Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM7246

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
211261 FA RK 09-4812
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Limitering Alimentatie, nieuw geval, verlenging termijn vanwege bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2010, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team familierecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 211261 FA RK 09-4812

beschikking betreffende levensonderhoud,

in de zaak van

(naam),

wonende te (plaats),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.J.M. Veth,

en

(naam),

wonende te (plaats),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.L.M. Gommers.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 10 november 2009 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 11 december 2009 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- de op 29 maart 2010 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen;

- de beschikking van de rechtbank van 13 oktober 1997;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 8 april 2010.

2. Het verzoek

De vrouw verzoekt te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot de dag waarop zij de 65-jarige leeftijd bereikt.

3. De beoordeling

3.1 Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast.

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van (23 september 1992) tot 7 januari 1998;

- Uit dit huwelijk is op (geboortedatum) geboren de minderjarige (naam),

- Ingevolge voormelde beschikking dient de man thans inclusief de wettelijke indexering € 374,22 per maand te betalen als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

- Daarnaast is de man een bijdrage verschuldigd ten behoeve van (minderjarige) ter hoogte van € 417,50 per maand.

3.2 De vrouw baseert haar verzoek tot verlenging van de onderhoudsverplichting van de man op artikel 1:157 lid 5 BW. Ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de onderhouds¬verplichting van de man jegens haar van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar die is aangevangen op 7 januari 1998. Zij stelt echter dat deze beëindiging van zó ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van deze in artikel 1:157 lid 4 BW genoemde termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat zij na de echtscheiding nagenoeg de volledige zorg voor (minderjarige) heeft gehad omdat de man vanwege zijn medische geschiedenis in de psychiatrie minder in staat was om voor (minderjarige) te zorgen. Zo is de man slechts éénmaal samen met (minderjarige) op vakantie geweest, toen (minderjarige) 8 jaar oud was. Hierdoor was zij niet in staat om fulltime te gaan werken. Toch is zij in staat geweest een baan te verwerven voor 32 uur per week maar dat gaf wel beperkingen in verband met de zorg voor (minderjarige). Bovendien vroeg en vraagt (minderjarige) zeer veel zorg. Hij is dyslectisch, hij volgt speciaal onderwijs, en is moeilijk in de omgang. Als gevolg van de zorg voor (minderjarige) heeft de vrouw een aanbod om senior medewerker en later teamleider te worden moeten afslaan. Bij die functies golden de voorwaarden dat zij flexibel en 40 uur per week moest werken. In 2004 is de vrouw tweemaal getroffen door een hersenbloeding. Zij is daardoor volledig arbeidsongeschikt geworden. Thans ontvangt zij een WAO-uitkering ter hoogte van € 931,85 per maand. Zij ontvangt een lagere WAO-uitkering omdat zij geen mogelijkheden heeft gehad fulltime te werken. Indien de partneralimentatie zou vervallen zou zij 30% in inkomen achteruit gaan. Haar situatie is onveranderlijk en zij zal niet meer in staat zijn nog zelfstandig enig inkomen te genereren, aldus de vrouw.

3.3 De man betwist dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is. Volgens de man is de terugval in inkomsten door het vervallen van partneralimentatie gezien het feit dat de vrouw de afgelopen drie jaar in een schuldhulpverleningstraject heeft gezeten en haar toekomstig recht op bijvoorbeeld huur- en zorgtoeslag slechts marginaal. Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de beëindiging ingrijpend is dan stelt de man dat deze beëindiging niet zodanig ingrijpend is dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd. Volgens de man heeft de vrouw onvoldoende gesteld en aangetoond dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daartoe voert de man aan dat partijen relatief kort gehuwd zijn geweest. De man betwist voorts dat de vrouw vanwege de zorg voor (minderjarige) niet de mogelijkheden had voor uitbreiding van haar werkzaamheden.

De man heeft steeds aangedrongen op een ruime omgang met (minderjarige) maar de vrouw heeft dit steeds tegengehouden. De man stelt dat hij weliswaar ziek is geweest maar dat dit geruime tijd is geleden en dat zijn ziekte niet aan de weg heeft kunnen staan aan omgang. Daarnaast zou de WAO volgens de man een stuk hoger hebben gelegen wanneer de vrouw wel had gekozen voor een leidinggevende functie. De behoefte van de vrouw is thans nog onvoldoende huwelijksgerelateerd, aldus de man.

3.4 De rechtbank overweegt dat artikel 1:157 BW, anders dan de daarvóór geldende wetgeving, uitgaat van de eindigheid van een opgelegde alimentatieverplichting en wel na verloop van 12 jaren. Dat brengt met zich dat slechts in gevallen waarin het beëindigen van de uitkering na de termijn van 12 jaar van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de uitkeringsgerechtigde niet kan worden gevergd, tot verlenging van de termijn kan worden overgegaan. In dit licht dient het verzoek van de vrouw dan ook te worden beoordeeld. Ten eerste dient derhalve te worden bezien of er sprake is van een ingrijpende inkomenswijziging en ten tweede welke bijzondere omstandigheden een rol spelen bij het verlengingsverzoek.

3.5 Bij de beoordeling van de ingrijpendheid van de inkomstenwijziging aan de zijde van de vrouw als gevolg van de beëindiging van de onderhoudsbijdrage door de man is het volgende van belang. Vaststaat dat in de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 13 oktober 1997 een onderhoudsbijdrage is vastgesteld die thans – geïndexeerd – € 374,22 per maand bedraagt. Naast deze onderhoudsbijdrage ontvangt de vrouw blijkens de over¬gelegde uitkerings¬specificaties een WAO-uitkering van circa € 935,46 netto per maand. Voorts is niet weersproken dat de vrouw, als gevolg van de in 2004 ontstane arbeids¬ongeschikt¬heid, niet meer in staat zal zijn om nog zelfstandig enig inkomen te genereren. Na het wegvallen van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage resteert derhalve een inkomen van € 935,46 netto per maand. De man heeft niet weersproken dat de vrouw reeds de maximale zorg- en huurtoeslagen toeslagen ontvangt zodat daarin geen (gedeeltelijke) compensatie van het wegvallen van de onderhoudsbijdrage kan zijn gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank is de daling aan inkomen bij het wegvallen van de onderhoudsbijdrage afgezet tegen het totale inkomen van de vrouw dermate substantieel, dat sprake is van een ingrijpende wijziging. De stelling van de man dat de vrouw thans vanwege de schuldsanering op een bestaansminimum leeft en dus feitelijk niet in een slechtere situatie terecht zal komen wordt gepasseerd. Immers, bij de beoordeling van de ingrijpendheid is van belang de mate van wijziging in inkomsten aan de zijde van de vrouw en niet de mate waarin de vrouw vrij is in het besteden van deze inkomsten.

3.6 Thans dient te worden beoordeeld of ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Van belang is dat op het moment dat de echtscheidingsbeschikking werd ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de Wet Limitering Alimentatie van toepassing was. Voor de vrouw gold derhalve dat de betalingsverplichting van de man na verloop van 12 jaar zou eindigen. Of er grond bestaat voor verlenging zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van deze wettelijke regeling. Het gaat erom of (door de vrouw te stellen) bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die, gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Naast de reeds genoemde financiële situatie waarin de vrouw verkeert, is van belang of zij in de afgelopen 12 jaar alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken en in hoeverre haar behoefte aan voortduring van de alimentatie nog verband houdt met het huwelijk. Uit het huwelijk van partijen is hun zoon (naam) geboren die ten tijde van de echtscheiding 5 jaar oud was. De vrouw was op dat moment 38 jaar oud. De vrouw heeft na het huwelijk een baan voor 32 uur per week aanvaard. Dat de vrouw ervoor heeft gekozen om, ondanks een (herhaald) aanbod daartoe, in de eerste zes jaren na het huwelijk niet fulltime te gaan werken in de functie van senior medewerker dan wel teamleider acht de rechtbank in het licht van de toenmalige leeftijd en de overigens niet betwiste problematiek van en zorg voor (minderjarige) niet onbegrijpelijk en niet verwijtbaar. In 2004 is de vrouw tweemaal getroffen door een hersenbloeding en is zij, buiten haar wil, volledig arbeidsongeschikt geraakt. Gelet op deze persoonlijke omstandig¬heden is de rechtbank van oordeel dat het de vrouw niet valt aan te rekenen dat zij gedurende de termijn van 12 jaar er niet in is geslaagd om haar leven zo in te richten dat zij volledig in haar eigen levens¬onder¬houd kan voorzien en dat de WAO-uitkering lager is dan wanneer zij voorafgaande aan haar arbeids¬ongeschiktheid fulltime had gewerkt. Gelet op de (bijzondere) zorg voor de zoon van partijen en de daarmee samenhangende keuze van de vrouw om in de eerste zes jaar na de echtscheiding niet fulltime te werken, acht de rechtbank de behoefte van de vrouw aan voortduring van de alimentatie nog in een zekere, beperkte, relatie staan met het huwelijk. Die relatie met het huwelijk is thans nog zodanig en de gevolgen van beëindiging zo ingrijpend dat beëindiging thans niet van de vrouw gevergd kan worden.

Gezien voorts de grondgedachte dat aan de financiële - door het huwelijk ontstane - banden een einde moet kunnen komen en in aanmerking genomen de duur van het huwelijk van 5,5 jaar zal de rechtbank de door de vrouw verzochte verlenging toewijzen voor een periode van 3 jaar, te rekenen vanaf 7 januari 2010. Als dan zal de man, na ommekomst van deze termijn, 15 jaar aan deze alimentatieverplichting hebben voldaan en acht de rechtbank de behoefte van de vrouw aan verdere voortduring van een uitkering tot levensonderhoud niet meer voldoende verband houden met het huwelijk. Daarom zal de rechtbank bepalen dat deze termijn van 3 jaar na ommekomst niet opnieuw kan worden verlengd.

3.7 Omdat tussen partijen sprake is van een relatie als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van artikel 237 Rechtsvordering zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank

verlengt de termijn gedurende welke de verplichting van de man om aan de vrouw een bijdrage te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud voortduurt met ingang van 7 januari 2010, met 3 jaar, derhalve tot 7 januari 2013;

bepaalt dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Noort, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: