendement berekend op de door u in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Het rendement op beleggingen in buitenlandse beleggingsfondsen bedraagt op grond van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in beginsel 6% per jaar. Voor de bepaling van de rente op spaarrekeningen, depositorekeningen en obligaties heb ik rekening gehouden met de percentages van de wettelijke rente, de marktrente en de rendementen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het rentepercentage op spaarrekeningen, depositorekeningen en obligaties heb ik voor 1995 geschat op 6%. Met betrekking tot het voor de inkomstenbelasting te belasten rendement op aandelen ben ik tevens uitgegaan van een gemiddelde van 6% per jaar. Hierdoor worden de inkomsten op de door u en/of uw echtgeno(o)t(e) in het buitenland aangehouden bankrekeningen berekend op 6% van het door mij berekende saldo op

1 januari van dat jaar. (…)

Dit heeft tot gevolg dat het belastbaar inkomen over 1995 met f 100.491 wordt verhoogd.

Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2002 zal ik voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgaan van dezelfde werkingswijze als voor de Vermogensbelasting. Het voordeel uit sparen en beleggen bedraagt op grond van artikel 5.2 Wet IB 2001 4% van dit berekende vermogensbestanddeel.

Uw belastbare inkomen uit sparen en beleggen over 2002 zal ik verhogen met € 1.630.220.

Navordering

Uw aangiften over de jaren 1995 en 2002 heb ik behandeld voordat ik over de informatie met betrekking tot de door u in het buitenland aangehouden bankrekening(en) kon beschikken. Hierdoor zijn uw aanslagen over deze jaren tot te lage bedragen vastgesteld en ben ik voornemens u op grond van artikel 16, lid 1, 3 en 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) navorderingsaanslagen op te leggen. (…)

Kennisgeving boete

(Navorderingsaanslagen IB/PH 1995 en VB 1996)

Op grond van artikel 18, lid 1 van de AWR ben ik voornemens over de correcties een niet-ordeboete van 100% op te leggen. Van deze boete zal ik overeenkomstig § 21, lid 3 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 niets kwijtschelden.

(Navorderingsaanslag IB/PH 2002)

Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens om gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingaanslag een boete op te leggen. Het betreft een vergrijpboete ingevolge artikel 67e AWR en hoofdstuk IV van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Er is sprake van (voorwaardelijk) opzet. Deze boete bedraagt 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag. Op grond van § 43, lid 3 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt deze boete verhoogd tot 100%.

Motivering boete

Uit het onderzoek door de Belastingdienst zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik voornemens ben deze boete op te leggen:

U bent geïdentificeerd als houder van een of meerdere buitenlandse bankrekeningen. U heeft de hiervoor vermelde vermogensbestanddelen en inkomsten niet vermeld in uw belastingaangifte(n). Dit ondanks dat in de aangifte(n) uitdrukkelijk gevraagd wordt naar (buitenlandse) inkomensbestanddelen en/of vermogensbestanddelen. Op grond hiervan ben ik van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

Het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een of meer buitenlandse bankrekeningen (onder andere) in een land met een bankgeheim waardoor de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit is ontnomen merk ik aan als listigheid, valsheid of samenspanning e.d. als bedoeld in § 21, lid 3 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 en als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in § 42 juncto § 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.

Heffingsrente

In het geval u heffingsrente verschuldigd bent, wordt deze vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Op het aanslagbiljet wordt het bedrag van de heffingsrente gespecificeerd vermeld.

Uitnodiging tot reageren

Ik stel u in de gelegenheid om vóór 10 december 2007 schriftelijk op de voorgenomen navordering te reageren. Tevens kunt u dan de gronden waarop mijn voornemen tot opleggen van de boete berust, gemotiveerd betwisten. Indien u dat wenst kunt u uw standpunt ook mondeling toelichten. Ik verzoek u in dat geval vóór 3 december 2007 een afspraak met mij te maken via telefoonnummer (…) of mobiel (…).”

2.4.10.De gemachtigde van belanghebbende heeft in zijn brief van 30 november 2007 onder andere als volgt gereageerd:

“(…) Door de handelwijze uwerzijds, die buiten de Belastingdienst ook u persoonlijk is aan te rekenen, blijkt dus dat u bewust onvolledige informatie geeft.

Voorts blijkt het zo te zijn dat u in uw navordering verwijst naar een redelijke schatting. U overlegt geen enkel stuk waaruit blijkt op welke wijze u tot een redelijke schatting bent gekomen.

Dat deze redelijke schatting niet redelijk en realistisch is kan wel worden geconcludeerd op grond van het feit dat u op uw tweede pagina van uw schrijven, de ene maal het heeft over 23,5% rendement en vervolgens rekent u wederom met een rendementspercentage van 6%.

Dit soort berekeningen zijn volslagen ongerijmd, terwijl voorts ook niet kan worden berekend hoe u weer aan de startwaarde komt, waarop u zich baseert in het jaar 2002.

Derhalve dat dit als onredelijke schattingen terzijde moet worden gewezen want ongeacht hetgeen u stelt is het standaard jurisprudentie dat de Inspecteur, wanneer hij van de aangifte wil afwijken en hij niet over alle benodigde gegeven beschikt, hij een redelijke schatting zal moeten maken en ook tevens zal moeten aangeven waarop hij deze redelijke schatting baseert.

Voorts, gaat u nader inhoudelijk in op de motivering van de boete, waarvan u aangeeft dat belanghebbende zou zijn geïdentificeerd, in weerwil tot de nodige correspondentie die ik aan u heb laten uitgaan, waarbij ik de justificatore bescheiden waarover u zou beschikken, wens te ontvangen. (…)

Zoals u weet is een boete een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM en dient dan ook een belanghebbende te weten op grond van welke feiten hem bepaalde zaken worden verweten, hetgeen u tot op heden nog niet hebt gedaan. (…)

Voorts is het duidelijk dat deze brieven welke u schrijft komen uit een standaard bestand en er dient hier ook sprake te zijn van een zogenaamd draaiboek, waarin instructies voor u staan.

Ik wens dan ook, omdat dit draaiboek een onderdeel uitmaakt van het feitencomplex waarop de boete is gebaseerd, een integraal afschrift te krijgen van dit draaiboek, waarbij het irrelevant is, zoals blijkt uit jurisprudentie van het Hof Arnhem, op welke wijze dit draaiboek aan de ambtenaren van de Belastingdienst is verstrekt.

Ik sommeer u dan ook om binnen acht dagen na dagtekening van dit schrijven, alle gegevens waarover u beschikt op grond van artikel 67m, te overleggen, te weten:

1.het gegeven waaruit zou blijken dat belanghebbende een bankrekening aanhoudt;

2.de identificatie;

3.de aangiften uit het verleden waarop u zich baseert;

4.de integrale versie van het draaiboek met de instructie;

5.de berekeningen, waarop u zich baseert. (…)”.

2.4.11.Met dagtekening 18 december 2007 heeft de inspecteur de mededeling navordering en boetemededeling verstuurd.

2.4.12.Met dagtekening 29 december 2007 zijn de navorderingsaanslag, de verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente, overeenkomstig de brief van

26 november 2007, opgelegd c.q. vastgesteld.

Contacten tussen partijen na het opleggen van de navorderingsaanslagen

2.5.1.Belanghebbende heeft bij brief van 8 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag, de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

2.5.2.In de bezwaarfase heeft de inspecteur een telefonisch overleg met de gemachtigde van belanghebbende in een brief van 14 maart 2008 vastgelegd, waarvan de inhoud onder meer als volgt luidt:

(…) “In verband met aan cliënten van uw kantoor opgelegde aanslagen in het kader van de projecten Buitenlandsvermogen, KB-Lux en/of BZN heeft u afgelopen maanden bezwaarschriften ingediend.

Naar aanleiding van deze bezwaarschriften heb ik u reeds enkele ontvangstbevestigingen toegezonden, tevens inhoudende een verzoek om akkoord te gaan met het aanhouden van de behandeling van deze bezwaarschriften tot dat in hoogste instantie is beslist. Daarvoor heb ik u afzonderlijke reactieformulieren toegezonden.

Hierop heeft u gereageerd middels uw brief van 19 februari 2008 waarbij u mij vraagt om bevestiging van uw zienswijze dat de aanhouding van deze bezwaarschriften niet kan leiden tot stuiting van de undue delay-termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Naar aanleiding hiervan heb ik u op 12 maart 2008 telefonisch gesproken.

Omtrent de hiervoor genoemde zienswijze heb ik kenbaar gemaakt dat ik een beslissing in deze overlaat aan de rechter.

Voorts heeft u kenbaar gemaakt u zich te kunnen vinden in het aanhouden van deze bezwaarschriften te meer omdat nog diverse zaken (over oudere jaren) ter behandeling liggen bij rechtbanken en/of gerechtshoven.

Wij spraken dan ook af dat:

- ten aanzien van de thans ingediende bezwaarschriften u akkoord bent met het aanhouden van de behandeling totdat in soortgelijke procedures onherroepelijke uitspraak is gedaan; (…).” (…)

2.5.3.De gemachtigde heeft de onder 2.5.2 vermelde brief voor akkoord getekend en geretourneerd. Op 17 november 2008 heeft de gemachtigde van belanghebbende de daarin gemaakte afspraak opgezegd.

2.5.4.In verband met de bezwaarprocedure is op 12 januari 2009 de gemachtigde van belanghebbende gehoord en is inzage gegeven in het belastingdossier van belanghebbende. Daarbij zijn de navolgende stukken in kopieën aan de gemachtigde verstrekt:

- de onder 2.3.3 vermelde geanonimiseerde rekeningoverzichten;

- de onder 2.2.1 vermelde aanbiedingsbrief;

- een geanonimiseerde eerste en laatste pagina van de rekeningstanden- en de adressenlijsten.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige navorderingsaanslag, de verhoging en de bij beschikking vastgestelde heffingsrente terecht zijn opgelegd en zo ja, op de juiste bedragen zijn vastgesteld.

3.2.De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.

3.3.Teneinde een antwoord op deze vraag te kunnen geven, dienen de volgende vragen door de rechtbank te worden beantwoord:

1.Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb overgelegd?

2.Is belanghebbende geschaad in zijn procespositie doordat hij geen volledige inzage heeft gekregen in alle op de zaak betrekking hebbende stukken, en zo ja, wat zijn daarvan de gevolgen?

3.Is belanghebbende de persoon die op de fotokopieën als houder van de Luxemburgse rekening is vermeld?

4.Is sprake van een nieuw feit, dan wel kwade trouw bij belanghebbende, op grond waarvan de inspecteur het recht heeft om een navorderingsaanslag op te leggen?

5.Is de termijn voor de navorderingsaanslag overschreden?

6.Wie dient de (on-)juistheid van de hoogte van de navorderingsaanslag te bewijzen?

7.Indien sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast: heeft de inspecteur de hoogte van de navorderingsaanslag redelijk vastgesteld?

8.Is de verhoging (inclusief kwijtscheldingsbesluit) terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

9.Moet de verhoging worden verminderd in verband met het feit dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast en als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn?

10.Is de heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

3.4.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen op de zitting hebben aangevoerd, wordt verwezen naar het proces-verbaal daarvan.

3.5.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, van de navorderingsaanslag, de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

3.6.De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep. De rechtbank acht dit standpunt juist.

4.2.Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de nadere stukken (aanvulling op het verweerschrift) van de inspecteur als tardief buiten beschouwing moet worden gelaten.

De rechtbank gaat hieraan voorbij. In de eerste plaats omdat de nadere stukken binnen de door de rechtbank gestelde termijn zijn ontvangen en in de tweede plaats omdat belanghebbende zich op de nadere stukken, naar blijkt uit de ter zitting overgelegde pleitnota, voldoende heeft kunnen prepareren.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.3.1Blijkens de pleitnota van belanghebbende ter zitting van 16 maart 2010 stelt belanghebbende thans nog dat de inspecteur ten onrechte niet heeft ingebracht:

a.het ongeschoonde draaiboek en de nieuwsbrieven;

b.andere ontbrekende beleidsstukken;

c.de aangiften uit het verleden waarop de inspecteur zich baseert, met bijlagen;

d.ontbrekende cijfermatige gegevens.

4.3.2.De inspecteur heeft bij het verweerschrift onder meer afschriften overgelegd van de volgende op de zaak betrekking hebbende stukken:

- een geschoonde versie van de brief van de bevoegde Belgische belastingautoriteiten van 13 november 2007;

- een geschoonde versie van de daarbij behorende Nota;

- geschoonde versies van de eerste en laatste pagina, alsmede de pagina van het renseignement waarop belanghebbende staat vermeld, van de bij de Nota behorende bijlagen B1, B2, B6 (de geschoonde rekeningstandenlijsten) en bijlage B9 (de geschoonde adressenlijst);

- een ongeschoonde fotokopie van proces-verbaal met betrekking tot het uitvoeren van de chikwadraattoets;

- een geschoonde versie van de onderliggende stukken welke zijn gebruikt voor de berekening van de redelijke schatting

- een ongeschoonde fotokopie van het proces-verbaal van identificatie inclusief de daarin genoemde bijlage;

- een geschoonde versie van het Draaiboek;

- een elektronische uitdraai van de aangifte inkomstenbelasting/vermogensbelasting over het jaar 1995/1996.

4.3.3.De rechtbank heeft de geschoonde versie van het Draaiboek bestudeerd. De geschoonde passages hebben betrekking op de naam van de bank, namen van belastingambtenaren en onderdelen van de belastingdienst waarbij zij werkzaam zijn. De naam van de bank is inmiddels openbaar gemaakt, zodat het weglakken daarvan in het draaiboek in feite ongedaan is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de overige gegevens geheim mogen worden gehouden, op grond van het gerechtvaardigde belang dat verweerder heeft bij de privacy van personen, zowel van derden als van individuele ambtenaren of groepen van ambtenaren van de belastingdienst. Het belang van de belastingdienst bij het beschermen van de privacy weegt aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij openbaring.

4.3.4.Niet is gesteld of gebleken dat de inspecteur beschikt over nieuwsbrieven die betrekking hebben op het onderhavige project. Dan zijn daarvan ook geen stukken te overleggen.

4.3.5.Belanghebbende heeft niet aangegeven welke andere beleidsstukken naar zijn mening ontbreken. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de stelling van de inspecteur dat hij alle relevante stukken heeft overgelegd. Voor zover daarin namen en gegevens van derden en van belastingambtenaren zijn witgemaakt, heeft hetzelfde te gelden als onder 4.3.3 is overwogen.

4.3.6.De inspecteur heeft een elektronische uitdraai van de aangifte over het onderhavige jaar overgelegd. Het feit dat de bijlagen die mogelijk bij de aangifte waren gevoegd niet zijn overgelegd, acht de rechtbank niet bezwaarlijk. Belanghebbende ontkent immers de litigieuze bankrekeningen bij Van Lanschot Bankiers te hebben aangehouden dus het is volstrekt onaannemelijk dat de saldi daarvan en/of inkomsten daaruit in de aangifte of de bijlagen daarbij zouden zijn vermeld.

4.3.7.De cijfermatige gegevens die belanghebbende vraagt, betreffen blijkens de pleitnota de vermogensaangroei van 23,5% per jaar bij “bekenners”. De gegevens waar die 23,5% op is gebaseerd, heeft de inspecteur niet overgelegd. Naar de rechtbank begrijpt stelt de inspecteur dat hij niet over die gegevens beschikt omdat de dossiers van de “bekenners” bij diverse onderdelen van de belastingdienst liggen, verspreid over het land. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat aldus wel volstrekt onduidelijk blijft waar het percentage van 23,5% per jaar op is gestoeld.

4.3.8.Al het vorenverwogene leidt tot het oordeel dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht en dat is voldaan aan het vereiste van artikel 8:42 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een procedure als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

Inzagerecht

4.4.De gemachtigde van belanghebbende heeft vóór het opleggen van de navorderingsaanslag inzage gevraagd in het belastingdossier van belanghebbende. In de bezwaarfase heeft de inspecteur de gemachtigde enkele stukken overhandigd. Hij heeft niet alle gevraagde stukken aan de gemachtigde ter inzage verstrekt, die uiteindelijk in de beroepsfase zijn verstrekt. Nu de inspecteur in de beroepsfase alsnog alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verstrekt, is daarmee het niet verstrekken van alle stukken ter inzage hersteld. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de pleitnota van de gemachtigde, belanghebbende voldoende op deze stukken heeft kunnen reageren en derhalve niet in zijn procespositie is geschaad.

Identiteit van de rekeninghouder

4.5.1.De voorletters van belanghebbende zijn [voorletters eiser]., zijn achternaam is [naam eiser], zijn echtgenote is genaamd [naam echtgenote eiser]. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van deze gegevens voldoende is om, zoals de inspecteur heeft gedaan, belanghebbende aan te merken als persoon die op de fotokopieën wordt bedoeld. De door de inspecteur gehanteerde identificatiemethode, zoals onder 2.3.1 en 2.3.2 is opgenomen, acht de rechtbank - anders dan belanghebbende stelt - betrouwbaar. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit het identificatieproces slechts één hit naar voren kwam, waarbij [naam eiser] partner is van [naam echtgenote eiser].

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van de achternamen tezamen met de voorletters van belanghebbende zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding op de fotokopieën op enig andere persoon dan belanghebbende kan slaan.

4.5.2.Het onder 4.5.1 overwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende de persoon is, die op de fotokopieën als houder van de Luxemburgse rekening is vermeld. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in het jaar 1995 beschikte over de onderhavige bankrekening bij Van Lanschot Bankiers en gerechtigd was tot de op de fotokopieën onder de naam [eiser] vermelde bedragen.

Navorderingaanslag: nieuw feit / kwade trouw

4.6.1.Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een navorderings¬aanslag opgelegd. Op grond van artikel 16 van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur.

4.6.2.Naar het oordeel van de rechtbank is het bekend worden van de gegevens die op de lijsten van Van Lanschot Bankiers zijn vermeld, een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Zoals onder 4.5.2 is overwogen, acht de rechtbank bovendien aannemelijk dat belanghebbende in het jaar 1995 aanzienlijke bedragen aan (inkomsten uit) vermogen niet in zijn aangifte(n) heeft vermeld. De rechtbank acht evenzeer aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij dat inkomen c.q. vermogen in de aangifte(n) diende te vermelden en dat hij dat opzettelijk heeft nagelaten. Derhalve is ook sprake van kwade trouw, zodat navordering ook daarom gerechtvaardigd is.

Navorderingsaanslag: termijn

4.7.1.Belanghebbende heeft gesteld dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd is met het EG-verdrag. Naar aanleiding van prejudiciële vragen hierover van de Hoge Raad, heeft het Hof van Justitie van de EG op 11 juni 2009 arrest gewezen (HvJ EG, 11 juni 2009, C-155/08 en C 157-08, onder ander gepubliceerd in VN 2009/29.6). In rechtsoverwegingen 69, 70 en 76 is het volgende overwogen:

(…) “69. Aangaande het argument dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR willekeurig zou zijn vastgesteld op twaalf jaar, dient te worden vastgesteld dat, voor zover deze termijn wordt verlengd bij verzwijging van belastbare bestanddelen van de fiscus, de keuze van een lidstaat om deze termijn in de tijd te beperken en deze beperking te koppelen aan de termijn voor het instellen van een strafvervolging voor het misdrijf van belastingfraude niet onevenredig lijkt.

70. In deze omstandigheden reikt toepassing van een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar op voor de fiscus verzwegen belastbare bestanddelen niet verder dan noodzakelijk is om de doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen en om belastingfraude te bestrijden. (…)

76. Uit het een en ander volgt dat de artikelen 49 EG en 56 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheid kent, is in dit opzicht geen van belang.” (…)

4.7.2.Naar aanleiding van voornoemd arrest van het Hof van Justitie van de EG, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, onder ander gepubliceerd in VN 2010/13.7 en 13.8, regels geformuleerd, die in verband met het door het Hof van Justitie van de EG genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen, bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR, op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (I) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (II) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. Dit heeft ook te gelden indien de bedoelde aanwijzingen zijn verkregen voor afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat. Deze regels gelden eveneens indien het gaat om aanwijzingen van het bestaan van in een andere lidstaat opgekomen inkomsten die niet voortvloeien uit spaartegoeden.

4.7.3.Nu belanghebbende, naar de rechtbank aannemelijk heeft geacht, in zijn aangifte(n) aanzienlijke bedragen aan vermogen en inkomsten uit dat vermogen niet heeft vermeld, kan niet worden aangenomen dat de inspecteur aanwijzingen had over het bestaan ervan. Het toepassen van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR is dan niet in strijd met het EG-verdrag.

4.7.4.Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de inspecteur niet voldoende voortvarend is geweest na het ontvangen van de aanwijzingen. De Belgische gegevens zijn verstrekt in februari 2005. De eerste vragenbrief aan belanghebbende dateert van 16 maart 2007. Vaststaat dat in het kader van het Project eerst een projectgroep is ingesteld en een draaiboek is opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is voor het opstarten van het Project en het opstellen van het Draaiboek, alsmede het identificeren van de personen die op de fotokopieën waren vermeld, het voormelde tijdsverloop noodzakelijk en niet onredelijk. Ook het tijdverloop tussen 17 maart 2007 en 29 december 2007, de dagtekening van de aanslag, acht de rechtbank niet onevenredig lang, mede gezien de veelvuldige contacten tussen de inspecteur en de gemachtigde in die periode. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld.

4.7.7.Het onder 4.7.1 tot en met 4.7.4. overwogene leidt tot de conclusie dat de inspecteur de onderhavige navorderingaanslag met gebruikmaking van de verlengde termijn heeft kunnen opleggen.

Bewijslast

4.8.1.De inspecteur heeft belanghebbende verzocht gegevens te verstrekken omtrent het aanhouden van een bankrekening in het buitenland. Belanghebbende heeft verschillende keren ontkend rekeninghouder te zijn bij een buiten Nederland gevestigde bank.

4.8.2.Zoals de rechtbank onder 4.5.2 heeft overwogen, is aannemelijk dat belanghebbende, al dan niet tezamen met zijn echtgenote, beschikte over aanzienlijke bedragen aan vermogen die hij, net als de inkomsten daaruit, bewust niet in zijn aangiften heeft vermeld.

4.8.3.Het onder 4.8.1 en 4.8.2 overwogene, in onderling verband bezien, leidt tot de conclusie dat belanghebbende over dit inkomen en vermogen niet de juiste informatie aan de inspecteur heeft verstrekt en onjuiste aangiften heeft gedaan. Op grond van artikel 27e, onderdeel b, van de AWR verklaart de rechtbank het beroep dan ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit betekent, dat voor het onderhavige jaar sprake is van een verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar belanghebbende.

Berekening van de navorderingsaanslag

4.9.1.Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de blote ontkenning dat het op de fotokopieën vermelde bedragen vermogen aan hem, al dan niet tezamen met zijn echtgenote, toebehoorde, niet bewezen dat de navorderingsaanslag te hoog is.

4.9.2.De inspecteur heeft de correctie berekend op van 6 % van f 1.674.863,96, wat volgens de inspecteur het saldo was per 21 december 2004. Uit de overgelegde stukken blijkt die datum van 21 december 2004 weliswaar niet, maar uit het Draaiboek blijkt dat de door België overgelegde stukken rekeningstanden vermelden per drie data, waaronder 21 december 2004. De rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat het bedrag van f 1.674.863,96 dan het saldo per die datum betrof, nu de twee andere kopieën waarop de naam van belanghebbende voorkomt data in 1996 vermelden (zie onder 2.3.3). De rechtbank acht het redelijk dat de inspecteur is uitgegaan van een rendement van 6%, mede gezien het percentage van de wettelijke rente in het jaar 1995 van 8%. Aldus heeft de inspecteur de correctie en daarmee het belastbare inkomen op redelijke wijze vastgesteld.

Verhoging: algemeen

4.10.1.De inspecteur heeft de navorderingsaanslag verhoogd met 100% van de enkelvoudige belasting, met toepassing van artikel 18 van de AWR (oud) juncto hoofdstuk IV van de Leidraad administratieve boetes 1984 (hierna: de Leidraad 1984), onder gelijktijdige beslissing dat geen kwijtschelding zal worden verleend.

4.10.2.De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende willens en weten en met het vooropgezette doel van belastingontduiking bankrekening in het buitenland heeft aangehouden en/of op andere wijze aanzienlijke bedragen aan vermogen buiten Nederland heeft belegd en dat vele jaren voor de inspecteur heeft verzwegen.

Het is dan aan opzet van belanghebbende te wijten dat voor het jaar 1995 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

4.10.3.De rechtbank stelt voorop dat het willens en weten ontduiken van belasting door een behoorlijk vermogen in het buitenland op een bankrekening of anderszins aan te houden en zowel dat vermogen als de inkomsten daarvan te verzwijgen, een dermate ernstige gedraging vormt dat een strafverzwaring van de boete tot 100% van de ontdoken belasting vanwege ernstige en omvangrijke fraude, zoals bedoeld in paragraaf 21, derde lid, van het Voorschrift administratieve boeten 1993 en paragraaf 15, derde lid, van de Leidraad 1984 in beginsel gerechtvaardigd is. In dit geval acht de rechtbank de door de inspecteur vastgestelde verhoging passend en geboden.

Verhoging: omkering bewijslast

4.11.De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41832, onder andere gepubliceerd in BNB 2008/165, beslist dat bij de beoordeling of de boete passend en geboden is, rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Hoewel de onderhavige navorderingsaanslag is vastgesteld met verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar belanghebbende en is gebaseerd op een schatting, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor matiging van de verhoging, nu het door de inspecteur gehanteerde rendementspercentage van 6% alleszins redelijk is, mede gezien het percentage van de wettelijke rente in het jaar 1995 van 8%.

Verhoging: redelijke termijn

4.12.1.De strafvervolging is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de ontvangst door belanghebbende van de brief van 26 november 2007. Aan deze kennisgeving heeft belanghebbende redelijkerwijs de verwachting kunnen ontlenen dat de navorderingsaanslag met verhoging zou worden opgelegd.

4.12.2.Tussen het tijdstip van 26 november 2007 en het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak doet is een periode van ongeveer 2 jaren en 7 maanden verstreken, zodat volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, onder ander gepubliceerd in VN 2005/22.6, sprake kan zijn van een zogeheten undue delay. De rechtbank ziet echter geen aanleiding de verhoging in dit verband te matigen, omdat belanghebbende met uitstel van de behandeling van zijn bezwaarschrift, voor de periode tussen 14 maart 2008 tot 14 november 2008 (7 maanden), heeft ingestemd.

Heffingsrente

4.13.1.Met betrekking tot de heffingsrente merkt de rechtbank op dat de inspecteur ingevolge artikel 30f van de AWR heffingsrente in rekening dient te brengen, nu sprake is van een navorderingsaanslag.

4.13.2.Belanghebbende heeft gesteld dat de in rekening gebrachte heffingsrente dient te worden beperkt, op grond van het feit dat de inspecteur niet binnen 3 maanden te rekenen vanaf 7 maart 2007 de onderhavige navorderingsaanslag heeft opgelegd.

4.13.3.Nu in het onderhavige geval geen sprake is van een op basis van de aangifte vastgestelde (voorlopige) aanslag, is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor beperking van de heffingsrente. Niet kan worden gezegd dat de inspecteur onredelijk lang heeft gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag.

Conclusie

4.14.Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. M.L. Weerkamp en mr. drs. G.H.C. Blommers, rechters, en bij afwezigheid van de voorzitter door de oudste rechter en mr. W.Y. Ip, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 juli 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.