Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN0994

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
02/800348-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is met zijn auto, op een tamelijk drukke weg (A27) bij een snelheid van 80 (tot 100) km p/u, door tweemaal krachtig naar links te sturen tegen twee onopvallende politieauto’s gereden ten einde aan zijn aanhouding te ontkomen. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling én van eenzelfde poging met voorbedachte raad. Voor deze twee feiten (en drie andere feiten) wordt een gevangenisstraf opgelegd van 36 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800348-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op 10 juli 1973 te Oukrichen (Marokko)

wonende te [adres]

gedetineerd in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juni 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. geprobeerd heeft om politieambtenaar [verbalisant1] te vermoorden, te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

2. geprobeerd heeft om politieambtenaar [verbalisant2] te vermoorden, te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

3. een woninginbraak heeft gepleegd;

4. geld heeft weggenomen door gebruik te maken van een valse sleutel;

5. tweemaal al dan niet met een ander benzine heeft gestolen;

6. heeft gereden, terwijl hem ontzegging van de rijbevoegdheid was opgelegd, dan wel zonder rijbewijs een auto heeft bestuurd;

7. een auto heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 6 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen:

- ten aanzien van de feiten 1 en 2 op de aangiften van de verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] en processen-verbaal die door hen zijn opgesteld, alsmede de getuigenverklaring van verbalisant [verbalisant3];

- ten aanzien van de feiten 3 en 4 op de aangifte van Zandbergen, de bekennende verklaring van verdachte en de processen-verbaal waaruit blijkt dat diverse gestolen goederen bij de verdachte zijn aangetroffen;

- ten aanzien van feit 5 op de aangiften van [aangever1] en [aangever2], de verklaring van verdachte dat hij aanwezig was toen getankt werd bij het tankstation in Hank en een afbeelding van de beveiligingscamera van het tankstation te Nieuwegein waarop de auto van verdachte te zien is;

- ten aanzien van feit 6 primair op de uitdraai van CBR-gegevens en de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

De officier van justitie vordert vrijspraak van het onder 7 ten laste gelegde feit.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1, 2, 5 en 7.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 wordt door de verdediging getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van de betrokken verbalisanten, nu gedeeltes van de processen-verbaal van bevindingen overgenomen zijn in andere processen-verbaal.

Voorts zijn processen-verbaal van bevindingen in de wij-vorm opgemaakt, terwijl deze maar door één verbalisant zijn ondertekend.

Volgens de verdediging kan niet worden bewezen dat er een aanraking tussen de Alfa Romeo – bestuurd door verdachte – en de Skoda – bestuurd door verbalisant [verbalisant1] – is geweest. In ieder geval ontkent verdachte daar de veroorzaker van te zijn geweest. De schade aan de Skoda wijst er niet op dat er enig opzet gericht tegen het leven of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is geweest. Verdachte ontkent ook dat opzet te hebben gehad.

Ten aanzien van feit 5 merkt de raadsman op dat zijn cliënt niet de bestuurder van de auto was toen getankt werd bij het tankstation in Hank en dat hij aannam dat de vrouwelijke passagier de benzine had betaald. Van de diefstal van benzine in Nieuwegein is slechts een aangifte voorhanden.

Ten aanzien van feit 7 heeft de aangeefster uitsluitend aangifte gedaan, omdat zij niet wilde opdraaien voor de gevolgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

Op vrijdag 19 maart reden de verbalisanten [verbalisant4] en [verbalisant5] belast met algehele surveillance, over de Oude Vest in de richting van de Claudius Prinsenlaan in Breda . Ter hoogte van de parkeerplaatsen aldaar merkten zij een persoon op – naar later bleek verdachte – die naar een aldaar geparkeerde rode Alfa Romeo liep. De auto was voorzien van kenteken [ - - ]. Omdat de auto rondom beschadigd was, werd de aandacht van de verbalisanten getrokken. Verbalisanten reden door en hebben vervolgens het kenteken bevraagd bij de meldkamer en hoorden dat de rode Alfa Romeo met het betreffende kenteken als gestolen gesignaleerd stond. Toen bij hun terugkomst op de locatie waar de Alfa stond, deze weg bleek te zijn, hebben de verbalisanten hun bevindingen aan de andere dienstdoende eenheden doorgegeven.

Enige minuten laten hoorden de verbalisanten dat via de portofoon werd doorgegeven dat een eenheid van het Joint Hit Team (hierna: JHT) de Alfa Romeo zag en dat zij inmiddels de rijksweg A27 opreden in de richting van Utrecht.

Op dat moment waren de verbalisanten [verbalisant6] en [verbalisant7] doende met de noodhulp in het district Oosterhout en reden zij in een opvallend dienstvoertuig .

Zij kregen van de meldkamer het verzoek een post in te nemen naast de A27 ter hoogte van Oosterhout. Op enig moment zagen zij de Alfa Romeo voorbij rijden en hebben zij de achtervolging ingezet, waarbij zij de optische en geluidssignalen hebben gebruikt. Na het passeren van een aantal auto’s (waaronder onopvallende politievoertuigen) zijn de verbalisanten naast de Alfa Romeo gaan rijden. Die laatste reed op dat moment op de rechter rijbaan (de rechtbank begrijpt: de rijstrook). Verbalisant [verbalisant7] heeft op dat moment oogcontact gemaakt met verdachte en met zijn rechterarm signalen gegeven dat verdachte naar rechts, naar de vluchtstrook moest sturen en moest stoppen. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant6] de Alfa Romeo ingehaald en is ervoor gaan rijden. Daarbij heeft [verbalisant6], middels de politietransparant, een stopteken gegeven en verminderde hij snelheid om verdachte tot stoppen te dwingen . Op dat moment zag [verbalisant6] dat er een onopvallend politievoertuig, links achter zijn voertuig aansloot in een poging om de Alfa Romeo in te sluiten.

In dat onopvallende politievoertuig (hierna ook: Skoda Superb) bevond zich verbalisant [verbalisant1], die op de rechterrijbaan reed, terwijl verdachte achter het opvallende dienstvoertuig reed op de vluchtstrook . [verbalisant1] verklaart dat hij al enige tijd achter de Alfa Romeo reed en bevestigt daarbij de verklaringen van verbalisanten [verbalisant6] en [verbalisant7].

Op het moment dat [verbalisant1] naast verdachte reed, bedroeg de snelheid ongeveer 80 kilometer per uur. [verbalisant1] had oogcontact met verdachte en wees hem daarbij aan. Volgens [verbalisant1] keek verdachte hem nog steeds aan en stuurde verdachte vervolgens krachtig naar links waardoor [verbalisant1] een klap hoorde en voelde aan de rechterzijde van zijn dienstvoertuig . De Skoda Superb ging heen en weer over de snelweg en [verbalisant1] moest moeite doen om zijn auto in bedwang te houden, maar het lukte hem om zijn voortuig weer onder controle te krijgen.

Verbalisant [verbalisant2] reed toen ook al enige tijd achter de Alfa Romeo aan en bevestigt de verklaringen van voornoemde verbalisanten [verbalisant6], [verbalisant7] en [verbalisant1], over wat zich tot dan heeft afgespeeld . Hij zette, direct na de aanrijding tussen de Alfa Romeo en de Skoda Superb, zijn optische en geluidssignalen aan en legde een extra los zwaailicht op het dashboard van zijn onopvallend politievoertuig (hierna ook: Audi A3). [verbalisant2] zag vervolgens dat de Alfa Romeo in de onstane ruimte reed, versnelde en de Skoda Superb en het opvallende dienstvoertuig inhaalde.

[verbalisant2] is naast de Alfa Romeo gaan rijden en zag dat de Skoda Superb hem inhaalde en weer voor de Alfa Romeo ging rijden. Hij schat de snelheid van de voertuigen op dat moment tussen de 80 en 100 kilometer per uur . [verbalisant2] zag dat de Skoda Superb remde en vaart begon te minderen. Hij zag daarop dat de Alfa Romeo naast hem, [verbalisant2], bleef rijden en onverwachts naar links stuurde waardoor de Alfa Romeo hard tegen de rechtervoorzijde van de Audi A3 aanreed. [verbalisant2] hoorde een harde klap. Ook [verbalisant2] voelde zijn voertuig slingeren en kon het met moeite onder bedwang houden. [verbalisant2] zag dat de Alfa Romeo door de klap richting de vangrail ging, daar tegenaan klapte en met hoge snelheid weer in de richting van de Audi A3 kwam. Ondanks remmen door [verbalisant2], raakte de Alfa Romeo de Audi A3 hard tegen de linkerzijdeur. [verbalisant2] voelde een klap en klapte zelf naar rechts toe. Door de klap kwamen de Alfa Romeo en de Audi A3 tot stilstand.

Het geheel van de hiervoor beschreven gebeurtenissen en omstandigheden op de A27 wordt bevestigd door verbalisant [verbalisant3] die op de betreffende momenten ongeveer 10 meter achter de auto van verdachte reed en verklaart dat hij op die manier alles goed kon overzien .

Het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse toont foto’s van bandensporen op het wegdek, de eindpositie van de Alfa Romeo en de Audi A3, de schade aan de vangrail, de schade aan de drie voertuigen, en de wijze waarop respectievelijk de Skoda Superb en de Audi A3 met de Alfa Romeo in aanraking zijn gekomen. De in dat proces-verbaal beschreven vermoedelijke toedracht stemt, naar het oordeel van de rechtbank, overeen met de toedracht zoals beschreven in de verklaringen van voornoemde verbalisanten.

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank derhalve geen reden om te twijfelen aan de neutraliteit en betrouwbaarheid van de verbalisanten.

Anders dan door de verdediging is betoogd blijkt uit de foto’s die zich bevinden in het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse en in het eind-proces-verbaal, niet dat de politievoertuigen de aanrijdingen hebben veroorzaakt. Uit de stand van de voertuigen – na plaatsing tegen elkaar – is niet af te leiden dat de Alfa Romeo rechtuit zou hebben gereden en dat de politievoertuigen naar links zouden zijn afgebogen. Uit het proces-verbaal volgt niet dat de auto’s zijn gefotografeerd op een dusdanige wijze dat daaruit de positie op de weg kan worden afgeleid.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en niet van een poging tot doodslag of moord.

De schade die aan de rechterzijde van zowel de Skoda Superb als de Audi A3 is vastgesteld, is van geringe omvang. [verbalisant1] en [verbalisant2] beschrijven een behoorlijke klap en moeten moeite doen om hun voertuigen onder controle te houden. Zij reden in betrekkelijk nieuwe voertuigen die volgens het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse beschikten over moderne veiligheidstechnieken. Ondanks de snelheid van 80 tot 100 kilometer per uur, acht de rechtbank het niet aannemelijk er een aanmerkelijke kans bestond dat de beide verbalisanten door het handelen van verdachte het leven zouden verliezen.

Wel is sprake van een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte bevond zich in een benarde situatie en besloot te vluchten. Omdat hij ingeklemd was tussen een voertuig voor en een naast hem en zelf op de vluchtstrook reed, zag hij geen andere kans om te vluchten dan om naar links in te sturen op het voertuig naast hem, terwijl het volgens verdachte tamelijk druk was op de weg . Daarmee heeft verdachte – gelet op de snelheid en de verkeersdrukte – willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door de aanrijding zwaar lichamelijk letstel zou worden toegebracht aan de verbalisanten in de andere voertuigen.

De rechtbank is verder van oordeel dat ter zake van de aanrijding met de Skoda Superb geen sprake is van voorbedachte raad. De situatie waarin verdachte zich bevond, heeft hij beschreven als bedreigend, omdat hij niet wist wat er gebeurde. Onduidelijk is of en hoeveel tijd er is verstreken tussen het stopsignaal van het opvallende dienstvoertuig en de aanrijding met de Skoda Superb. Dat er enig tijdsmoment heeft bestaan voor kalm beraad en rustig overleg is, naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Dit ligt anders ten aanzien van de aanrijding met de Audi A3. Na de aanrijding met de Skoda Superb, heeft verdachte versneld, is hij het opvallende dienstvoertuig voorbij gereden en poogde daardoor te vluchten. Vervolgens werd hij opnieuw ingeklemd en heeft hij opnieuw naar links ingestuurd op het voertuig naast hem. Deze omstandigheden, maken dat de rechtbank van oordeel is dat er – hoewel kort – een moment is geweest voor verdachte om zich te beraden op zijn handelen. Hij reed weg van de politieauto’s en moest toen nog worden ingehaald voordat hij weer werd ingeklemd. Toen dat weer gebeurde, koos verdachte ervoor opnieuw te handelen zoals hij daarvoor deed, hetgeen hem mogelijk had gemaakt om (even) weg te komen. Hierin ziet de rechtbank de voorbedachte raad.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 ten laste is gelegd.

Feiten 3 en 4

De rechtbank acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting d.d. 28 juni 2010;

- de aangiften van [slachtoffer1] ;

- proces-verbaal van verhoor aangeefster .

Feit 5

De rechtbank is van oordeel dat de diefstallen in Nieuwegein en Hank niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van de diefstal in Hank, volgt de rechtbank het verweer van de verdediging nu niet is vast komen te staan dat verdachte kon weten dat zijn medepassagier – hoewel zij wel bij het pompstation naar binnen ging – niet zou betalen. Niet gebleken is dat verdachte dat kon weten voordat zij inmiddels weg waren gereden, zodat ook van medeplegen niet kan worden gesproken.

Feit 6

De rechtbank acht feit 6 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting d.d. 28 juni 2010;

- een geschrift, te weten een uitdraai van het CBR d.d. 07-04-2010, inhoudende een overzicht van ontzeggingen van de rijbevoegdheid.

Feit 7

Gelet op het feit dat de aangeefster de voormalige vriendin is van verdachte, het moment van aangifte kort na het eindigen van de relatie en nu verdachte bovendien heeft verklaard dat de auto feitelijk door hem is betaald, maar om hen moverende redenen op naam van aangeefster is gezet, is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Derhalve zal er ten aanzien van dit feit vrijspraak volgen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 19 maart 2010 in het arrondissement Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant1] (politie-ambtenaar) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een auto, (bij een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, op de snelweg A27, tegen de auto te rijden waarin die [verbalisant1] zich bevond, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 19 maart 2010 in het arrondissement Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met voorbedachten rade opzettelijk [verbalisant2] (politie-ambtenaar) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een auto, (bij een snelheid van ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur, op de snelweg A27, tegen de auto te rijden waarin die [verbalisant2] zich bevond, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 19 maart 2010 te Etten-Leur met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in een woning (aan [adres]) heeft weggenomen

diverse sieraden en enig (contant) geldbedrag en

een bankpasje toebehorende aan

[slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming;

4.

op 19 maart 2010 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen geld (1250 euro bij Rabobank en/of 1455 euro bij

Calucci), toebehorende aan [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1], waarbij verdachte telkens het weg te nemen goed onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6.

hij op 19 maart 2010 te Breda en/of te Oosterhout (NB) en/of te

Geertruidenberg terwijl hij wist dat hem bij

rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van

motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was

ontzegd, op de weg, de Rijksweg A27, een motorrijtuig, (personenauto), heeft

bestuurd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Naar de mening van de raadsman is de eis van de officier van justitie buitenproportioneel. Hij wijst erop dat verdachte zou zijn gestopt indien hij had geweten dat de onherkenbare politieauto’s van politieambtenaren waren. Tenslotte verzoekt de raadsman om naast een (kortere) gevangenisstraf een werkstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is op vrijdag 19 maart 2010, na een uiterst gevaarlijke achtervolging op de snelweg met twee aanrijding tot gevolg, en na een vluchtpoging te voet, na de laatste aanrijding, uiteindelijk aangehouden. Achteraf bleek waarom verdachte tijdens de autorit en daarna pogingen ondernam om te vluchten. In zijn auto werd kleding aangetroffen die met een gestolen pas was betaald en in zijn kleding werd de gestolen pas, contant geld en sieraden aangetroffen. Verdachte had namelijk eerder die ochtend in een woning aan de [adres] in Etten-Leur die goederen buitgemaakt.

De rechtbank rekent verdachte zijn handelen tijdens de achtervolging zwaar aan. In een situatie waarin hij door een opvallend dienstvoertuig met optische en geluidssignalen, middels de politietransparant tot stoppen werd gemaand, stuurde hij in op het links naast hem rijdende voertuig om zo te pogen er vandoor te gaan.

En nadat hij voor de tweede was ingehaald en gedwongen werd te stoppen, herhaalde hij die manoeuvre. Dit keer met minder succes. In plaats van te kunnen vluchten raakte zijn eigen auto in onbalans, belandde tegen de vangrail en kwam vervolgens door de botsing met een van de onopvallende politievoertuigen tot stilstand. Verdachte is uit zijn auto gestapt en via de rijbaan in tegengestelde richting van de snelweg, te voet gevlucht.

Verdachte heeft daarmee gevaar tot stand gebracht, niet alleen voor de agenten in de onopvallende politievoertuigen, maar ook voor de overige verkeersdeelnemers. Zijn auto, of de opvallende politievoertuigen hadden in botsing kunnen komen met andere voertuigen, met alle mogelijke gevolgen van dien.

Ten aanzien van het bedrag van € 34.000,--, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat dit niet kan worden gehandhaafd in de bewezenverklaring. In de kleding van verdachte is een bedrag aangetroffen. Gezien het tijdsverloop is niet aannemelijk dat verdachte tussen de diefstal en de aanhouding nog enig deel van het bij de woninginbraak buit gemaakte bedrag heeft verborgen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat van het bedrag dat in zijn kleding is aangetroffen, ongeveer € 2700,-- is ontvreemd uit de woning aan De [adres].

Bij dit alles heeft verdachte bovendien gereden in een voertuig terwijl hem de rijbevoegdheid was ontzegd.

Gezien de ernst van de feiten en het zeer omvangrijke strafblad van verdachte, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, passend en geboden en kan niet worden volstaan met een andere, lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer1] vordert een immateriële schadevergoeding van

€ 265,- voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij Crossingstation De Keizer vordert een schadevergoeding van € 82,47 voor feit 5.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 Het beslag

8.1 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.2 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan degenen die redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

8.3 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.4 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat feit 3 is begaan met betrekking tot de voorwerpen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 302, 303, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 176, 178, 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 5 en 7 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot zware mishandeling;

feit 2: poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad;

feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

feit 4: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel; meermalen gepleegd;

feit 6 primair: overtreding van artikel 9, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1] van € 265,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] (feit 3), € 265,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

- verklaart de benadeelde partij Crossingstation De Keizer niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij Crossingstation De Keizer in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen, te weten de sieraden zoals genoemd op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst;

- gelast de teruggave aan [slachtoffer1] van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 5.397,60 en een Rabo Europas;

- gelast de teruggave aan Hotek respectievelijk Van der Valk Breukelen van de in beslag genomen voorwerpen, te weten de keycards;

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten: een geldbedrag van € 290,-, een vest ‘Uttam London’, Lacoste sneakers, een brief, Burberry aftershave;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten: 5 flessen, kassabon, Skandia schroevendraaier, Le Chef hakmes, zaklamp.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Van Bergen en

mr. Bennenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op 19 maart 2010 te Oosterhout (NB) en/of te Geertruidenberg, althans in ieder geval in het arrondissement Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om al dan niet met voorbedachten rade opzettelijk [verbalisant1] (politie-ambtenaar) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een of meerdere ma(a)l(en) met een auto, (bij een snelheid van ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur, althans bij aanzienlijke snelheid), op de snelweg A27, tegen de auto te rijden waarin die [verbalisant1] zich bevond, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op 19 maart 2010 te Oosterhout (NB) en/of te Geertruidenberg, althans in ieder geval in het arrondissement Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om al dan niet met voorbedachten rade opzettelijk [verbalisant2] (politie-ambtenaar) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een of meerdere ma(a)l(en) met een auto, (bij een snelheid van ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur, althans bij aanzienlijke snelheid), op de snelweg A27, tegen de auto te rijden waarin die [verbalisant2] zich bevond, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 19 maart 2010 te Etten-Leur met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan [adres]) heeft weggenomen

diverse sieraden en/of 34.000 euro, althans enig (contant) geldbedrag en/of

een bankpasje(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 19 maart 2010 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen geld (1250 euro bij Rabobank en/of 1455 euro bij

Calucci), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 14 maart 2010 te Hank, gemeente Werkendam, tezamen en in vereniging, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Esso De Keizer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

hij op of omstreeks 15 maart 2010 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Terberg Tankstations B.V., in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 19 maart 2010 te Breda en/of te Oosterhout (NB) en/of te

Geertruidenberg terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij

rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van

motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was

ontzegd, op de weg, de Rijksweg A27, een motorrijtuig, (personenauto), heeft

bestuurd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 9 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 maart 2010 te Breda en/of te Oosterhout (NB) en/of te

Geertruidenberg als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft

gereden op de weg, rijksweg A27, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde

autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een

rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat

motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

7.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een auto (kenteken [ - - ]), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan N.van Waas, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht