Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2575

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09/4723
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU3737, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV1517, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaard bezwaar tegen kennisgevingen van verrekeningen van de ontvanger.

De belastingrechter van de rechtbank verklaart zich onbevoegd, de algemene bestuursrechter van de rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 09/4723

Uitspraakdatum: 9 juli 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder wordt ontvanger dan wel inspecteur genoemd.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Met dagtekening 28 april 1983 en 30 mei 1983 heeft de ontvanger aan belanghebbende kennisgevingen verzonden inzake verrekeningen van teruggaaf van omzetbelasting met openstaande vorderingen in het kader van het Benelux Invorderingsverdrag.

1.2.Belanghebbende heeft tegen deze verrekeningen een bezwaarschrift ingediend dat bij de inspecteur is binnengekomen op 2 april 2009.

1.3.De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar met dagtekening 30 september 2009 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 31 oktober 2009, ontvangen bij de rechtbank op 3 november 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 150.

1.5.De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de ontvanger.

1.7.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede namens de ontvanger, [namen].

1.8.De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak op 9 juli 2010 aangekondigd.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende in het kader van diens onderneming bij beschikkingen met dagtekening 21 april 1983 en 27 mei 1983 teruggaaf van omzetbelasting verleend ten bedrage van respectievelijk ƒ 5.057 en ƒ 5.591.

2.2.Bij brieven met dagtekeningen 28 en 30 april 1983 heeft de ontvanger belanghebbende in kennis gesteld van de verrekening van de terug te ontvangen omzetbelasting met op grond van het Benelux Invorderingsverdrag openstaande belastingvorderingen.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijkheid is verklaard en zo nee; of de ontvanger terecht de in 2.1 genoemde bedragen heeft verrekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de ontvanger bevestigend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

3.2.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de kennisgevingen en teruggaaf van de verrekende omzetbelasting vermeerderd met de wettelijke rente. De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Voor de beoordeling van het geschil ziet de rechtbank zich eerst voor de vragen gesteld of zij wel bevoegd is en, zo ja, of het beroep ontvankelijk is.

4.2. De rechtbank stelt in verband met de vraag of de rechtbank bevoegd is het volgende voorop. Volgens artikel 8:1 van de Awb kan tegen een door een bestuursorgaan genomen besluit beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Artikel 7:1 van de Awb bepaalt dat als iemand beroep wil instellen eerst bezwaar moet worden gemaakt tegen dat besluit. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onderwerp van beroep ingeval er eerst bezwaar is gemaakt waarop is beslist, in eerste instantie de beslissing op het bezwaar is. Eerst daarna of in verband daarmee kan het aanvankelijke bestuursbesluit onderwerp van het beroep zijn. Dit brengt met zich mee dat indien uitspraak op bezwaar is gedaan de bevoegdheidsbeperkingen van de artikelen 8:2 tot en met 8:6 van de Awb eerst aan de orde komen bij de beoordeling of de uitspraak op bezwaar terecht door het betreffende bestuursorgaan is gedaan en deze beperkingen niet zonder meer moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

4.3.De inspecteur heeft namens de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven beslist in de zin van artikel 7:10 van de Awb op het bezwaar van belanghebbende. Daarbij heeft de inspecteur het bezwaar om meerdere redenen niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de inspecteur belanghebbende erop gewezen dat deze tegen de uitspraak in beroep kan gaan bij de belastingkamer van de rechtbank Breda.

4.4.Nu het beroepschrift tijdig is ingediend, is gemotiveerd en ondertekend en het griffierecht tijdig is betaald, is de rechtbank van oordeel dat het beroep ontvankelijk is.

4.5.De rechtbank, als bestuursrechter in belastingzaken, acht zich niet bevoegd op het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring te beslissen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt niet een ingevolge een belastingwet genomen besluit is in de zin van artikel 26 van de AWR. In dat geval is de algemene bestuursrechter de bevoegde rechter en de rechtbank in belastingzaken onbevoegd.

4.6.Gezien de woonplaats van belanghebbende is dan de rechtbank 's-Hertogenbosch de bevoegde rechtbank. De rechtbank Breda zal echter om proceseconomische redenen ook als algemene bestuursrechter op het beroep beslissen. De voortgang van de procedure is er immers mee gebaat als slechts één rechtbank op het beroep beslist.

4.7.De rechtbank stelt voorop dat de besluiten waartegen bezwaar is gemaakt kennisgevingen betreffen waarbij belastingschulden en -vorderingen door de ontvanger in 1983 worden verrekend. Aangezien de verrekening van belastingschulden en -vorderingen toen nog niet waren geregeld in de Invorderingswet waren die verrekeningen gebaseerd op het burgerlijk recht. Daarmee zijn die verrekeningen aan te merken als privaatrechtelijke rechtshandelingen en is enkel de civiele rechter bevoegd op geschillen daaromtrent te beslissen. De inspecteur heeft derhalve terecht het bezwaar tegen deze verrekeningen niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank;

-verklaart zich als rechtbank in belastingzaken onbevoegd;

-verklaart het beroep als algemeen bestuursrechter ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.J.M. Mies, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 juli 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen:

- voorzover het de onbevoegdverklaring van de rechterbank in belastingzaken betreft binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch;

- voorzover het de ongegrondverklaring betreft hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.