Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM9495

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
08/2295
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BR6092, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Formeel recht

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur, tegenover de onweersproken stelling van belanghebbende dat hij op woensdag 4 mei 2005 het aanslagbiljet heeft ontvangen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet vóór of uiterlijk op zaterdag 30 april 2005 ter post is bezorgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1646
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2295

Uitspraakdatum: 2 juni 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Heerlen,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 184.966. Tegelijkertijd is daarbij bij beschikking heffingsrente van € 7.750 in rekening gebracht en bij beschikking een boete van € 9.741 vastgesteld.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 april 2008 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 152.494, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 6.061 en de boetebeschikking vernietigd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 16 mei 2008, ontvangen bij de rechtbank op 21 mei 2008, beroep ingesteld. De griffier heeft daarbij van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.7.Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010 te Breda. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken bij de rechtbank bekend onder de procedurenummers 08/2295, 08/2296 en 09/668. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, ter bijstand vergezeld van zijn echtgenote, alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.8.Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010 te Breda. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken bij de rechtbank bekend onder de procedurenummers 08/2295, 08/2296 en 09/668. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, ter bijstand vergezeld van zijn echtgenote, alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.9.Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting een aanvulling op de pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Van het verder ter zitting verhandelde zijn processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften op dezelfde dag als deze uitspraak aan partijen zijn verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende, die de Nederlandse nationaliteit bezit, is in het onderhavige jaar werkzaam bij [X] (hierna: [X]) te [plaatsnaam]. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar van het [X] een van de Nederlandse inkomstenbelasting vrijgesteld salaris ontvangen. Deze vrijstelling is gebaseerd op artikel 19 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951, Trb. 1953,9 (hierna: het Verdrag). Belanghebbende is in dienst bij het Ministerie van Defensie. Aan hem is buitengewoon verlof verleend zonder behoud van bezoldiging. De echtgenote van belanghebbende geniet geen inkomen.

2.2.Aan belanghebbende is sinds 1979 een diplomatiek paspoort toegekend, dat elke drie jaren is verlengd.

2.3.Belanghebbende is niet premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen omdat hij op grond van artikel 6 Wet financiering volksverzekeringen (hierna: Wfv) in samenhang met artikel 14, eerste en tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1990 (hierna: BUB 1990) is uitgesloten van de verzekeringsplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.4.Belanghebbende heeft voor het doen van zijn aangifte uitstel verzocht. De inspecteur heeft vier maanden uitstel verleend.

2.5.De dagtekening van onderhavige aanslag is vrijdag 29 april 2005. Belanghebbende heeft die aanslag op woensdag 4 mei 2005 ontvangen.

3.Geschil

3.1.In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

1.Is de aanslag te laat opgelegd?

2.Dient de aanslag op nihil gesteld te worden in verband met diverse formele gebreken tijdens de bezwaar- en beroepsfase? Of dient de zaak terug te worden gewezen naar de inspecteur?

3.Is afgesproken het geding te beperken tot twee geschilpunten?

4.Heeft belanghebbende recht op algehele belastingvrijstelling, omdat hij in het bezit is van een diplomatiek paspoort? Of is belanghebbende niet meer belasting verschuldigd dan over de werkelijke inkomsten uit vermogen?

5.Heeft belanghebbende recht op aftrek van pensioenpremie?

6.Heeft belanghebbende recht op het premiedeel van de algemene heffingskorting?

7.Heeft belanghebbende recht op de arbeidskorting?

8.Dient de in rekening gebrachte heffingsrente te worden beperkt?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede op hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslag en de beschikking heffingsrente.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover het de aanslag betreft, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover het de aanslag betreft en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 152.494 met toepassing van de arbeidskorting van € 84 en concludeert voor het overige tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot het eerste geschilpunt

4.1.Artikel 11, derde lid, van de AWR, bepaalt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. Vaststaat dat aan belanghebbende tot 1 augustus 2002 uitstel is verleend voor de indiening van de aangifte. Gelet hierop verviel de bevoegdheid tot het vaststellen van onderhavige aanslag dus op 30 april 2005.

4.2Ingevolge artikel 5 van de AWR geldt als dagtekening van de vaststelling van een belastingaanslag de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking daarop heeft de Hoge Raad echter in zijn arresten van 7 februari 1990, nr. 26377, BNB 1990/86 en 7 juni 1995, nr. 29978, BNB 1995/266 bepaald dat niet de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend is indien aannemelijk is geworden dat het aanslagbiljet pas na de dagtekening ter post is bezorgd. In dat geval geldt de datum van de terpostbezorging als de datum van de vaststelling van de belastingaanslag.

4.3.Belanghebbende stelt onweersproken dat hij onderhavige aanslagbiljet pas op woensdag 4 mei 2005 heeft ontvangen. De inspecteur stelt daarentegen dat in afwijking van het normale traject het aanslagbiljet middels een zogenoemde penaanslag is opgemaakt op het belastingkantoor te Heerlen en wel op 25 april 2005. Hij heeft daartoe een afschrift van een resultatennota in het geding gebracht waarop een tweetal parafen en de datum 25 april 2005 staan vermeld. De inspecteur stelt verder dat er geen zinnige reden te bedenken is waarom het aanslagbiljet niet op of onmiddellijk na 25 april 2005 ter post is bezorgd.

4.4.In een geval als het onderhavige waarin niet gebleken is dat het aanslagbiljet aangetekend is verstuurd en waarin de inspecteur over de datum van terpostbezorging van het aanslagbiljet geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen, komt het risico van de onzekerheid omtrent de datum van terpostbezorging van het aanslagbiljet in het algemeen voor rekening van de inspecteur. Te meer nu van belanghebbende niet kan worden gevergd dat hij bewijs levert omtrent de datum van terpostbezorging door de inspecteur en de mogelijkheid dat het aanslagbiljet na het verstrijken van de aanslagtermijn ter post is bezorgd reëel geacht moet worden,

4.5.De inspecteur heeft als bewijs enkel een afschrift van de resultatennota, voorzien van de datum 25 april 2005 overgelegd. Verder heeft hij gesteld dat gelijktijdig met het aanslagbiljet de motivering van de afwijking van de aangifte is verzonden. Op deze brief is echter onder het kopje ‘datum’ slechts aangegeven ‘dagtekening aanslag’. Een specifieke datum is niet vermeld, zodat uit deze brief niet kan worden afgeleid dat die uiterlijk 30 april 2005 ter post is bezorgd. Nu belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat hij het aanslagbiljet op 4 mei 2005 heeft ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, gelet op het bewijs dat hij daartegenover in het geding heeft gebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet vóór of uiterlijk op 30 april 2005 ter post is bezorgd. De aanslag en de beschikking heffingsrente dienen dan ook te worden vernietigd. De overige geschilpunten behoeven dan geen behandeling meer.

4.6.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar, alsmede de aanslag en de beschikking heffingsrente;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr.drs. M.M. de Werd en mr. R.W. Otto, rechters, en door de voorzitter en mr. M. van Es-Hinnen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 8 juni 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.