Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN1238

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
10/2681
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlening reguliere bouwvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een kunstwerk. Er is geen aanleiding het begrip "kunstobject" zodanig beperkt uit te leggen dat de onderhavige "kunstboom" daar niet onder zou vallen. De plaatsing van de "kunstboom" is derhalve niet strijdig met de bestemming "verkeer". Het bouwplan is in strijd met de voorschriften uit het bestemmingsplan, nu vaststaat dat de kunstboom hoger is dan de toegestane 3 meter. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat een ontheffing van het bestemmingsplan kan worden verleend. Nu verweerder evenwel geen belangenafweging heeft gemaakt, onder meer ook het aspect van het bedienend verkeer niet in ogenschouw heeft genomen en belanghebbenden niet in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen kenbaar te maken tegen een eventueel ontwerpbesluit, kan vooralsnog niet worden gezegd dat ontheffing zonder meer zal worden verleend. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan, hetgeen voldoende aanleiding vormt het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 2681 WW44 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekers],

gevestigd respectievelijk wonende te Bergen op Zoom, verzoekers,

gemachtigde mr. B. Vermeirssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 29 juni 2010 (bestreden besluit), inzake de verlening van een reguliere bouwvergunning voor het tijdelijk plaatsen van het kunstwerk “De Bospoort” in de Korte Bosstraat te Bergen op Zoom.

Tevens hebben zij op 30 juni 2010 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 juli 2010, waarbij aanwezig waren verzoekers en hun gemachtigde en namens verweerder [woordvoerders verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In 2006 heeft het Centrum voor Beeldende Kunst & Vormgeving West Brabant een wedstrijd uitgeschreven voor de realisatie van een kunstuiting bij cultureel erfgoed in Bergen op Zoom. Het kunstenaarscollectief [naam kunstenaarscollectief] heeft deze wedstrijd gewonnen met een nieuw ontwerp voor de Bospoort. Voorgesteld is om de bordkartonnen stadspoorten – die sinds de jaren negentig tijdens de festiviteiten rondom de Krabbenfoor worden geplaatst – te vervangen voor meer kunstzinnige poorten. Het ontwerp stelt vier bomen voor, waarvan het loof een overkoepeling vormt en daarmee een poort.

Het voornemen bestaat de Bospoort jaarlijks rondom de Krabbenfoor in de Korte Bosstraat te plaatsen voor een periode van maximaal 30 dagen. De Bospoort zal worden verankerd in de grond. Op 21 juli 2010 zal de Bospoort worden onthuld.

Op 20 mei 2010 hebben verzoekers verweerder verzocht de werkzaamheden met betrekking tot de Bospoort te staken en gestaakt te houden totdat de benodigde vergunningen zijn verleend.

Bij besluit van 26 mei 2010 heeft verweerder aangegeven dat voor het plaatsen van de Bospoort geen bouwvergunning nodig is omdat de constructie slechts voor korte tijd wordt geplaatst zodat geen sprake is van bouwen in de zin van de Woningwet. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Voorts is om een voorlopige voorziening verzocht. (AWB 10/2453 VV). Nadat verweerder te kennen heeft gegeven dat er een bouwvergunning zal worden verleend, is dit verzoek op 29 juni 2010 ingetrokken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder een reguliere bouwvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van het kunstwerk “De Bospoort”. Tevens is een termijn aan de vergunning verbonden, voor wat betreft het bovengrondse bouwwerk, in die zin dat het bouwwerk maximaal 2 maanden per jaar mag worden geplaatst in de periode van juli tot en met augustus voor de instandhouding van het aldus gebouwde van maximaal 5 jaar en tot uiterlijk september 2015.

2.2 Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat de bouwvergunning in strijd is met het limitatief-imperatief stelsel van artikel 44 van de Woningwet.

Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Binnenstad” waar de gronden zijn bestemd voor verkeer. Door het bouwplan gaat de verkeersfunctie verloren. Verweerder kan zich niet beroepen op artikel 18.1 onder a van de planvoorschriften, omdat niet nader is gedefinieerd wat onder “kunstobject” dient te worden verstaan. Gelet op het normale spraakgebruik valt het bouwwerk niet onder het begrip kunstobject, het is te massaal hiervoor. Een kunstobject mag de hoofdbestemming verkeer niet wegnemen of belemmeren. De kunstboom zorgt voor vernauwing in de smalle Korte Bosstraat en voetgangers zullen worden belemmerd. Verder stellen verzoekers dat op grond van de planvoorschriften kunstboom maximaal 3 meter hoog mag zijn. De hoogte wordt echter overschreden, zodat sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan.

Voorts is het bouwplan volgens verzoekers in strijd met de Bouwverordening en de redelijke eisen van welstand. Verzoekers stellen dat de vergunning in strijd is met wat verweerder eerder had besloten, namelijk dat de kunstboom nu twee in plaats van een maand mag blijven staan. Door de kunstboom zijn verzoekers beperkt in de bedrijfsvoering, aangezien er geen plaats is voor het laden en lossen. Voorts ontneemt de kunstboom het licht door de ramen van de bovenverdieping.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

a. (…);

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening (…);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld (…);

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft (…) zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met de redelijke eisen van welstand;

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijk monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

f. (…);

g. (…).

Het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd is gelegen in het bestemmingsplan “Binnenstad”, waar het de bestemming “Verkeer” heeft.

Ingevolge artikel 18.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de voor “Verkeer” aangewezen gronden bestemd voor onder meer kunstobjecten.

Ingevolge artikel 18.2 van de planvoorschriften geldt met betrekking tot het bouwen van bouwwerken de volgende bepaling:

“Binnen het op de voorschriftenkaart 1 aangeduide gebied “Beschermd stadsgezicht” moeten bouwwerken primair voldoen aan de daarvoor in hoofdstuk III opgenomen bijzondere bepalingen.

Voor zover er in hoofdstuk III geen bijzondere bepalingen zijn opgenomen voor het binnen het op de voorschriftenkaart 1 aangeduide gebied “Beschermd stadsgezicht” dan wel het bouwweken betref die buiten het op de voorschriftenkaart 1 aangeduide gebied zijn gelegen gelden de volgende bepalingen.

Op de in artikel 18.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid bedoelde bestemmingen, waaronder begrepen straatmeubilair en geluidsafschermende voorzieningen, worden gebouwd, met dien verstande dat

a. tot en met e. (…);

f. de hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen van 1 m, de hoogte van terrasschermen en van andere bouwwerken niet meer mag bedragen van 3 m.”

Ingevolge artikel 26, onder a, sub 2 van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels van het plan voor andere bouwwerken, zoals standbeelden, reclamezuilen, uitingen van kunst en dergelijke tot een maximale hoogte van 10 m. bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de ontheffing dient in de belangenafweging eveneens te worden gelet op de effecten met betrekking tot de verkeersveiligheid (voldoende ruimte voor voetgangers en/of bedienend verkeer).

Ingevolge artikel 26, onder f, van de planvoorschriften dient, indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan deze bepaling, de procedure te worden gevolgd als omschreven in lid 1 van artikel 28.

Ingevolge artikel 28.1 van de planvoorschriften luidt de procedure bij ontheffing:

a. Het ontwerpbesluit tot verlening van ontheffing ligt met bijbehorende stukken gedurende twee weken voor een ieder ter inzage.

b. Burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren in een of meer in de gemeente verspreid wordende dag- en/of nieuwsbladen en voorts op de gebruikelijke wijze bekend.

c. De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van terinzagelegging schriftelijk zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen bij burgemeester en wethouders.

d. Burgemeester en wethouders nemen zo spoedig mogelijk een beslissing. De beslissing is, als tegen het ontwerpbesluit zienswijzen zijn ingediend, met reden(en) omkleed.

2.5 Voor zover verzoekers hebben betoogd dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge het bestemmingsplan “Binnenstad” zijn de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd onder meer bestemd voor kunstobjecten. Het begrip “kunstobject” is niet nader gedefinieerd in dit bestemmingsplan. Verzoekers hebben aangegeven dat onder dit begrip in het normale spraakgebruik wordt verstaan een standbeeld of sculptuur op een sokkel. Een massale overkapping van de straat - wat de kunstboom in feite is - valt volgens verzoekers niet onder het begrip “kunstobject”.

De voorzieningenrechter stelt vast dat onder “kunst” in het Van Dalen Groot woordenboek der Nederlandse taal wordt verstaan “het creatief en origineel tot uiting of voorstelling brengen van gedachten of gevoelens op vaak ontroerende of schokkende wijze”.

De kunstboom valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een object van creatieve en originele uiting of voorstelling van gedachten of gevoelens. Daarbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat de kunstboom een ontwerp betreft van het kunstenaarscollectief [naam kunstenaarscollectief]. Er is geen aanleiding het begrip “kunstobject” zodanig beperkt uit te leggen dat de onderhavige “kunstboom” daar niet onder zou vallen. Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoekers standpunt dat het begrip “kunstobject” dient te worden uitgelegd als “kunstwerk” in die zin dat daarmee bruggen, tunnels en sluizen worden bedoeld. Voor deze uitleg zijn in het bestemmingsplan geen aanknopingspunten te vinden. Anders dan verzoekers betogen, wordt de kunstboom dan ook aangemerkt als kunstobject in de zin van het bestemmingsplan. De plaatsing van de kunstboom is derhalve niet strijdig met de bestemming “Verkeer”.

Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat de kunstboom hoger is dan de volgens het bestemmingsplan toegestane hoogte, wordt het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat de locatie waar de kunstboom is geprojecteerd valt onder het Beschermd stadsgezicht. Voorts is niet in geschil dat in hoofdstuk III van het bestemmingsplan geen bijzondere bepalingen zijn opgenomen voor het binnen het op de voorschriftenkaart 1 aangeduide gebied “Beschermd stadsgezicht”. Artikel 18.2, aanhef en onder f, van de planvoorschriften is derhalve van toepassing. In deze bepaling is aangegeven dat de hoogte van andere bouwwerken dan erfafscheidingen en terrasschermen niet meer mag bedragen van 3 meter.

Nu tussen partijen vaststaat dat de kunstboom hoger is dan de toegestane 3 meter en verweerder ter zitting heeft aangegeven dat bij de besluitvorming ten onrechte geen rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 18.2, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften uit het bestemmingsplan. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van strijd met het bestemmingsplan op dit punt, maar dat dit geen aanleiding geeft het bestreden besluit te schorsen.

Voor zover verweerder ter zitting heeft betoogd dat op grond van het bepaalde in artikel 26, onder a, sub 2 van de planvoorschriften ontheffing kan worden verleend van de regels van het bestemmingsplan voor wat betreft de hoogte van uitingen van kunst tot een hoogte van 10 meter, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de ontheffing dient een belangenafweging te worden gemaakt, waarbij moet worden gelet op de effecten met betrekking tot de verkeersveiligheid, zoals voldoende ruimte voor voetgangers en/of bedienend verkeer. Voorts dient verweerder, indien toepassing wordt gegeven aan deze bepaling, ingevolge artikel 26, onder f, van de planvoorschriften de procedure als omgeschreven in artikel 28.1 van de planvoorschriften te volgen. In artikel 28.1 is aangegeven dat het ontwerpbesluit tot verlening van ontheffing met de bijbehorende stukken gedurende twee weken voor een ieder ter inzage ligt. Verweerder maakt de terinzagelegging tevoren bekend. Belanghebbenden kunnen gedurende de termijn van de terinzagelegging schriftelijk zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit. Verweerder zal daarna zo spoedig mogelijk een beslissing nemen.

Opgemerkt wordt dat het verlenen van ontheffing een bevoegdheid betreft, waarbij verweerder nader onderzoek zal dienen te verrichten en waarbij een belangenafweging gemaakt zal dienen te worden. Bij deze belangenafweging zal verweerder op grond van artikel 26, onder a, sub 2 van de planvoorschriften in ieder geval ook de effecten met betrekking tot de verkeersveiligheid moeten betrekken, waaronder voldoende ruimte voor voetgangers en/of bedienend verkeer.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat een ontheffing van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 26, onder a, sub 2 van de planvoorschriften, kan worden verleend. Nu verweerder evenwel geen belangenafweging heeft gemaakt, onder meer ook het aspect van het bedienend verkeer niet in ogenschouw heeft genomen en belanghebbenden niet in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen kenbaar te maken tegen een eventueel ontwerpbesluit, kan vooralsnog niet worden gezegd dat ontheffing zonder meer zal worden verleend.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan, hetgeen voldoende aanleiding geeft om het besteden besluit te schorsen.

2.6 De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen, in die zin dat het bestreden besluit van 29 juni 2010 wordt geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat verweerder bij de beslissing op bezwaar ook in zal dienen te gaan op de gestelde strijdigheid met de Bouwverordening, nu verweerder eerst ter zitting – onder verwijzing naar artikel 9 van de Woningwet – een standpunt dienaangaande heeft ingenomen, waarop verzoekers nog niet inhoudelijk hebben kunnen reageren.

2.7 Nu het verzoek wordt toegewezen, dient het griffierecht aan verzoekers te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar;

gelast dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 298,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,-.

Aldus gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E.A. Vermunt, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 14 juli 2010