Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2525

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
02-812580-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BT7167, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:200, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens het plegen van meerdere zedenmisdrijven, diefstal met geweld en afpersing tot gevangenisstraf van 10 jaren en oplegging van TBS met dwangverpleging. De rechtbank heeft gebruik gemaakt van schakelbewijs. Uitgebreide strafoverweging met betrekking tot de oplegging van TBS met dwangverpleging nu verdachte een weigerende observandus is. Daarnaast is gebruik gemaakt van een rapport dat opgemaakt is na bestudering van het dossier en waarbij niet met verdachte is gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/812580-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd.

raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 26 april 2010 en 16 juli 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Dorst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: geprobeerd heeft [slachtoffer 1] te verkrachten dan wel haar heeft bedreigd;

Feit 2: geprobeerd heeft [slachtoffer 2] te verkrachten en/of haar heeft beroofd;

Feit 3: geprobeerd heeft [slachtoffer 3] te verkrachten dan wel haar heeft bedreigd;

Feit 4: [slachtoffer 4] heeft verkracht en/of haar heeft afgeperst;

Feit 5: geprobeerd heeft [slach[slach[slachtoffer 5] te verkrachten dan wel haar heeft bedreigd;

Feit 6: [slachtoffer 6] heeft verkracht;

Feit 7: geprobeerd heeft [slachtoffer 7] te verkrachten dan wel haar heeft bedreigd;

Feit 8: geprobeerd heeft [slachtoffer 8] te verkrachten.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft bij haar bewijsconstructie gebruik gemaakt van schakelbewijs, nu zij van mening is dat de gang van zaken bij de ten laste gelegde feiten op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont. Ook zijn patronen in het gedrag van verdachte aantoonbaar. Het slachtoffer betreft in alle gevallen een jonge vrouw met de fiets. De delicten vinden plaats in het buitengebied van de gemeente Roosendaal, in het donker. De dader betreft telkens een man met een fiets en een Marokkaans accent. Zijn gezicht is gedeeltelijk verhuld met een sjaal. De slachtoffers worden door bedreiging met een mes en verbale intimidatie tot stoppen gedwongen. In alle gevallen waarin de vluchtrichting van de dader bekend is, is dit richting Roosendaal. De opgegeven signalementen passen goed bij het signalement van verdachte.

De officier van justitie acht feit 4, de verkrachting en de afpersing van [slachtoffer 4], en feit 6, de verkrachting van [slachtoffer 6], bewezen op grond van de aangiftes van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6], de processen-verbaal van het NFI betreffende het DNA-onderzoek en de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 8, de poging tot verkrachting van [slachtoffer 8], kan bewezen worden op grond van de aangifte van [slachtoffer 8], het proces-verbaal van uitwerking van de 112-melding en de verklaring van verdachte op 29 juni 2009 bij de politie. Tijdens de zitting van 26 april 2010 is verdachte terug gekomen op zijn verklaring bij de politie. De officier van justitie acht deze verklaring ongeloofwaardig en volgt de verklaring van verdachte bij de politie, nu dit een ambtsedig proces-verbaal betreft dat door verdachte is ondertekend.

De poging tot verkrachting onder feit 2 kan volgens de officier van justitie niet bewezen worden. Wel kan de onder feit 2 tenlastegelegde diefstal met geweld bewezen worden op grond van de aangifte van [slachtoffer 2], het feit dat verdachte voldoet aan het signalement, de gedragskundige elementen en de gebruikte bewoordingen inclusief Marokkaans accent. Bovendien is de gestolen gsm aangetroffen bij verdachte. De verklaring van verdachte dat hij deze heeft gevonden acht de officier van justitie niet aannemelijk.

Feit 1 primair, de poging tot verkrachting van [slachtoffer 1], kan bewezen worden op grond van de aangifte van [slachtoffer 1], het signalement, de gedragskundige elementen en de gebruikte bewoordingen.

Ten aanzien van feit 3 primair, de poging tot verkrachting van [slachtoffer 3], voert de officier van justitie aan dat het bewijs gevonden kan worden in de aangifte van [slachtoffer 3], de gedragskundige elementen, het signalement van verdachte en de gebruikte bewoordingen.

De feiten 5 en 7 primair, de pogingen tot verkrachting, kunnen bewezen worden op grond van de aangiftes van [slach[slachtoffer 5] en [slachtoffer 7], het signalement van verdachte, de gedragskundige elementen, de gebruikte bewoordingen en de historische gegevens van de telefoon van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 4 en 6 aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 8 voert de raadsman aan dat de poging tot verkrachting niet bewezen kan worden, nu er geen sprake is van een begin van uitvoering van verkrachting.

Over de overige feiten merkt de raadsman met betrekking tot het door de officier van justitie gebruikte schakelbewijs op dat de gegeven signalementen door de aangeefsters vaag en niet specifiek zijn. Bovendien wordt de fiets, die de dader zou hebben gebruikt, in de verklaringen telkens anders omschreven. Ook wordt door de aangeefsters verschillend verklaard over de kleur van de sjaal en het uiterlijk van het mes. De raadsman ziet, gelet op het feit dat essentiële overeenkomsten in de verklaringen ontbreken, reden om het schakelbewijs niet voor de bewezenverklaring te kunnen hanteren. Er is geen direct bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten.

Wat betreft feit 1 is de raadsman van mening dat dit feit niet bewezen kan worden nu er naast de aangifte van [slachtoffer 1] onvoldoende wettig bewijs is. Ook hier kan volgens de raadsman niet gesproken worden over een begin van uitvoering van verkrachting, zodat het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden.

De poging tot verkrachting onder feit 2 kan niet bewezen worden omdat er geen bewijs is voor een begin van de uitvoering van verkrachting. Ook de diefstal met geweld kan niet bewezen worden. De verklaring van verdachte dat hij deze telefoon heeft gevonden, is volgens de raadsman geloofwaardig, nu deze wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1].

Ten aanzien van feit 3 merkt de raadsman op dat het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, nu door aangeefster aangifte is gedaan van bedreiging. Verder voert de raadsman aan dat de betrokkenheid van verdachte bij dit feit niet aangenomen kan worden nu de aangetroffen bandensporen en schoensporen niet overeenkomen met de banden van de fiets en de schoenen van verdachte. Ook acht de politie het zeer onwaarschijnlijk dat de in de woning bij verdachte inbeslaggenomen rode trui van verdachte is, nu deze een vrouwenmodel betrof met maat small.

Over feit 5 voert de raadsman aan dat er geen sprake is van een begin van uitvoering van verkrachting waardoor het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden. Het door aangeefster [slach[slachtoffer 5] gegeven signalement komt niet overeen met het signalement van verdachte. Aangeefster verklaart dat de dader een pet droeg met daaronder afgeschoren bakkebaarden en geschoren haar, donker van kleur en wenkbrauwen. Dit kan volgens de raadsman niet op verdachte slaan, nu verdachte geen haargroei heeft.

Het onder feit 7 primair tenlastegelegde kan niet bewezen worden, nu er ook hier geen sprake is van een begin van uitvoering van verkrachting.

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van alle feiten met uitzondering van de feiten 4 en 6. Subsidiair verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken van de primair tenlastegelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt allereerst op dat zij de feiten om bewijstechnische redenen in een andere volgorde zal behandelen dan deze op de tenlastelegging staan vermeld.

Feit 4

Op 5 april 2009 + reed aangeefster [slachtoffer 4] op haar fiets over [straatnaam] te Roosendaal. Op het moment dat zij vanuit Roosendaal op het fietspad in de richting van Wouw fietste, werd zij afgesneden en klemgereden door een man die op een fiets reed. De man had een mes bij zich en hield het mes vrij dicht bij haar gezicht, waardoor [slachtoffer 4] schrok en zich bedreigd voelde. De man had een witte sjaal over zijn mond en een deel over zijn neus op het moment dat hij met het mes voor [slachtoffer 4] stond. Tevens zag [slachtoffer 4] dat de man licht getint was en hoorde zij dat hij een bepaald accent had. De man zei tegen haar dat zij mee moest komen. Vervolgens liepen [slachtoffer 4] en de man samen naar een preiveld. De man sommeerde [slachtoffer 4] om haar mond te houden, omdat hij haar anders zou neersteken. De man zei haar dat zij hem moest pijpen en deed vervolgens een sjaal voor haar ogen. [slachtoffer 4] heeft toen de man gepijpt. De man pakte hierbij het hoofd van [slachtoffer 4] vast en duwde zijn penis diep in haar mond. Vervolgens zei hij haar op de grond te gaan liggen, waarna hij haar vaginaal penetreerde. Op een gegeven moment stopte de man en vroeg aan [slachtoffer 4] of zij geld had. [slachtoffer 4] gaf de man hierop een geldbedrag van

€ 10. Hierna liepen zij samen weg en mocht [slachtoffer 4] van de man gaan.

Verdachte heeft zowel ter zitting als tegenover de politie verklaard dat hij [slachtoffer 4] in het buitengebied heeft laten stoppen en dat hij op dat moment een mes getoond heeft. Tevens verklaart hij dat hij zijn neus en mond met een sjaal bedekte om er zo voor te zorgen dat hij niet herkend zou worden. Verdachte heeft bekend dat hij zijn penis in de vagina van aangeefster heeft gestopt. Ook heeft hij tegen haar gezegd dat zij hem moest pijpen, waarop aangeefster verdachte heeft gepijpt. Ten slotte heeft verdachte het slachtoffer om geld gevraagd, waarop hij van aangeefster een geldbedrag kreeg. Verdachte verklaart voorts dat hij zag dat aangeefster bang was tijdens het gebeuren. Verdachte is vervolgens weggereden in de richting van Roosendaal.

Feit 6

In de nacht van 15 juni 2009 op 16 juni 2009 fietste aangeefster [slachtoffer 6] op de Vijfhuizenberg te Roosendaal . Zij hoorde dat er een man achter haar fietste en zij hoorde de man roepen dat zij moest stoppen. De man droeg zwarte kleding en hij droeg een witte sjaal die hij over zijn neus had gedaan. De man vroeg aan haar: ‘Wil je dood of wil je leven’? De man sprak met een accent. Vervolgens zei de man: ‘Als je wil leven, dan moet je mee’. Aangeefster zag vervolgens in een flits dat hij een mes in zijn handen had. Op het moment dat de man zei dat aangeefster met hem mee moest, liet hij het mes heel duidelijk zien door op korte afstand het mes op borsthoogte omhoog te houden en naar haar te wijzen. [slachtoffer 6] is met de man meegefietst. Zij probeerde van de man vandaan te fietsen, maar hij fietste telkens met het mes in zijn hand naar haar toe. Vervolgens reden aangeefster en de man een soort van oprijlaan in. De man pakte haar bij haar borsten. De man zei tegen [slachtoffer 6] dat zij zich om moest draaien. Ook zei hij tegen haar: ‘iedere keer als je schreeuwt, komt er een snee bij’ en ‘als je achterom kijkt, dan ben je dood’. [slachtoffer 6] hoorde dat de man zei dat zij voorover moest bukken. Aangeefster voelde dat de man zijn penis in haar kont duwde.

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn fiets van huis was weggegaan en dat hij op dat moment een mes bij zich had. Verder had hij een witte sjaal bij zich. Verdachte heeft toegegeven dat hij [slachtoffer 6] heeft bedreigd met een mes en dat hij op dat moment de punt van het mes omhoog hield. Verdachte vroeg haar: ‘wil je leven of dood’. Verdachte hield dat mes voor de ogen van aangeefster, zodat zij het mes goed kon zien. Verdachte zei haar dat zij mee moest komen. Verdachte zei haar dat zij zich moest uitkleden en dat hij in haar kont zou gaan. [slachtoffer 6] deed haar broek omlaag waarop verdachte vervolgens haar string omlaag deed. Verdachte heeft [slachtoffer 6] vervolgens anaal verkracht . Na afloop is verdachte naar zijn huis in Roosendaal gereden.

Tussenconclusie

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien en beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting en de afpersing van [slachtoffer 4] (feit 4) en de verkrachting van [slachtoffer 6] (feit 6).

Feit 8

Op 20 juni 2009 fietste aangeefster [slachtoffer 8] op de Vijfhuizenberg in Roosendaal. Op een gegeven moment fietste er plotseling een man achter haar en vervolgens naast haar die haar de pas afsneed, zodat aangeefster moest stoppen. De man stond met zijn voorwiel voor haar voorwiel. De man riep: ‘Wil je dood of leven’. Hierbij liet de man een mes zien, waardoor zij zich bedreigd voelde. De man zei vervolgens: ‘wil je dood of leven, ik wil neuken’. [slachtoffer 8] had de telefoon in haar hand en belde 112. Uit dit opgenomen gesprek blijkt dat hoorbaar is dat aangeefster tegen de man zegt dat zij niet met hem wil neuken en dat zij bedreigd werd door een buitenlandse man die licht getint was, een sjaal over zijn mond had en met een mes naar haar toe kwam. Verdachte heeft verklaard dat hij op 20 juni 2009 is gaan fietsen en dat hij een witte sjaal en een mes bij zich had. Verdachte zag een meisje fietsen, haalde haar in op de Vijfhuizenberg te Roosendaal en liet haar vervolgens stoppen. Verdachte liet op dat moment een mes aan haar zien en zei tegen haar: ‘Wil je dood of leven’. Verdachte had op dat moment zijn sjaal om en had hiermee zijn neus bedekt om niet herkend te worden.

De rechtbank acht gezien de aangifte en de verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die aangeefster [slachtoffer 8] heeft benaderd. Anders dan verdachte ter zitting heeft verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig dat verdachte (uitsluitend) het motief had om [slachtoffer 8] te beroven. De aangifte van [slachtoffer 8] dat de man wilde neuken, wordt bevestigd door de opname van de 112-melding die aangeefster heeft gedaan, terwijl verdachte nog ter plaatse was en waarop te horen is dat zij tegen verdachte zegt dat zij niet met hem wil neuken.

Feiten 5 en 7

Op 19 mei 2009 omstreeks 21.30 uur fietste aangeefster [slach[slachtoffer 5] over de parallelweg in Roosendaal in de richting van Zegge. Net voor een bocht werd zij aangetikt en moest zij stoppen. Zij voelde dat zij in haar hals geprikt werd. [slach[slachtoffer 5] stopte en zag dat de man een mes vast had.

De man zei tegen haar dat als ze zou gaan gillen hij haar zou vermoorden. [slach[slachtoffer 5] denkt dat de man achter haar had gefietst, want zij had hem niet gezien. De man zei dat aangeefster het gras op moest lopen en toen zij zei dat ze dat niet wilde, pakte hij haar met zijn hand bij haar keel. De man zei nog een keer dat als ze zou gaan gillen hij haar zou vermoorden. [slach[slachtoffer 5] dacht dat de man haar wilde verkrachten, omdat als je op het gras loopt, je niet meer zichtbaar bent vanaf de weg. De man reed terug in de richting van Roosendaal.

De man had een getinte huidskleur, sprak Nederlands met een Turks of Marokkaans accent en hij droeg een witte sjaal. Deze sjaal bedekte de onderkant van zijn gezicht tot de neus.

Eveneens op 19 mei 2009 omstreeks 23.15 uur fietste aangeefster [slachtoffer 7] op het fietspad tegenover de [winkel] in Roosendaal in de richting van Heerle. Er kwam een persoon naast haar fietsen en zij voelde dat zij in haar wang geprikt werd. De man zei dat aangeefster moest stoppen. Dat heeft zij gedaan. De man stopte ook. Toen de man voor haar stond, hoorde [slachtoffer 7] de man zeggen; “Ga met me mee, anders maak ik je dood’. Dit kwam erg dreigend over. De man zei toen: ‘na een half uurtje mag je weg’. Aangeefster zei dat zij niet mee ging, waarop de man met zijn fiets omdraaide en terug naar Roosendaal fietste. De man droeg een sjaal en sprak Nederlands met een intonatie. De man had een getinte huidskleur.

Uit de mastgegevens blijkt dat de mobiele telefoon van verdachte, die na zijn aanhouding in beslag werd genomen, op 19 mei 2009 meebeweegt in de richting waarin de slachtoffers zich bevinden en verplaatsen. Wanneer verdachte dit wordt voorgehouden, heeft verdachte verklaard dat hij zich daar bevonden zal hebben met zijn telefoon op de tijdstippen waarop de misdrijven zijn gepleegd.

Feit 1

Op 16 december 2008 tussen 21.15 uur en 21.30 uur fietste aangeefster [slachtoffer 1] richting [plaatsnaam] Bij de Vaartkant is ze overgestoken naar de linkerkant van de Gastelseweg. Toen zag ze een man met een sjaal om zijn gezicht achter haar fietsen. Aangeefster werd vastgereden op het fietspad richting Oud-Gastel door deze man. De man haalde [slachtoffer 1] links in en sneed haar af, waardoor zij niet verder meer kon rijden. De man stond met zijn fiets tussen de benen en aangeefster zag dat hij een mes in zijn hand had. De man hield het mes op borsthoogte en richtte het op haar, waardoor zij zich bedreigd voelde. De man zei: ‘Jij naar mij luisteren, anders maak ik je dood’. Hij zette kracht bij deze woorden met het mes. Toen zei hij: ‘jij naar mij luisteren, jij doen wat ik zeg anders maak ik je dood’. Hij zei: ‘jij naar mij luisteren, jij mee de bosjes in, anders maak ik je dood’. Aangeefster begon hard te gillen, waardoor de man in de richting van Roosendaal wegfietste. Aangeefster zag dat de man licht getint was. Verder had de man een sjaal om die over zijn mond en een gedeelte van zijn neus zat.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte op 16 december 2008 tot 21.00 uur heeft gewerkt bij [bedrijfsnaam] te [[plaatsnaam] Dit bedrijf is tussen de 900 en 1000 meter verwijderd van de kruising Gastelseweg met de Vaartkant alwaar het slachtoffer door de man is nagereden.

Feit 2

Op 22 december 2008 om 17.10 uur fietste aangeefster [slachtoffer 2] van haar werk naar huis. Ze fietste via de Gastelseweg, de Vaartkant, de Oude Roosendaalsebaan en de Sint Maartenstraat, een donkere polderweg, tussen Roosendaal en Zegge. Op de Sint Maartenstraat werd aangeefster plotseling van achteren door een persoon op een fiets aangereden, waardoor aangeefster ten val kwam. Zij zag een man voor haar staan met een mes in zijn handen. Zij hoorde dat de man zei: ‘Stil, anders vermoord ik jou’. Aangeefster zag dat de man haar tas uit het fietsmandje pakte. De man stapte vervolgens op zijn fiets en fietste terug in de richting van Roosendaal. Aangeefster hoorde dat de man met een Marokkaans accent sprak. Verder zag aangeefster dat de man een sjaal voor zijn mond had, waardoor zij alleen de ogen en neus kon zien.

In de weggenomen tas zat onder andere een Nokia telefoon . Deze telefoon is in de schuur van verdachte aangetroffen . Aangeefster herkende deze telefoon als zijnde haar telefoon .

Onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte op 22 december 2008 tot 17.00 uur heeft gewerkt bij [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam] Verdachte heeft verklaard dat het kan kloppen dat hij op 22 december 2008 tot 17.00 uur gewerkt heeft. Verder heeft hij verklaard dat hij wel eens via de Vaartkant van zijn werk bij [bedrijfsnaam] naar huis reed .

Feit 3

Op 14 januari 2009 reed aangeefster [slachtoffer 3] op fiets over de Bredaseweg in Roosendaal toen zij zag dat een jongen achter haar aan reed. Vlakbij de Molenstraat te Zegge hoorde zij iets achter zich en voelde zij plotseling een harde klap tegen de linker achterzijde van de fiets. Aangeefster dacht dat er iemand tegen haar fiets trapte. Aangeefster viel door deze trap op de grond. Op dat moment kwam die jongen bij haar en pakte haar met zijn linkerhand op haar mond om haar zo onder bedwang en op de grond te houden. Aangeefster zag dat de man een mes in zijn handen had. De man zei tegen haar: ‘Jij gaat met mij mee of ik vermoord je’. Zij smeekte hem haar niets aan te doen en om haar fiets mee te nemen, waarop de man zei: ‘Nee, ik neem jou mee. Jij gaat met mij mee’. Aangeefster wekte de indruk dat zij mee zou gaan en de man liep links naast haar. De man zei vervolgens tegen haar: ‘Wij gaan nu hierheen’. Aangeefster stapte op de fiets en reed plotseling keihard rechtdoor naar haar huis. Aangeefster hoorde aan zijn accent dat het een Turks/Marokkaans type was. Verder had de man een licht getinte huidskleur en droeg hij een sjaal voor zijn mond en neus.

Bewezenverklaring

Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende wettig bewijs bevat om – naast de feiten 4 en 6 - tot een bewezenverklaring te komen van de aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 tweede deel, feit 3 primair, feit 5 primair, feit 7 primair en feit 8 tenlastegelegde feiten. De rechtbank heeft ook de overtuiging bekomen dat verdachte deze feiten heeft begaan. De rechtbank zal hier bij feit 1 primair, feit 2 tweede deel, feit 3 primair, feit 5 primair en feit 7 primair gebruik maken van het zogenaamde schakelbewijs. Uit de rechtspraak vloeit voort dat het gebruik van schakelbewijs toelaatbaar is, mits feiten soortgelijk zijn in de zin dat de gang van zaken bij het ten laste gelegde feit op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met de gang van zaken bij andere feiten, waarvoor meer bewijs voorhanden is. Hierbij gaat het om een specifiek patroon in het gedrag van verdachte en de omstandigheden van het geval. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft niet van het gebruik van schakelbewijs te worden afgezien als de bewezenverklaring van een feit in overwegende mate berust op dit schakelbewijs.

De rechtbank acht bewezen dat de man waarover wordt gesproken in feit 1 primair, feit 2 tweede deel, feit 3 primair, feit 5 primair en feit 7 primair verdachte is. In dat verband wijst de rechtbank op de verklaringen van verdachte dat hij bij de feiten die hij heeft bekend (feiten 4 en 6) gebruik heeft gemaakt van dreigende taal en een mes om ervoor te zorgen dat de slachtoffers zouden stoppen, dat hij op die momenten op een fiets reed en de slachtoffers van achteren benaderde en dat hij een sjaal om zijn mond en een deel van zijn gezicht droeg om niet herkend te worden. De feiten 4 en 6 vonden plaats in het buitengebied. Verdachte is na afloop van de verkrachtingen weggereden in de richting van Roosendaal. Uit de verklaringen van de aangeefsters, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat de handelwijze van de man die hen heeft benaderd op essentiële punten overeen komt met de handelwijze van verdachte bij de feiten 4 en 6. Alle feiten hebben plaatsgevonden in het buitengebied. De aangeefsters zijn vrouwen op een fiets die op de bewuste momenten alleen waren. De man achtervolgde hen met de fiets om hen onder bedreiging van een mes tot stilstand te dwingen.

Verder verklaren zij dat de man dreigende taal gebruikte en dat hij een sjaal om zijn mond/gezicht had. Na het plegen van de feiten is de man waarover zij verklaren op zijn fiets in de richting van Roosendaal gereden. De rechtbank is zich ervan bewust dat er in de aangiften verschillen op detailniveau zijn met betrekking tot het soort mes, de kleur van de sjaal en de soort fiets waarop verdachte heeft gereden, maar gelet op de genoemde essentiële overeenkomsten acht de rechtbank deze verschillen in details niet doorslaggevend bij de beoordeling van de verklaringen. Evenmin doen deze verschillen iets af aan de overtuigingskracht. In dat kader overweegt de rechtbank voorts dat het goed mogelijk is dat de aangeefsters zich door de snelheid waarmee de feiten gepleegd zijn en de enorme stress en spanning waaronder zij stonden niet alle details goed kunnen herinneren. Ten aanzien van de kleur van de sjaal, het soort mes en fiets geldt bovendien dat verdachte van sjaal, mes en fiets kan hebben gewisseld.

Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus sprake van een modus operandi die bij alle feiten gelijk is. Bovendien voldoet verdachte aan het door aangeefsters opgegeven signalement van een lichtgetinte man met een buitenlands accent.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de aangiften van de feiten die verdachte ontkent, steun vinden in de verklaringen van de aangeefsters van de feiten die verdachte heeft bekend. Bij de bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 3 primair, 5 primair en

7 primair zal de rechtbank daarom naast de verklaring van aangeefster tevens de verklaringen van de andere aangeefsters voor het bewijs gebruiken.

Het verweer van de raadsman dat er geen sprake is van een begin van uitvoering wordt verworpen, nu de bewezenverklaarde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als begin van uitvoering van verkrachting kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair (aangeefster [slachtoffer 1]), feit 3 primair (aangeefster [slachtoffer 3]), feit 5 primair (aangeefster [slach[slachtoffer 5]), feit 7 primair (aangeefster [slachtoffer 7]) en feit 8 (aangeefster [slachtoffer 8]) de poging tot verkrachting wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is wel met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van poging tot verkrachting zoals onder het eerste deel van

feit 2 (aangeefster [slachtoffer 2]) ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar blijkt dat er sprake is van een zelfde modus operandi, maar het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig bewijs dat het opzet van verdachte gericht was om aangeefster [slachtoffer 2] te verkrachten. Dit kan noch uit de gebruikte bewoordingen noch uit de handelingen van verdachte worden afgeleid. Wel acht de rechtbank op grond van de hiervoor gebruikte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien en beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal met geweld van een handtas met inhoud. De verklaring van verdachte dat hij de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] gevonden en meegenomen had, acht de rechtbank, gelet op de bezigde bewijsmiddelen, niet aannemelijk.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

(primair)

op 16 december 2008 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 1] achterna gefietst en

- die [slachtoffer 1] met zijn fiets is klemgereden en

- die [slachtoffer 1] gedwongen heeft te stoppen en

- een mes aan die [slachtoffer 1] heeft getoond/voorgehouden en

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft toegevoegd: "Jij naar mij luisteren, anders maak ik je dood" en "Jij gaat mee de bosjes in, jij luistert, anders maak ik je dood", althans telkens woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

(tweede deel)

op 22 december 2008 te Zegge, gemeente Rucphen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- die [slachtoffer 2] is achterna gefietst en

- die [slachtoffer 2] heeft aangereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val kwam en

- een mes aan die [slachtoffer 2] heeft getoond/voorgehouden en

- die [slachtoffer 2] dreigend heeft toegevoegd: "Stil, anders vermoord ik jou",

3.

(primair)

op 14 januari 2009 te Zegge, gemeente Rucphen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 3] te dwingen tot het ondergaan van handeling(en) die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 3] achterna gefietst en

- tegen de fiets van die [slachtoffer 3] getrapt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] ten val kwam en

- zijn hand op de mond van die [slachtoffer 3] geduwd/gelegd en

- een mes aan die [slachtoffer 3] getoond/voorgehouden en

- die [slachtoffer 3] dreigend toegevoegd: "Jij gaat met mij mee of ik vermoord je" en/of "Ik neem jou mee. Jij gaat met mij mee", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 05 april 2009 te Roosendaal door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handeling(en) die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en de mond van die [slachtoffer 4] geduwd/gebracht en bestaande die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 4] met zijn fiets heeft klemgereden en

- een mes aan die [slachtoffer 4] heeft getoond/voorgehouden en (aldus) voor die

[slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en

op 05 april 2009 te Roosendaal met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 10 Euro, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- die [slachtoffer 4] met zijn fiets heeft klemgereden en

- een mes aan die [slachtoffer 4] heeft getoond/voorgehouden en

5.

(primair)

op 19 mei 2009 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slach[slachtoffer 5] te dwingen tot het ondergaan van handeling(en) die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slach[slachtoffer 5], hebbende hij, verdachte

- die [slach[slachtoffer 5] achterna gefietst en

- die [slach[slachtoffer 5] met een mes in haar hals geprikt en

- een mes aan die slachtoffer 5 getoond/voorgehouden en

- die [slach[slachtoffer 5] bij haar keel gegrepen/gepakt en

- die [slach[slachtoffer 5] dreigend toegevoegd: "Niet gillen, anders vermoord ik je", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

in de periode van 15 juni 2009 tot en met 16 juni 2009 te Roosendaal door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 6], hebbende verdachte de borsten van die [slachtoffer 6] betast en zijn, verdachtes penis in de anus van die [slachtoffer 6] gebracht/gehouden en bestaande die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 6] achterna is gefietst en

- die [slachtoffer 6] heeft gedwongen om haar fiets te stoppen en

- die [slachtoffer 6] dreigend heeft toegevoegd: "Wil je dood of wil je leven" en "als je wil leven, dan moet je mee", en

- aan die [slachtoffer 6] (op korte afstand) een mes heeft getoond/voorgehouden en

- samen met die [slachtoffer 6] - onder bedreiging met een mes - naar een

(afgelegen) plek is gefietst en/of

- aldaar die [slachtoffer 6] gedwongen heeft zich (deels) te ontkleden en om te draaien en

- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd "iedere keer als je schreeuwt komt er een snee bij" en "als je achterom kijkt, dan ben je dood" en (aldus) voor die [slachtoffer 6] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

7.

(primair)

op 19 mei 2009 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 7] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 7], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 7] achterna gefietst en

- met een mes in haar wang geprikt en

- die [slachtoffer 7] dreigend toegevoegd: "Meekomen, anders maak ik je dood", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8.

op 20 juni 2009 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 8] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 8], waarbij verdachte

- die [slachtoffer 8] is achterna gefietst en

- die [slachtoffer 8] heeft gedwongen om haar fiets te stoppen en

- zijn, verdachtes fiets voor de fiets van die [slachtoffer 8] heeft geplaatst en

- aan die [slachtoffer 8] een mes heeft getoond/voorgehouden en

- die [slachtoffer 8] dreigend heeft toegevoegd: "wil je dood of leven" en

"wil je dood of leven, ik wil neuken", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.;

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS). Bij haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, de traumatische ervaringen voor de slachtoffers en het seriematige karakter van de delicten. Verder heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat verdachte geen empathie heeft voor de slachtoffers en er sprake is van een zeer hoog recidiverisico. Bij haar strafeis sluit de officier van justitie aan bij de rapportage en het advies van psycholoog Van Beek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt aan verdachte geen TBS op te leggen, nu hiertoe volgens hem geen juridische grond bestaat. Het door psycholoog Van Beek opgestelde advies kan volgens de raadsman niet worden overgenomen, nu de psycholoog zijn conclusies en advies heeft gebaseerd op dossierstudie en verdachte niet heeft gezien en heeft onderzocht. Op grond van artikel 37a lid 3 juncto artikel 37 leden 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht is een advies van twee gedragsdeskundigen nodig, die betrokkene hebben onderzocht. Nu een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgehad, valt naar mening van de raadsman niet vast te stellen dat verdachte aan een psychische stoornis lijdt waardoor oplegging van TBS niet mogelijk is. De raadsman verzoekt aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van twee vrouwen. Eén van de vrouwen heeft hij ook beroofd. Daarnaast heeft hij geprobeerd vijf vrouwen te verkrachten en heeft hij weer een andere vrouw beroofd.

De rechtbank acht dit zeer ernstige feiten, waarbij verdachte op een zeer brute en gewelddadige wijze vrouwen heeft verkracht of geprobeerd heeft te verkrachten. Het plegen van de feiten heeft in een relatief korte periode plaatsgevonden en deze reeks van feiten is alleen gestopt omdat verdachte is aangehouden. Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat als gevolg van dat fysieke misbruik de geestelijke gezondheid van de slachtoffers ernstig kan worden geschaad. Dat hiervan ook in het onderhavige geval sprake is, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen.

Uit de verklaring van [slachtoffer 4] komt naar voren dat zij sinds het gebeuren last heeft van slapeloze nachten, huilbuien en paniekaanvallen en zij zich onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld. Haar studie en studieresultaten hebben enorm te lijden onder het gebeuren, omdat zij last heeft van concentratieproblemen en zij zal waarschijnlijk een jaar studievertraging oplopen.

Ook [slachtoffer 6] heeft erg te lijden onder het voorval. Uit de brief van de psycholoog van [slachtoffer 6] komt naar voren dat er bij [slachtoffer 6] sprake is van een post traumatische stressstoornis, mede door het voorval. Door de ernst van de problematiek en de daarbij behorende psychische beschadigingen is [slachtoffer 6] tijdelijk moeten stoppen met haar opleiding. De ouders van [slachtoffer 6] beschrijven in een brief dat ze enorm te lijden hebben onder het feit dat hun dochter dit is overkomen.

Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Hierin is beschreven dat verdachte heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken, waardoor het voor het PBC onmogelijk is om vast te stellen of er bij verdachte sprake is van een psychische stoornis. Verdachte dient derhalve te worden aangemerkt als een weigerende observandus. Op grond van artikel 37a lid 3 juncto artikel 37 leden 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht kan in een dergelijk geval worden afgeweken van de voorwaarde dat voor het opleggen van TBS met dwangverpleging een advies van twee gedragsdeskundigen nodig is. Uit het derde lid van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht kan worden afgeleid dat, indien verdachte medewerking aan het onderzoek weigert, het ontbreken van een advies waaraan verdachte heeft meegewerkt niet aan het opleggen van TBS in de weg behoeft te staan. Het opleggen van TBS is (slechts) niet mogelijk indien door de weigering geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of een psychische stoornis aanwezig is.

Nu verdachte medewerking aan onderzoek naar zijn psyche weigert, heeft psycholoog Van Beek een rapport over verdachte opgesteld zonder verdachte zelf te hebben gesproken. Op basis van uitvoerige bestudering van het dossier en aanvullende diagnostiek (collaterale informatie en delictdiagnostiek) is de psycholoog tot de conclusie gekomen dat er bij verdachte sprake is van psychoseksuele problematiek, die gerelateerd is aan hyperseksualiteit, hechtings- en relatieproblematiek en verslavingsproblemen. Zolang hyperseksualiteit nog niet als aparte stoornis is opgenomen in de DSM IV, kan deze stoornis gerangschikt worden onder impulscontrolestoornis. De psycholoog komt tot de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten is. Zonder behandeling voor deze ernstige problematiek is het recidiverisico hoog te noemen, zo volgt uit de uitgevoerde risicotaxatie. De psycholoog adviseert, gelet op het belang van behandeling van verdachte, een TBS met dwangverpleging op te leggen en anders een TBS met voorwaarden. Ter zitting van 26 april 2010 heeft de psycholoog zijn werkwijze en rapportage nader toegelicht en beschreven dat zijn conclusies met name zijn gebaseerd op de feiten die verdachte bekend heeft en de verklaringen van ex-vriendinnen van verdachte. Daarnaast heeft hij gebruik gemaakt van de verklaringen van verdachte over zijn persoon.

De rechtbank overweegt dat, hoewel dit niet wettelijk vereist is, het wenselijk is dat rapportage over de wenselijkheid van een TBS met dwangverpleging gebaseerd is op gesprekken met en/of observatie van verdachte. De rechtbank realiseert zich dat over de aanpak van psycholoog Van Beek in Nederland geen brede consensus bestaat. Ter zitting en in zijn rapportage heeft de psycholoog echter toegelicht waarom het in dit specifieke geval wel mogelijk is om een diagnose te stellen op basis van uitsluitend dossieronderzoek. Hierbij is – zo begrijpt de rechtbank het rapport van de psycholoog- naast de aard en aantal delicten van belang dat het dossier naast informatie van verdachte zelf voldoende collaterale informatie bevat om problematische aspecten in het functioneren van verdachte te kunnen beoordelen. Gelet op de deskundigheid van Van Beek, de opzet van zijn rapport, de motivering en de goede onderbouwing van de conclusies in het rapport, acht de rechtbank het verantwoord om de bevindingen en de conclusies van psycholoog Van Beek tot uitgangspunt te nemen.

De rechtbank acht verdachte derhalve op grond van een psychische stoornis – te classificeren als een impulscontrolestoornis – verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank realiseert zich dat oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging een vergaande stap is voor iemand die nog niet eerder is veroordeeld voor (ernstige) misdrijven en eerder geen behandeling heeft gehad. De rechtbank ziet echter geen ander alternatief. Immers, psycholoog Van Beek geeft aan dat minder ingrijpende behandelvormen niet in aanmerking komen gezien de psychische problematiek van verdachte. Bovendien staat de houding van verdachte in de weg aan het opleggen van minder vergaande mogelijkheden om (deelname aan) behandeling te verzekeren. Gezien de ernst van de onderhavige feiten, de inhoud van het rapport van psycholoog Van Beek, alsmede de houding van de verdachte, ziet de rechtbank geen andere optie dan de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen om de maatschappij tegen het gevaarlijke gedrag van verdachte te beschermen.

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf noodzakelijk. De feiten hebben een grote impact op de samenleving en de slachtoffers gehad en eisen een strafrechtelijke reactie. Met de officier van justitie acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 4], [adres], [plaatsnaam] vordert een schadevergoeding van € 5277,25 voor feit 4, waarvan € 2777,25,= ter zake van materiële schade en € 2500,= ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 6], [adres] vordert een schadevergoeding van € 2599,15 voor feit 6, waarvan € 99,15 ter zake van materiële schade en € 2500,= ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 8], [adres] vordert een schadevergoeding van € 1500,= voor feit 8.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 750,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarbij het gaat om immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2], [adres] vordert een schadevergoeding van € 1296,= voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 996,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 496,= ter zake van materiële schade en € 500,= ter zake van immateriële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [slach[slachtoffer 5], [adres] vordert een schadevergoeding van € 1500,= voor feit 5.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 750,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarbij het gaat om immateriële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit zijn aangetroffen en dat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 242, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Poging tot verkrachting;

feit 2 tweede deel: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 3 primair: Poging tot verkrachting;

feit 4: Verkrachting en afpersing;

feit 5 primair: Poging tot verkrachting;

feit 6: Verkrachting;

feit 7 primair: Poging tot verkrachting;

feit 8: Poging tot verkrachting

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 118865, 86275, 86277, 87200, 87205, 87243, 87506, 87508, 87517 en 87521;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 34404, 118823, 118840, 118847, 118854, 118857, 86265, 86266, 86268, 86271, 86274, 86278, 86279, 86282, 86284, 87160, 87165, 87182, 87187, 87236, 87252, 87258, 87265, 87273, 87282, 87290, 87293, 87493 en 87499;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van

€ 5277,25, waarvan € 2777,25,= ter zake van materiële schade en € 2500,= ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van

€ 2599,15, waarvan € 99,15,= ter zake van materiële schade en € 2500,= ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] van

€ 750,= ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 996,=, waarvan € 496,= ter zake van materiële schade en € 500,= ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slach[slachtoffer 5] van

€ 750,=, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4), € 5277,25, 61 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 6), € 2599,15, 35 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 8), € 750,=, 15 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2), € 996,=, 19 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slach[slachtoffer 5] (feit 5), € 750,=, 15 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Ebben en mr. Van Roij, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat en mr. Van Veen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juli 2010.

Mr. Van Roij is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 december 2008 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 1] achterna gefietst en/of

- die [slachtoffer 1] met zijn fiets is klemgereden en/of

- die [slachtoffer 1] gedwongen heeft te stoppen en/of

- een mes aan die [slachtoffer 1] heeft getoond/voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 1] telkens dreigend heeft toegevoegd: "Jij naar mij luisteren,

anders maak ik je dood" en/of "Jij gaat mee de bosjes in, ju luistert, anders

maak ik je dood", althans telkens woorden van soortgelijke dreigende aard

en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 1)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 december 2008 te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

een mes aan die [slachtoffer 1] heeft getoond/voorgehouden en/of (daarbij) deze

dreigend de woorden toegevoegd : "Jij naar mij luisteren, anders maak ik je

dood" en/of "Jij gaat mee de bosjes in, je luistert, anders maak ik je dood",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Zegge, gemeente Rucphen, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 2] achterna gefiets en/of

- die [slachtoffer 2] klemgereden en/of aangereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2]

ten val kwam en/of

- een mes aan die [slachtoffer 2] getoond/voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend toegevoegd: "Stil, anders vermoord ik jou", althans

woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 2)

en/of

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Zegge, gemeente Rucphen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas (met

inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat hij, verdachte

- die [slachtoffer 2] is achterna gefietst en/of

- die [slachtoffer 2] heeft klemgereden/aangereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2]

ten val kwam en/of

- een mes aan die [slachtoffer 2] heeft getoond/voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend heeft toegevoegd: "Stil, anders vermoord ik jou",

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Zegge, gemeente Rucphen, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die die [slachtoffer 3], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 3] achterna gefietst en/of

- die [slachtoffer 3] klemgereden en/of aangereden en/of tegen de fiets van die [slachtoffer 3] getrapt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of

- zijn hand op de mond van die [slachtoffer 3] geduwd/gelegd en/of

- een mes aan die [slachtoffer 3] getoond/voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 3] dreigend heeft toegevoegd: "Jij gaat met mij mee of ik veroord

je" en/of "Ik neem jou mee. Jij gaat met mij mee", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 3)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Zegge, gemeente Rucphen, [slachtoffer 3]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes aan die [slachtoffer 3] getoond/voorgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd

: "Jij gaat met mij mee of ik vermoord je" en/of "Ik neem jou mee. Jij gaat

met mij mee", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 05 april 2009 te Roosendaal door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van

(een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte zijn penis

in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 4] geduwd/gebracht en bestaande dat

geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of

die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 4] met zijn fiets heeft klemgereden en/of

- een mes aan die [slachtoffer 4] heeft getoond/voorgehouden en/of (aldus) voor die

[slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; (zaak 4)

en/of

hij op of omstreeks 05 april 2009 te Roosendaal met het oogmerk om zich en/of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van

10 Euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte

- die [slachtoffer 4] met zijn fiets heeft klemgereden en/of

- een mes aan die [slachtoffer 4] heeft getoond/voorgehouden en/of

- zijn penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 4] heeft geduwd/gebracht;

art 242 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 19 mei 2009 te Roosendaal ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slach[slachtoffer 5] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die van [slach[slachtoffer 5], hebbende hij, verdachte

- die [slach[slachtoffer 5] achterna gefietst en/of

- die [slach[slachtoffer 5] met een mes in haar hals geprikt en/of

- een mes aan die [slach[slachtoffer 5] getoond/voorgehouden en/of

- die [slach[slachtoffer 5] bij haar keel gegrepen/gepakt en/of

- die [slach[slachtoffer 5] dreigend heeft toegevoegd: "Niet gillen, anders vermoord

ik je", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 5)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 mei 2009 te Roosendaal [slach[slachtoffer 5] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in de hals van die [slachtoffer 5] geprikt en/of een mes aan die [slach[slachtoffer 5] heeft

getoond/voorgehouden en/of die [slach[slachtoffer 5] bij haar keel heeft gegrepen

en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Niet gillen, anders

vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks de periode van 15 juni 2009 tot en met 16 juni 2009 te

Roosendaal door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging

met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] heeft gedwongen

tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 6],

hebbende verdachte de borsten van die [slachtoffer 6] betast en/of zijn, verdachtes

penis in de anus van die [slachtoffer 6] gebracht/gehouden

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 6] achterna is gefiets en/of

- die [slachtoffer 6] heeft gedwongen om haar fiets te stoppen en/of

- die [slachtoffer 6] dreigend heeft toegevoeg: "Wil je dood of wil je leven"

en/of "als je wil leven, dan moet je mee", althans woorden van soortgelijke

dreigende aard en/of strekking en/of

- aan die [slachtoffer 6] (op korte afstand) een mes heeft getoond/voorgehouden

en/of

- samen met die [slachtoffer 6] - onder constante bedreiging met een mes - naar een

(afgelegen) plek is gefietst en/of

- aldaar die [slachtoffer 6] gedwongen heeft zich (deels) te ontkleden en/of om te

draaien en/of

- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd "iedere keer als je schreeuwt komt er een

snee bij" en/of "als je achterom kijkt, dan ben je dood"

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 6] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan; (zaak 7)

art 242 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 19 mei 2009 te Roosendaal ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 7] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 7], hebbende hij, verdachte

- die [slachtoffer 7] achterna gefietst en/of

- met een mes in haar wang geprikt en/of

- een mes aan die [slachtoffer 7] getoond/voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 7] dreigend toegevoegd: "Meekomen, anders maak ik je dood",

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 6)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 7 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 mei 2009 te Roosendaal [slachtoffer 7] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in de

wang van die [slachtoffer 7] geprikt en/of een mes aan die [slachtoffer 7]

getoond/voorgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd :

"Meekomen, anders maak ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 20 juni 2009 te Roosendaal ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 8] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 8],

waarbij verdachte

- die [slachtoffer 8] is achterna gefietst en/of

- die [slachtoffer 8] heeft gedwongen om haar fiets te stoppen en/of van haar fiets af

te stappen en/of

- zijn, verdachtes fiets voor de fiets van die [slachtoffer 8] heeft geplaatst en/of

- aan die [slachtoffer 8] een mes heeft getoond/voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 8] dreigend telkens heeft toegevoegd: "wil je dood of leven" en/of

"wil je dood of leven, ik wil neuken", althans telkens woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 8)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht