Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN0225

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
597953 ov 10-1705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Afwijzing verzoek tot ontslag huidige mentor en benoeming opvolgend mentor.

Toepassing artikel 1:452 BW: Wettelijke voorkeur als mentor te benoemen personen.

In verband met tweespalt in familie rechthebbende voorkeur voor professionele mentor die bovendien tevens bewindvoerder is."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 597953 OV VERZ 10-1705

beschikking d.d. 1 juli 2010 op een verzoek tot ontslag als mentor en benoeming opvolgend mentor

1. Het procesverloop

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. Op 22 april 2010 is ter griffie ontvangen een verzoekschrift met bijlagen van [zoon], hierna ook te noemen de zoon, wonende te [adres].

Het verzoek strekt tot ontslag als mentor van [huidige mentor], wonende te [adres], bij beschikking van de kantonrechter te

Bergen op Zoom d.d. 22 januari 2009 benoemd tot bewindvoerder en mentor over [rechthebbende], hierna te noemen rechthebbende, geboren op [datum], verblijvende in de psychiatrische inrichting van het GGZ WNB te 4661 AA Halsteren, Hoofdlaan 8.

De zoon verzoekt de kantonrechter hem te benoemen tot opvolgend mentor.

b. Een conclusie van antwoord op verzoek overdracht mentorschap.

c. Het proces-verbaal van gehoor van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van 2 juni 2010.

d. De brief van [zus], zus van rechthebbende, met bijlage, ingekomen op 4 juni 2010.

e. Het proces-verbaal van gehoor van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van 29 juni 2010.

1.2 De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

2. De beoordeling

2.1 Alvorens tot benoeming van een opvolgend mentor over te gaan dient de rechter zich op grond van artikel 1:452, lid 1 BW te vergewissen van de bereidheid van de te benoemen persoon en hij dient zich voorts een oordeel te vormen over de geschiktheid van die persoon om het mentorschap op zich te nemen. De zoon heeft zich bereid verklaard om het mentorschap over rechthebbende (zijn moeder) op zich te nemen. De vraag is of hij ook geschikt is voor deze taak en zo ja, of hij de meest geschikte mentor is. Bij de beoordeling van laatstgenoemde vraag dient het belang van rechthebbende voorop te staan.

2.2 In de leden 3 en 4 van artikel 452 van Boek 1 BW wordt een voorkeur uitgesproken voor een tot mentor te benoemen persoon. Als rechthebbende zijn voorkeur voor een tot mentor te benoemen persoon heeft doen blijken, is de rechter in beginsel verplicht deze voorkeur te honoreren (lid 3). Als rechthebbende zelf geen uitdrukkelijke voorkeur heeft of als de rechter die voorkeur niet volgt, wordt bij voorkeur een van de in lid 4 genoemde personen benoemd. Bij deze wettelijke voorkeur worden ook de kinderen van rechthebbende genoemd.

2.3 Lid 5 van genoemd artikel noemt nog een verdere voorkeur. De wet geeft hier aan dat het de voorkeur verdient om de taak van bewindvoerder en de mentor zoveel mogelijk in een hand te leggen.

2.4 Bij voormelde beschikking van 22 januari 2009 is de huidige mentor tevens benoemd tot bewindvoerder over rechthebbende. Daarmee is uitvoering gegeven aan in lid 5 genoemde voorkeur. De huidige mentor tevens bewindvoerder is destijds tevens benoemd op uitdrukkelijk verzoek van de beide dochters van rechthebbende, zijnde [dochter 1] en [dochter 2]. Ook rechthebbende heeft destijds ingestemd met deze benoeming.

2.5 Voorts was keuze voor een “neutrale” mentor tevens bewindvoerder ingegeven door een toen reeds bestaande tweespalt binnen de familie van rechthebbende. De zoon was op dat moment buiten beeld. In het dossier bevindt zich een rapport d.d. 26 november 2008 waarin ook al melding wordt gemaakt van de problematische verhoudingen binnen de directe familie van rechthebbende, waardoor (ook) gesprekken tussen de zorgverlenende instanties en de familie over de behandelingsmogelijkheden van rechthebbende niet mogelijk bleken.

2.6 Tijdens de mondelinge behandeling van 2 juni 2010 is de kantonrechter gebleken dat deze tweespalt binnen de familie van rechthebbende nog steeds bestaat. Genoemde [dochter 1] bleek inmiddels te zijn overleden terwijl de enige zoon [zoon] en de enige overblijvende dochter [dochter 2] lijnrecht tegenover elkaar staan. Dit ook wat betreft de beantwoording van de vraag wat het beste is in belang van rechthebbende (hun moeder). [dochter 2] verzet zich ook tegen benoeming van haar broer tot mentor over haar moeder. Zij wenst dat de huidige mentor aanblijft als mentor en dat haar moeder ook blijft in de psychiatrische inrichting te Halsteren waarin haar moeder thans verblijft. [zoon] wil zelf mentor worden en hij streeft een overplaatsing van zijn moeder naar de regio Rotterdam na. Dit is volgens hem in het belang van zijn moeder omdat daar het grootste gedeelte van de familie van zijn moeder woonachtig is.

De huidige mentor heeft tijdens de mondelinge behandeling van 2 juni 2010 benadrukt, dat het naar zijn mening in het belang is van rechthebbende dat zij in behandeling blijft in de psychiatrische inrichting waarin zij thans verblijft. Hij onderstreept ook zijn goede contacten met het behandelend personeel van deze inrichting.

2.7 De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld, dat hij rechthebbende en haar directe behandelaars persoonlijk wenst te horen zonder dat daar haar familie bij aanwezig is. Dit horen heeft plaatsgevonden op 29 juni 2010 in al genoemde inrichting. Rechthebbende verblijft aldaar in de afdeling De Slikke. De kantonrechter heeft aldaar gesproken met de behandelend psychologe en met een verpleegkundige. Rechthebbende is al langer bekend met schizofrenie en is zwak begaafd. De gesprekspartners benadrukken dat het in het algemeen goed gaat met rechthebbende en dat zij ook heel tevreden is met haar verblijf aldaar. Wel is duidelijk merkbaar bij rechthebbende, dat zij spanningen ervaart door de tweespalt binnen haar familie. Na een recent bezoek van haar zoon en nog enkele andere familieleden ging rechthebbende psychotisch reageren als gevolg van de spanningen die het bezoek kennelijk voor haar met zich meebracht. De behandelaars benadrukken voorts dat hun contacten met de huidige mentor uitstekend zijn. Onder meer ook de bezoekregeling wordt met de mentor besproken. De behandelend psychologe is voorstander van een verder verblijf van rechthebbende in Halsteren. Rechthebbende heeft 24-uurszorg nodig. Een aansluitend gesprek met rechthebbende blijkt moeilijk te voeren. Haar antwoorden zijn nogal psychotisch waarvoor de behandelend psychologe al gewaarschuwd had.

Wel heeft zij duidelijk kenbaar gemaakt dat zij aldaar wil blijven waardoor zij ook automatisch in de buurt van haar dochter [dochter 2] is. Rechthebbende wenst geen wijzigingen.

2.8 Gelet op bovenstaande is de kantonrechter van oordeel, dat in het belang van rechthebbende is, dat de huidige situatie ongewijzigd blijft. Dit geldt ook voor het benoemd blijven van de huidige mentor. Dit sluit ook aan bij de wettelijke voorkeur om bewindvoering en mentorschap in één hand te houden. Het verzoek van de zoon om ontslag van de huidige mentor en benoeming van hem tot opvolgend mentor zal hierna worden afgewezen.

Dit klemt te meer omdat ook niet is gebleken van voldoende geschiktheid van de zoon om de taak van mentor ten behoeve van zijn moeder in te vullen. Onweersproken is de zoon lang “uit beeld geweest” en heeft hij zich gedurende die tijd ook niet dan wel nauwelijks bekommerd om zijn moeder. Voorts vraagt het mentorschap rond rechthebbende naar het oordeel van de kantonrechter om een specifieke deskundigheid van de mentor. Het enkel bestaan van een familierelatie is hiervoor onvoldoende.

3. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. W.E.M. Verjans en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 1 juli 2010.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.