Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN0993

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
02/800695-09 [P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer aangereden met zijn auto en heeft volgens eigen zeggen vervolgens geprobeerd haar naar het ziekenhuis te brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit een poging tot vrijheidsbeneming oplevert, maar dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij zijn poging vrijwillig heeft gestaakt en dus sprake was van vrijwillige terugtred.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800695-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

gemachtigd raadsman mr. J.J. van ‘t Hoff, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juni 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. geprobeerd heeft om [slachtoffer1] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven;

2. na het veroorzaken van een verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist dat aan het slachtoffer letsel of schade was toegebracht;

3. een gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

3. heeft gereden zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij ten aanzien van feit 1 op de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige1] en de resultaten van het DNA-onderzoek, ten aanzien van de feiten 2 en 4 op de bekennende verklaring van verdachte en ten aanzien van feit 3 op de aangifte, de verklaring van verdachte dat zijn voorruit beslagen was en hij zijn aandacht niet op de weg had en op de plaats waar de restanten van het knipperlicht gevonden zijn.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1, omdat niet objectief kan worden vastgesteld dat zijn cliënt de bedoeling had om het slachtoffer wederrechtelijk vast te houden. Feit 3 kan volgens de raadsman eveneens niet worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld wat de oorzaak van de aanrijding was. De restanten van het knipperlicht van de auto kunnen als gevolg van de klap van de aanrijding in de goot en op het parkeervak terecht zijn gekomen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 24 december 2008 fietste [slachtoffer1] in de Groenstraat te Waalwijk, toen zij plotseling werd aangereden door de auto die bestuurd werd door verdachte. Zij kwam hierdoor hard ten val. De verdachte reed aanvankelijk een aantal meters door , maar stopte toen en reed terug naar het slachtoffer. Verdachte stapte uit de auto en zei tegen het slachtoffer dat hij haar naar het ziekenhuis zou brengen. Hij pakte haar vervolgens vast en probeerde haar met kracht in zijn auto te duwen. Het slachtoffer stribbelde uit alle macht tegen en gooide het portier dicht waardoor de arm van verdachte klem kwam te zitten. Er ontstond een worsteling, waarbij het slachtoffer verdachte heeft gebeten, geslagen en gekrabd. Op een gegeven moment werd een rolluik geopend door een buurtbewoner . De verdachte liet het slachtoffer los, stapte in zijn auto en reed weg.

Het slachtoffer heeft als gevolg van de aanrijding letsel opgelopen. Uit de medische informatie blijkt dat het letsel bestond uit een scheur door de voorzijde van het sprongbeen en een breuk door het achterste deel van het hielbot. Hierdoor heeft het slachtoffer lange tijd niet goed kunnen lopen en voor haar kinderen kunnen zorgen. Naast lichamelijk letsel heeft zij psychische problemen ondervonden.

Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer naar het ziekenhuis wilde brengen. Zodra hem duidelijk werd dat zij dit niet wilde, heeft hij haar losgelaten. Deze verklaring van verdachte strookt niet met de verklaring van de aangeefster dat ze langere tijd met verdachte heeft gevochten om te voorkomen dat ze in de auto werd gesleurd. Haar aangifte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige1] , inhoudende dat hij gekrijs en geschreeuw op straat hoorde. Hij zag vervolgens dat een man probeerde een vrouw in de auto te sleuren en hoorde de vrouw schreeuwen “Laat me los”. Bovendien heeft DNA-onderzoek aangetoond dat in de bemonstering van de nagels van het slachtoffer, naast celmateriaal van het slachtoffer zelf, celmateriaal is aangetroffen van een onbekende man. Bij vergelijking met DNA-profielen in de DNA-databank is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte, zodat het aangetroffen celmateriaal van verdachte afkomstig kan zijn. De kans dat dit celmateriaal van een andere, willekeurig gekozen man is, bedraagt één op 480 duizend. De aangetroffen sporen op de nagels van het slachtoffer ondersteunen aldus de verklaring van de aangeefster dat zij zich met geweld tegen verdachte heeft verzet.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, d.d. 10 juli 2009 afgelegd bij de rechter-commissaris ;

- de aangifte van [initialen] [slachtoffer1] .

Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte verklaard dat hij vlak voor de aanrijding bezig was met het met een doekje schoonmaken van de voorruit van zijn auto, terwijl hij (stapvoets) reed . De rechtbank leidt hieruit af dat het zicht op de weg voor verdachte onvoldoende was en dat hij zijn aandacht op dat moment niet op de weg had. Aldus veroorzaakte de verdachte een gevaar op de weg dat heeft geleid tot de aanrijding met het slachtoffer. Hiermee kan feit 3 naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen.

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, d.d. 10 juli 2009 afgelegd bij de rechter-commissaris ;

- het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2009 .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 24 december 2008 te Waalwijk, ter uitvoering van het door

hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [initialen] [slachtoffer1] wederrechtelijk van de

vrijheid te beroven met dat opzet

* die [slachtoffer1] heeft vastgepakt en opgetild en

* (vervolgens) die [slachtoffer1] naar een bij hem,

verdachte, in gebruik zijnde auto heeft gebracht en

* (vervolgens) die [slachtoffer1] in die auto heeft proberen te duwen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 24 december 2008 te Waalwijk als bestuurder van een

motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een

verkeersongeval was veroorzaakt op de Groenstraat, de plaats van het ongeval

heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [initialen] [slachtoffer1]) letsel en/of schade was

toegebracht;

3.

op 24 december 2008 te Waalwijk, als bestuurder van een

(personen)auto, daarmede heeft gereden over de weg, de Groenstraat,

zulks terwijl de voorruit zodanig ondoorzichtig was, dat

hij, verdachte, onvoldoende uitzicht had op die weg

en

dat voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht,

toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een aanrijding te

voorkomen met een zich voor zijn verdachte's, voertuig op die weg

bevindende fiets(ster),

door welke gedraging(en) van hem, verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt

4.

op 24 december 2008 te Waalwijk als bestuurder van een

motorrijtuig ((personen)auto) heeft gereden op de weg, de Groenstraat, zonder

dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116

lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de

categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft verdachte geprobeerd [slachtoffer1] van haar vrijheid te beroven. Hij heeft immers een begin van uitvoering gemaakt door het slachtoffer vast te pakken, op te tillen en in de auto te duwen. Maar tevens staat vast dat hij zijn actie op enig moment heeft afgebroken. Op grond van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht is sprake van vrijwillige terugtred indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden die van de wil van de dader afhankelijk zijn. De aangeefster heeft verklaard dat door een omwonende een rolluik werd geopend, waarna verdachte in zijn auto is gestapt en weggereden. Ook getuige [getuige1] heeft verklaard dat hij zag dat de man in zijn auto stapte nadat hij het rolluik geopend had. Hij dacht dat de man geschrokken was van het lawaai dat hij maakte door het rolluik open te doen. Nu verdachte als gevolg van externe factoren het misdrijf niet heeft voltooid, zou volgens de officier van justitie geen sprake zijn van vrijwillige terugtred.

Deze van buiten komende factoren, die mogelijk mede ertoe hebben geleid dat het misdrijf niet is voltooid, behoeven echter niet in de weg te staan aan vrijwillige terugtred. Beslissend is of verdachte vrijwillig zijn poging heeft gestaakt als gevolg van een spontane besluitvorming van hemzelf, en deze terugtred niet uitsluitend plaatsvond onder invloed van uitwendige prikkels. De aangeefster heeft verklaard dat zij op een gegeven moment voelde dat haar kracht begon af te nemen en dat het niet langer had moeten duren of zij had verloren. Op dat moment werd door een omwonende een rolluik geopend waarna verdachte het slachtoffer losliet.

De aanleiding voor verdachte om zijn poging te staken kan weliswaar het geluid zijn dat veroorzaakt werd door het openen van het rolluik, maar dit neemt niet weg dat verdachte er vervolgens zelf voor heeft gekozen om het slachtoffer los te laten en weg te rijden. Het slachtoffer stond immers op het punt te bezwijken, zodat aangenomen kan worden dat het voor verdachte geen moeite zou kosten om haar alsnog in zijn auto te krijgen. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat het rolluik werd geopend en is niet gebleken van (andere) externe factoren die ertoe hebben geleid dat verdachte zijn poging heeft gestaakt. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van vrijwillige terugtred, zodat verdachte voor het onder 1 bewezen verklaarde feit niet strafbaar kan worden geacht. Ten aanzien van dit feit wordt hij dan ook ontslagen van rechtsvervolging.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 is niet gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, zodat verdachte strafbaar is.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen;

- ten aanzien van de feiten 1 en 2 een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest,

- ten aanzien van feit 3 een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en

- ten aanzien van feit 4 een geldboete van € 320,-, subsidiair 6 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat verdachte al genoeg is gestraft en verzoekt aan hem geen straf of maatregel op te leggen. Subsidiair verzoekt hij uitsluitend een werkstraf op te leggen, omdat verdachte geen bron van inkomsten heeft om een geldboete te kunnen betalen. De werkstraf verzoekt hij zoveel mogelijk te matigen aangezien zijn cliënt nog openstaande werkstraffen dient uit te voeren.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft gevaarlijk gedrag vertoond in het verkeer door zich tijdens het rijden bezig te houden met het schoonmaken van de voorruit van zijn auto. Omdat hij hierdoor zijn aandacht niet op de weg had, heeft hij een fietsster aangereden. Na deze aanrijding reed verdachte in eerste instantie door. Bovendien beschikte verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten niet over een rijbewijs. Door zijn handelswijze heeft verdachte de verkeersveiligheid in hoge mate aangetast en nadat het inderdaad fout was gelopen, niet zijn verantwoordelijkheid willen nemen.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 en de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van dat feit.

Nu de rechtbank verdachte ten aanzien van feit 1 ontslaat van rechtsvervolging, zal zij een veel lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Oplegging van een geldboete acht zij niet zinvol, aangezien de raadsman heeft aangegeven dat verdachte niet beschikt over een inkomstenbron.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld op grond van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede met de omstandigheid dat aan verdachte een straf is opgelegd en dat hij nu schuldig wordt verklaard aan een misdrijf en overtredingen die voor die strafoplegging zijn gepleegd.

Alles afwegende acht de rechtbank voor feit 2 oplegging van een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 acht de rechtbank telkens een werkstraf van 15 uur, subsidiair 7 dagen hechtenis, passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 27, 46b, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7 en 107, 176, 177, 178 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

feit 2: overtreding van artikel 7, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 4: overtreding van artikel 107, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart dat verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit niet strafbaar is en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- verklaart verdachte strafbaar voor het overige bewezen verklaarde;

Strafoplegging

ten aanzien van feit 2;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 30 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

ten aanzien van feit 3;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 15 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 dagen;

ten aanzien van feit 4;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 15 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Bergen, voorzitter, mr. Van Kralingen en

mr. Bennenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 24 december 2008 te Waalwijk, ter uitvoering van het door

hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [initialen] [slachtoffer1] wederrechtelijk van de

vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, met dat opzet

* die [slachtoffer1] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of opgetild en/of

* (vervolgens) die [slachtoffer1] naar en/of in de richting van een bij hem,

verdachte, in gebruik zijnde auto heeft geduwd en/of gebracht en/of

* (vervolgens) die [slachtoffer1] in die auto heeft proberen te brengen en/of duwen

en/of

* nadat die [slachtoffer1] zich kon losmaken en/of losrukken en/of weg kon komen van

die auto, die [slachtoffer1] opnieuw heeft vastgepakt en/of naar die auto heeft

gebracht en/of getrokken en/of in die auto heeft proberen te duwen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 december 2008 te Waalwijk als bestuurder van een

motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een

verkeersongeval was veroorzaakt op de Groenstraat, de plaats van het ongeval

heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [initialen] [slachtoffer1]) letsel en/of schade was

toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3.

hij op of omstreeks 24 december 2008 te Waalwijk, als bestuurder van een

voertuig (personen)auto, daarmede heeft gereden over de weg, de Groenstraat,

zulks terwijl de voorruit zodanig ondoorzichtig althans aangevroren was, dat

hij, verdachte, (nagenoeg) geen althans onvoldoende uitzicht had op die weg

althans waardoor het zicht op die weg werd belemmerd

en/of

dat voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, althans de snelheid

daarvan niet tijdig en niet voldoende heeft verminderd, althans niet

behoorlijk is uitgeweken, althans niet voldoende maatregelen heeft genomen,

toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een aanrijding te

voorkomen met een zich voor zijn zijn, verdachte's, voertuig op die weg

bevindende fiets(ster),

door welke gedraging(en) van hem, verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

4.

hij op of omstreeks 24 december 2008 te Waalwijk als bestuurder van een

motorrijtuig ((personen)auto ) heeft gereden op de weg, de Groenstraat, zonder

dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116

lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de

categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994