Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN0349

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09/268
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8496, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/55.2.2
FutD 2010-1818
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/268

Uitspraakdatum: 17 maart 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], domicilie kiezend te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor Buitenland, Heerlen

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 10 december 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 283.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.070 en de daarbij bij beschikking opgelegde heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde [naam gemachtigde], verbonden aan [kantoor] te [plaatsnaam], alsmede namens de inspecteur, [naam inspecteur]. De zaken met procedurenummers 09/268, 09/270, 09/271 en 09/272 zijn daar gelijktijdig behandeld. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 232.717 en handhaaft de overige elementen van de aanslag;

-vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 633;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende heeft in dienstbetrekking gewerkt bij [X] BV (hierna: [X]). Belanghebbende heeft met [Y] voor 1998 een profit participation agreement (hierna: PP-Agreement) gesloten, welke belanghebbende na de uitdiensttreding over een periode van vijf jaar recht geeft op uitkeringen afhankelijk van de winst gedurende de looptijd van de PP-Agreement. Belanghebbende heeft uit de PP-Agreement van 2000 tot en met 2005 totaal 20 kwartaaluitkeringen ontvangen.

2.2.De PP-Agreement is een overeenkomst die [X] met meerdere medewerkers heeft geloten. Met betrekking tot de PP-Agreement heeft [X] samen met de inspecteur van de belastingdienst (de eenheid Grote Ondernemingen Rotterdam) en iedere werknemer afzonderlijk een vaststellingsovereenkomst gesloten. De strekking van die overeenkomst is dat Nederland zodanig belasting heft over de inkomsten uit de PP-Agreement dat de totale heffing van de verschillende betrokken landen leidt tot een voor de inkomensgenieter en Nederlandse belastingdienst acceptabele totale heffing. In de overeenkomst staat onder meer het volgende:

“De fiscale consequenties van de overeenkomst zijn niet eenduidig vast te stellen. Daarom komen partijen het volgende overeen.

Het belastbare moment ligt op de tijdstippen waarop de uitkeringen feitelijk plaats vinden. De uitkeringen in geld worden aangemerkt als niet aan loonbelasting/premie volksverzekeringen onderworpen loon uit dienstbetrekking en worden als zodanig verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting. Het te hanteren tarief is het hoog bijzonder tarief, dat van toepassing is op het belastbare moment zoals dat geldt voor inkomsten die worden genoten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten. Voor 1995 geldt een percentage van 45%. Daarbij zijn de overige regels van het artikel dat het hoog bijzonder tarief regelt eveneens van toepassing.

(..)

Indien partij I (belanghebbende) gedurende de looptijd van de PP-Agreement zowel bij [X] (..) als bij een buiten Nederland gevestigde vennootschap van het [X] concern heeft gewerkt, wordt de heffing in Nederland beperkt tot het bedrag van de uitkering vermenigvuldigd met de breuk: In Nederland gewerkte PP-Agreement-diensttijd/totale PP-Agreement-diensttijd waarbij tevens pro-rata rekening wordt gehouden met de niet-terugvorderbare buitenlandse bronheffing, behoudens voorzover partij I tijdens de uitkeringen binnenlands belastingplichtig is. In dat geval vindt heffing plaats conform de Nederlandse fiscale wetgeving, waaronder het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989, en de eventueel van toepassing zijnde verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Met de Zwitserse bronheffing, waaronder een gedeeltelijke restitutie, wordt overeenkomstig met het verdrag met Zwitserland rekening gehouden (..).

Partij I verklaart dat hij ter zake van wat is overeengekomen geen gebruik zal maken van het recht van bezwaar en/of beroep. Het recht op bezwaar en beroep blijft echter bestaan in het geval dat er sprake is van daadwerkelijke dubbele belasting in internationaal verband, tenzij de buitenlandse belasting zijn grond vindt in een, met de buitenlandse overheid gesloten, compromis. Het bezwaar en beroep ziet bij daadwerkelijke dubbele belasting uitsluitend op de aanwending van heffingsrechten van Nederland. Indien de Nederlandse bezwaar- en beroepstermijnen zijn verstreken en de buitenlandse heffing zich pas later manifesteert, kan op grond dáárvan niet worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht heelt onder die omstandigheid de termijnoverschrijding.”.

Naar aanleiding van de invoering van de Wet IB 2001 is een aanvullende overeenkomst geloten tussen [X], belanghebbende en voornoemde inspecteur die ertoe heeft geleid dat vorenstaande heffing van 45% door die invoering niet is gewijzigd.

2.3.Belanghebbende heeft voor het onderhavig jaar aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De inkomsten uit de PP-Agreement heeft hij niet onder de inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking die niet onder de loonheffing vallen vermeld, maar bij de kolom waarbij verzocht wordt om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Hierbij heeft belanghebbende tevens het gehele bedrag van de ingehouden Zwitserse bronheffing vermeld. De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar is met dagtekening 8 december 2004 vastgesteld. Hierbij werd aan belanghebbende over de volledige inkomsten uit de PP-Agreement aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegekend.

2.4.Bij brief van 20 juli 2007 stelt de inspecteur enige vragen over de inkomsten uit de PP-Agreement en de wijze waarop deze in de aangiften inkomstenbelasting van de diverse jaren waren verantwoord. Naar aanleiding hiervan is met dagtekening 20 juni 2008 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd waarbij de inkomsten uit de PP-Agreement tot een bedrag van € 232.717 overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst in aanmerking zijn genomen. Tot een bedrag van € 50.703 verschillen partijen van mening over het jaar waarin dat bedrag moet worden betrokken.

2.5.In geschil is, naar de rechtbank verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

I Staat het ontbreken van een navordering rechtvaardigend nieuw feit in de weg aan de onderhavige navorderingsaanslag?

II Zo ja, heeft de inspecteur terecht de zesde termijn van € 50.703 in 2002 in aanmerking genomen?

2.6.De rechtbank stelt het volgende voorop. Vaststaat dat met betrekking tot de Nederlandse belastingheffing over de inkomsten uit de PP-Agreement over het onderhavige jaar een vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst is gesloten. In dat geval is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst en de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat belanghebbende en de inspecteur gehouden zijn aan die overeenkomst. (vergelijk Hoge Raad 4 december 1991, nr. 27 589, BNB 1992/61 en 2 juni 1993, nr. 28 294, BNB 1993/296). Dit brengt met zich mee dat belanghebbende in het onderhavige geval enkel met vrucht gebruik kan maken van de rechtsmiddelen bezwaar en beroep voorzover het niet in strijd komt met de uitvoering van die overeenkomst. Voorzover dat wel het geval is heeft belanghebbende afstand gedaan van de rechtsmiddelen bezwaar en beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende zich niet met succes kan beroepen op het mogelijk ontbreken van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De eerste in geschil zijnde vraag moet daarom bevestigend worden beantwoord.

2.7.Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur door het bedrag van € 50.703 in 2002 te belasten zich niet houdt aan de gesloten vaststellingsovereenkomst. De rechtbank merkt hierover het volgende op. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat het belastbare moment ligt op het moment van de feitelijke uitbetaling van de termijnen. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank acht dit juist, dat dit betekent dat de inkomst is ontvangen zo gauw belanghebbende daarover feitelijk kan beschikken. Nu uit het rekeningafschrift van belanghebbende blijkt dat de termijn van $ 39.037,97 (€ 50.703) is begrepen in het saldo op 28 december 2001 acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende al in 2001 feitelijk over dat bedrag heeft kunnen beschikken. De termijn is dan in 2001 ontvangen en is daarom in 2001 belastbaar. De inspecteur heeft die termijn dan ten onrechte in 2002 in aanmerking genomen. In zoverre is het beroep gegrond.

2.8.De inspecteur dient ingevolge artikel 30f van de AWR heffingsrente in rekening te brengen nu er sprake is van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Niet is gesteld of gebleken dat het bedrag van de heffingsrente in casu onjuist is vastgesteld. Nu de aanslag echter op grond van het voorgaande zal worden verminderd, zal ook de heffingsrente dienovereenkomstig moeten worden herzien.

2.9.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.10.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 633 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322).

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.S.J. Pijnenburg- Braspenning, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26 maart 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.