Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2559

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09/5555
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Geen aftrek van voorbelasting nu belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan haar de leveringen van goederen danwel diensten zijn verricht zoals in de factuur zijn omschreven en tegen de aldaar genoemde bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/66.2.1
FutD 2010-1871
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/5555

Uitspraakdatum: 21 juli 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Gorinchem,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 20 november 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het tijdvak 1 oktober 2006 tot en met 31 december 2006 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer]) en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende is [X] (hierna: [X]). [X] was in 2006 tevens bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A]).Tot 1 december 2006 was hij formeel bestuurder van [A], na deze datum was [Y] formeel bestuurder. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat [Y] een stroman was en dat hij ook na 1 december 2006 feitelijk leiding gaf aan [A].

2.2.Belanghebbende heeft op 10 december 2006 een koop-/verkoopovereenkomst gesloten met [A]. Hierbij zijn de navolgende goederen, diensten en rechten verkocht voor een bedrag van € 695.000, plus € 132.050 omzetbelasting:

a. de patenten rustende op het alternatieve besturingssysteem van [A] en geregistreerd onder octrooinummer [octrooinummer];

b.de pilotproductie dan wel delen daarvan van de [A] I, II en III;

c.de bij de ontwikkeling en productie behorende ontwerpen en tekeningen;

d.de naamsbekendheid (goodwill) van [A] alsmede de daarbij behorende website www.chiqane.com;

e.alle overige daarbij behorende wereldwijde rechten.

Ter zake is door [A] op 20 december 2006 een factuur uitgereikt aan

belanghebbende.

2.3. Belanghebbende heeft de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet OB als voorbelasting afgetrokken. [A] heeft de verschuldigde omzetbelasting niet in haar aangifte omzetbelasting opgenomen. Op haar balans per 31 december 2006 heeft [A] de waarde van het patentrecht gesteld op € 4.972.

2.4.Omstreeks december 2007 ontving de inspecteur een kopie van een creditfactuur van [A] waarin stond vermeld dat de verkoop c.q. verkoopfactuur als ongedaan werd beschouwd. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek door het FIOD-ECD. Tijdens het onderzoek heeft [X] onder meer de volgende verklaringen afgelegd:

“…Ik wilde met het doen van deze aangifte omzetbelasting 4e kwartaal 2006 geld foerageren voor het betalen van belastingaanslagen."

“…De € 118.852,- van het 4e kwartaal 2006 heb ik gebruikt voor het betalen van oudere belastingaanslagen van [B] BV en [belanghebbende] BV, hierover heb ik al verklaard. De overige grotere bedragen zijn gerelateerd aan de vergoeding van gemaakte onkosten met betrekking tot de introductie van de nieuwe verwarmingstechnologie op de Nederlandse markt. Met de nieuwe aandeelhouders van [C] BV was een lumpsum afgesproken voor reeds gedane investeringen. Als deze aandeelhouders nou twee maanden eerder waren gekomen met hun geld dan had ik deze opzet mbt de teruggaaf 4e kwartaal 2006 niet hoeven opzetten…”

2.5.Voorts is door de heer [Z], werkzaam bij [D] BV, het volgende verklaard:

"-[D] BV treden op als gemachtigden bij de aanvragen van het octrooi en bij eventuele rechtszaken;

-het octrooi [octrooinummer] op 5 januari 1998 geregistreerd door [Q] is vervallen op 01 augustus 2003;

-het octrooi [vervallen octrooinummer] is vervallen in Nederland. In augustus 2000 werd het octrooi overgedragen aan [A]. De uitvinder en de aanvrager zijn hetzelfde als bij het Nederlands octrooi;

-het zou toeval zijn als voor een uitvinding een Nederlands octrooi en een buitenlands octrooi hetzelfde nummer zouden hebben. Voor de nummers staan twee letters NL voor Nederlands octrooi en EP voor de Europese octrooi;

-als de rechten zijn verlopen is het octrooi niets meer waard;

-dat het octrooi is komen te vervallen omdat de taksen niet betaald zijn".

2.6.Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het onderzoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat in werkelijkheid geen levering of dienst aan belanghebbende is verricht. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 132.050 en bij beschikking heffingsrente van € 12.835 vastgesteld. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

2.7.In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de aftrek van voorbelasting die op de factuur van [A] staat vermeld terecht is geweigerd. Voorts is de berekende heffingsrente in geschil.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

2.8.1.Ingevolge artikel 2 van de Wet OB wordt op de belasting, verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten, in aftrek gebracht de belasting ter zake van –voor zover hier van belang- de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten.

2.8.2.In artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB is bepaald dat de in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt de belasting is welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur.

2.8.3.Bij gemotiveerde betwisting dient degene die om terugbetaling van voorbelasting verzoekt aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de aftrek is voldaan.

2.8.4. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat aan haar de leveringen van goederen danwel diensten zijn verricht zoals in de factuur zijn omschreven en tegen de aldaar genoemde bedragen. Uit de verklaring van belanghebbende aan de FIOD blijkt dat de factuur enkel is opgemaakt om voor belanghebbende liquiditeitsruimte te creëren, naar de rechtbank begrijpt door de teruggaaf van de op die factuur vermelde omzetbelasting. Met die verklaring is in overeenstemming dat belanghebbende nooit iets op de factuur heeft betaald en dat de transactie in 2007 op papier door een creditfactuur is teruggedraaid. Gezien de verklaring van [Z] is bovendien niet aannemelijk dat [A] in 2006 de op de factuur vermelde rechten nog bezat. Mocht dat toch het geval zijn, dan is de in geding zijnde transactie niet geloofwaardig nu [A] de in geding zijnde rechten op haar balans per ultimo 2006 heeft opgenomen voor een bedrag van € 4.972. De enkele stellingen van belanghebbende dat [X] de door hem afgelegde verklaringen niet (meer) volledig onderschrijft en dat aan het patentrecht wel een waarde kan worden gehecht zijn daartegenover onvoldoende bewijs voor de realiteitswaarde van de factuur.

2.8.5. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

2.8.6.Aan belanghebbendes beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, nr. 36.898, gepubliceerd in BNB 2003/14 wordt door de rechtbank voorbijgegaan nu niet ten nadele van belanghebbende een vermoeden aangenomen wordt.

2.8.7.Voor zover belanghebbende een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel dient dit te worden verworpen. Voor een succesvol beroep op in rechte te beschermen vertrouwen is vereist dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur (vergelijk onder meer Hoge Raad 13 oktober 1999, nr. 33 311, gepubliceerd in BNB 2000/191). Niet aannemelijk is geworden dat van een dergelijke bewuste standpuntbepaling sprake is.

Ten aanzien van de heffingsrente

2.9.Ingevolge artikel 30f van de AWR wordt heffingsrente in rekening gebracht ingeval een naheffingsaanslag omzetbelasting wordt vastgesteld. Nu dit laatste het geval is, heeft de inspecteur terecht heffingsrente berekend. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval het bedrag van de heffingsrente onjuist is vastgesteld.

2.10.Gelet op al hetgeen hiervoor overwogen is, is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. D.B. Bijl en mr. W. Brouwer, rechters, en bij afwezigheid van de voorzitter door mr. W. Brouwer, rechter en mr. M.C.G. Spierings, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 juli 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.