Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2554

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09/1954
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een coffeeshop. In 2003 wordt een compromis gesloten over de belastingheffing van voorgaande jaren: belanghebbende betaalt € 400.000. De inspecteur merkt dat bedrag aan als verzwegen inkomsten 2003 en verhoogt het inkomen. Geschilpunten:

- De inspecteur heeft belanghebbende gesommeerd persoonlijk bij het hoorgesprek in de bezwaarfase aanwezig te zijn. Belanghebbende is niet gekomen, zijn echtgenote wel. Rechtbank: dit was geen “oproeping” ex artikel 41 AWR. Bovendien is het verzuim niet voldoende belangrijk voor omkering van de bewijslast.

- Belanghebbende heeft het bedrag van € 400.000 niet als box 3 vermogen vermeld op 1-1-2003. Rechtbank: aldus is een onjuiste aangifte gedaan maar het verzuim is niet voldoende belangrijk voor omkering van de bewijslast voor de hele aanslag.

- De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende al begin 2003 over het bedrag van € 400.000 beschikte en dat genoemd bedrag afkomstig was uit verzwegen omzetten in de jaren waarop het compromis zag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1954

Uitspraakdatum: 12 juli 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 16 juli 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 545.196, en de daarbij bij beschikking vastgestelde vergrijpboete van

€ 104.000 (aanslagnummer: [aanslagnummer].H.36).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de echtgenote van belanghebbende, mevrouw [echtgenote belanghebbende] en de gemachtigde van belanghebbende,

[gemachtigde], verbonden aan [naam kantoor gemachtigde] te Almere, alsmede namens de inspecteur,

mr. [gemachtigde] en [gemachtigde].

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarin het getuigenverhoor is opgenomen en waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 145.196;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende drijft in de rechtsvorm van een eenmanszaak een coffeeshop. In de coffeeshop worden onder andere softdrugs verkocht.

2.2.Tussen belanghebbende en de inspecteur zijn met betrekking tot de jaren 1997 tot en met 2002 twee vaststellingsovereenkomsten gesloten ter voorkoming van geschillen omtrent de hoogte van de belastbare inkomens en de in verband daarmee verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de vaststellingsovereenkomsten).

De vaststellingsovereenkomsten hebben geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting van in totaal € 400.000. Genoemd bedrag zou in 2003 voor een deel, namelijk voor een bedrag van € 200.000, binnen een maand na dagtekening van de verminderingen op de desbetreffende eerder vastgestelde (navorderings)aanslagen worden voldaan. Het resterende bedrag van € 200.000 zou in zes maandelijkse termijnen worden voldaan, waarbij de eerste betaling uiterlijk 1 juli 2003 zou plaatsvinden.

2.3.Bij het opleggen van de onderhavige aanslag over 2003 heeft de inspecteur het aangegeven inkomen uit werk en woning met een bedrag van € 400.000 verhoogd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 545.196. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

Formeel

2.4.Belanghebbende is naar aanleiding van zijn bezwaarschrift in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. De inspecteur heeft in de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraak voor het hoorgesprek met dagtekening 15 mei 2008, geadresseerd aan de gemachtigde van belanghebbende, onder andere het volgende opgenomen: “Tevens verzoek ik u om de heer [eiser] voor het hoorgesprek mee te brengen. Ik wijs u daarvoor uitdrukkelijk op artikel 41 AWR.”

Belanghebbende is niet bij het hoorgesprek verschenen; wel zijn verschenen zijn echtgenote en zijn gemachtigde.

2.5.Artikel 27e van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan of niet is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 41 en 47 van de AWR, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (“omkering en verzwaring van de bewijslast”).

2.6.De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zijn gemachtigde had moeten vergezellen bij het hoorgesprek en nu hij dat niet heeft gedaan de bewijslast moet worden omgekeerd in verband met het bepaalde in artikel 27e van de AWR in verbinding met artikel 41van de AWR.

2.6.1.Naar het oordeel van de rechtbank is de oproeping door de inspecteur geen oproeping in de zin van artikel 41 van de AWR. In dit geval was sprake van schriftelijke bevestiging van het hoorgesprek dat op initiatief van belanghebbende zou plaatsvinden. Voor de toepassing van artikel 41 AWR moet daarentegen sprake zijn van een gesprek waarbij belanghebbende wordt opgeroepen om aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor omkering (verzwaring, verschuiving) van de bewijslast wegens het niet voldoen aan artikel 41 van de AWR bovendien is vereist, dat het verzuim voldoende ernstig is om de omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is, omdat de echtgenote van belanghebbende bij het hoorgesprek aanwezig was, zij de Nederlandse taal uitstekend beheerst en kennelijk veel beter dan belanghebbende en zij op de hoogte is van het reilen en zeilen van de onderneming.

2.7.De inspecteur heeft tevens gesteld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd, omdat volgens hem niet de vereiste aangifte is gedaan.

2.7.1.De rechtbank stelt voorop dat het bedrag van € 400.000 dat belanghebbende moest betalen over de jaren tot en met 2002, had moeten worden aangegeven in box 3 indien dat bedrag reeds bij aanvang van het onderhavige jaar tot belanghebbendes privévermogen behoorde. Het niet aangeven van dit vermogen in box 3 leidt weliswaar tot het indienen van een onjuiste aangifte, maar niet in die mate dat omkering van de bewijslast moet volgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor omkering van de bewijslast noodzakelijk is dat de inspecteur door het onvolledig doen van aangifte, onvoldoende in staat is om de belastinggrondslag en de verschuldigde belasting vast te stellen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, mede gezien het feit dat de vaststellingsovereenkomsten tot stand waren gekomen voorafgaand aan de vaststelling door de inspecteur van de onderhavige aanslag. De rechtbank beslist daarom dat het bovenstaande niet kan leiden tot de sanctie van omkering (verzwaring, verschuiving) van de bewijslast.

2.8.Nu geen sprake is van omkering van de bewijslast, rust de bewijslast op de inspecteur.

Materieel

2.9.In geschil is dan nog of het bedrag van € 400.000 in 2003 is betaald uit in dat jaar extra gerealiseerde omzet of winst.

2.10.Naar het oordeel van de rechtbank omvatten de vaststellingsovereenkomsten een totaalpakket bestaande uit omzetcorrecties voor het verleden en de daaruit voortvloeiende te betalen belasting. In het algemeen is bij dergelijke overeenkomsten het bedrag waarmee de belasting kan worden betaald afkomstig uit het in het verleden niet aangegeven inkomen. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomsten blijkt niet dat in het onderhavige geval anders is overeengekomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard, dat het geld om het bedrag van € 400.000 te betalen, reeds bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomsten aanwezig was, zij het niet direct ter vrije beschikking van belanghebbende stond. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen. De inspecteur heeft niet bewezen dat dit anders is.

2.11.Al het vorenoverwogene, in onderling verband bezien, leidt tot het oordeel dat de inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 400.000 in het onderhavige jaar is betaald uit in dat jaar extra gerealiseerde omzet of winst. De rechtbank vermindert het belastbare inkomen uit werk en woning op de onderhavige aanslag met het bedrag van € 400.000 en vernietigt de boetebeschikking.

2.12.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskostenvergoeding

3.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt en evenmin ambtshalve aannemelijk is geworden dat hij om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

3.2.Gelet op de omstandigheid dat het beroep van belanghebbende in de verzetprocedure gegrond is verklaard en geen proceskostenvergoeding is toegekend, vindt de rechtbank tevens aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die betrekking hebben op de verzetprocedure. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 322 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn gesteld noch gebleken. De inspecteur wordt veroordeeld het totale bedrag van € 966 (€ 644 plus € 322) aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mr.drs. G.H.C. Blommers, voorzitter, en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. M.L.M. van Kempen, rechters, en bij afwezigheid van de voorzitter door

mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26 juli 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.