Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN0354

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09/3376
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1812
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/3376

Uitspraakdatum: 17 maart 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Oss,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 26 juni 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het tijdvak 1 april 2006 tot en met 31 maart 2008 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting, aanslagnummer [nummer]F.02.8502, en de daarbij bij beschikking opgelegde verzuimboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [naam inspecteur].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-draagt de inspecteur op opnieuw op het bezwaar te beslissen;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 150 aan deze vergoedt.

2.Gronden

Ontvankelijkheid beroep

2.1.De inspecteur heeft op 26 juni 2009 uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft bij brief van 3 augustus 2009, ingekomen bij de rechtbank op 4 augustus 2009, beroep ingesteld bij de rechtbank. Belanghebbende heeft zijn beroep aangevuld in de brieven van 18 augustus 2009, 21 augustus 2009, 3 december 2009 en 5 februari 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het beroep voldoende gemotiveerd en is belanghebbendes beroep ontvankelijk.

Ontvankelijkheid bezwaar

2.2.Belanghebbendes bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet (tijdig) motiveren daarvan. In geschil is of dit terecht is gebeurd.

2.3.Uit de stukken blijkt dat de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek. In het rapport van 11 februari 2009 staat onder het kopje slotopmerking het volgende: “Belastingplichtige is 4 februari 2009 door [A] telefonisch op de hoogte gebracht van aard en de omvang van de correcties. Belastingplichtige is het er niet mee eens dat de Belastingdienst hem over de hele periode als ondernemer aanmerkt. Hij zal daarom bezwaar maken tegen de op te leggen aanslagen. Belastingplichtige is geadviseerd zich te laten ondersteunen door een belastingadviseur.”.

2.4.Gelet op het in 2.3 overwogene, was de inspecteur reeds bekend met het standpunt van belanghebbende en had hij belanghebbendes bezwaar daarom redelijkerwijs niet niet-ontvankelijk mogen verklaren vanwege het ontbreken van een motivering daarvan. De uitspraak op bezwaar is derhalve onjuist en moet vernietigd worden.

2.5 Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb de inspecteur dient op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld indien de rechter zelf in de zaak voorziet (zie Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41.130, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/290). Nu partijen de rechtbank niet hebben verzocht zelf in de zaak te voorzien zal de rechtbank de inspecteur opdragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet aanstonds duidelijk is dat belanghebbende niet is benadeeld indien de rechtbank de zaak zelf afdoet. In afwijking van hetgeen ter zitting is besproken heeft de rechtbank het beroep daarom bij uitspraak gegrond verklaard.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.S.J. Pijnenburg- Braspenning, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26 maart 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.