Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM6317

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
09 / 2774 WMO en 09 / 3378 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 15, tweede lid, van de Wmo niet blijkt dat het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage door de gemeenteraad dient te geschieden. Uit de wetsgeschiedenis is evenmin af te leiden dat deze bevoegdheid exclusief is voorbehouden aan de gemeenteraad. De rechtbank heeft daarbij meerdere aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis betrokken. De rechtbank heeft afgeleid dat de inrichting van het eigenbetalingssysteem alleen beperkt is ter zake van de maximale hoogte van de eigen bijdrage alsmede de aanwijzing van het CAK als rechtspersoon die de eigen bijdrage vaststelt en int. De bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage is niet zodanig essentieel in de verhouding tussen raad en college dat de aard daarvan zich tegen delegatie aan het college zou verzetten. De delegatie heeft rechtsgeldig plaatsgevonden en het College was bevoegd de omvang van de eigen bijdrage te regelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 09 / 2774 WMO en 09 / 3378 WMO

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken van

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,

en

het Centraal Administratie Kantoor, gevestigd te ’s-Gravenhage,

verweerders.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 16 juni 2009 beroep ingesteld tegen het uitblijven van beslissingen op zijn bezwaren door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal

(het College) en het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het beroep tegen het College is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer 09 / 2774. Het beroep tegen het CAK is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer 09 / 3378 WMO.

Bij besluit van 1 juli 2009 (bestreden besluit I) heeft het College een beslissing op het bezwaar van eiser genomen inzake het opleggen van een eigen bijdrage in het kader van de Wet maatschappelijke Ondersteuning (Wmo).

Bij besluit van 26 februari 2010 (bestreden besluit II) heeft het CAK beslist op de bezwaren van eiser inzake de hoogte van de eigen bijdrage in het kader van de Wmo

Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiser mede gericht geacht tegen de bestreden besluiten.

De enkelvoudige kamer heeft de onderhavige zaak ingevolge artikel 8:10, tweede lid, van de Awb verwezen naar de meervoudige kamer.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 maart 2010 waarbij aanwezig waren eiser en zijn echtgenote. Het CAK is verschenen bij de gemachtigden mrs. J.S. Paulus van Pauwvliet en D.C.G. Laagland. Namens het College zijn P.L.W.G van de Molengraaf en mr. B. Hopman verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De echtgenote van eiser maakte gebruik van een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Bij brief van

5 december 2007 heeft het College medegedeeld dat door de inwerkingtreding van de Wmo per 1 januari 2007 een eigen bijdrage gevraagd kan worden voor het gebruik van de scootmobiel.

Het College heeft bij besluit van 31 januari 2008, verzonden 6 februari 2008, de echtgenote van eiser in het kader van de Wmo een Persoonsgebonden budget (Pgb) toegekend om hulp bij het huishouden in te kopen voor een bedrag van € 10,88 per uur. Voorts is in dit besluit medegedeeld dat voor de verstrekking van deze voorziening een eigen bijdrage verschuldigd is, waarbij de hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld door het CAK.

Het CAK heeft eiser op 20 augustus 2008 respectievelijk 2 september 2008 een factuur doen toekomen inzake de vastgestelde eigen bijdrage voor de scootmobiel en de hulp bij het huishouden.

Eiser heeft bij het CAK tijdig bezwaar gemaakt tegen deze facturen.

Het CAK heeft bij brief van 26 september 2008 eiser uitgelegd op welke wijze de eigen bijdrage is vastgesteld.

Naar aanleiding van deze brief van het CAK van 26 september 2008 heeft eiser op

2 oktober 2008 alsnog bezwaar gemaakt bij het College tegen de opgelegde eigen bijdragen.

Op 16 juni 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van beslissingen op bezwaar door zowel het CAK als het College.

Bij bestreden besluit I heeft het College het bezwaar van eiser van 2 oktober 2008 aangemerkt als een bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing tot het vaststellen van de maximale eigen bijdrage. Het College heeft zich voorts op het volgende standpunt gesteld. Beoordeeld dient te worden of voor de verstrekte Wmo-voorzieningen een eigen bijdrage verschuldigd is en wat er maximaal voor een voorziening opgelegd kan worden. Niet aan de orde is de vraag of het door het CAK feitelijk berekende bedrag correct is berekend, maar of de door het CAK opgelegde bijdrage lager is dan de door het College vastgestelde eigen bijdrage. Vastgesteld is dat de eigen bijdrage voor de scootmobiel per april 2008 aanvankelijk € 24,20 per vier weken bedroeg en dat deze in augustus 2008 met terugwerkende kracht vanaf april 2008 is vastgesteld op € 42,07. Voor de betwisting van de hoogte van de eigen bijdrage van € 42,07 dient eiser zich te wenden tot CAK, maar het is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om eiser pas in augustus 2008 te informeren over de verhoogde eigen bijdrage voor de scootmobiel met terugwerkende kracht tot april 2008. De eigen bijdrage voor de scootmobiel wordt daarom pas met ingang van 1 januari 2009 opgelegd. Op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Roosendaal 2008 is voor een Pgb met ingang van 1 januari 2008 een eigen bijdrage verschuldigd. Het CAK heeft in 2008 en 2009 een hogere eigen bijdrage opgelegd dan de eigen bijdrage die op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Roosendaal 2008 opgelegd had mogen worden. Het CAK dient een nieuwe berekening te maken. Het bezwaar van eiser is vervolgens door het College ongegrond verklaard.

Bij factuur van 30 juli 2009 heeft het CAK ingevolge artikel 6:18 en 6:19 van de Awb de eerdere facturen van 20 augustus 2008 en 2 september 2008 vervangen.

Bij het bestreden besluit II heeft het CAK de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Ter zitting is aan de orde gekomen dat het CAK naar aanleiding van het bestreden besluit I van het College bij factuur van 13 november 2009 de factuur van 30 juli 2009 heeft gewijzigd ter zake van de vastgestelde eigen bijdrage voor de scootmobiel.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de vastgestelde eigen bijdragen onredelijk hoog zijn. Het bedrag dat wordt gevraagd voor de hulp bij het huishouden is gelijk aan de hoogte van het toegekende Pgb. Eiser is niet in staat hulp bij het huishouden te kunnen inkopen voor dit bedrag.

Ter zitting heeft eiser medegedeeld dat zijn beroep zich niet langer richt tegen de eigen bijdrage voor de scootmobiel.

2.3 In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit is gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

In artikel 6:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering brengt in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien het bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, het bezwaar of beroep mede gericht geacht tegen het nieuwe besluit, tenzij met dat besluit aan het bezwaar of beroep volledig tegemoet is gekomen.

In artikel 6:20, vierde lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaar of beroep geacht wordt mede gericht te zijn tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoetkomt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo (voor zover hier van belang) stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

In artikel 15, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

In het tweede lid is bepaald dat de hoogte van de eigen bijdrage voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend kan worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld kan worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

In het derde lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.

Deze regels zijn gesteld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Besluit Wmo) van

2 oktober 2006 (Stb. 2006, 450).

In artikel 16 van de Wmo is bepaald dat een eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door een door de minister aan te wijzen rechtspersoon.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatschappelijke ondersteuning wordt als rechtspersoon als bedoeld in artikel 16 van de wet aangewezen het CAK, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.

Artikel 4.1 van het Besluit Wmo – voor zover in deze relevant – bepaalt:

1. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van de wet, mogen de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer bedragen dan

(…)

c. voor de gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar € 25,20 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 27.222 het bedrag van € 25,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 27.222;

(...)

2. De gemeenteraad kan de verschuldigde eigen bijdrage of het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, verlagen door het bedrag van € 17,60, het bedrag van € 25,20 of het percentage van 15 te verlagen of de overige in het eerste lid genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.

3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt.

In artikel 4.4, aanhef en onder a, van het Besluit Wmo is bepaald dat de eigen bijdrage niet wordt opgelegd voor zover binnen twee jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden.

In artikel 7 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Roosendaal 2008 (Verordening) is bepaald dat bij het verstrekken van voorzieningen op grond van deze verordening de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd is of de financiële tegemoetkoming wordt afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Roosendaal de omvang van deze eigen bijdrage, respectievelijk het eigen aandeel vast.

In de toelichting bij artikel 7 van de Verordening staat het volgende vermeld.

Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15, eerste lid van de wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. Het college heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen vast te stellen. Deze bedragen worden in het Besluit Wmo Roosendaal opgenomen.

In artikel 4, derde lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Roosendaal (Besluit Wmo Roosendaal) over de maximale eigen bijdrage per vier weken is – voor zover in deze relevant – het volgende bepaald:

Het maximale bedrag per vier weken dat gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt € 24,20 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven € 21.002,- dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% bedraagt.

In artikel 5 van het Besluit Wmo Roosendaal over de eigen bijdrage per uur is het volgende bepaald:

De eigen bijdrage per uur hulp bij het huishouden bedraagt:

a. voor schoonmaakwerkzaamheden en uitvoeren van lichte huishoudelijke taken, € 10,20.

2.4.1Ten aanzien van de beroepen van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op de bezwaarschriften door zowel het CAK als het College overweegt de rechtbank dat de termijn voor het nemen van de beslissingen op bezwaar ten tijde van het instellen van beroep was verstreken en dat verweerders bij de bestreden besluiten I en II alsnog een beslissing op het bezwaarschrift hebben genomen. De beroepen van eiser zijn met toepassing van artikel 6:20, vierde lid van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen deze besluiten. Niet is gebleken dat eiser nog een belang heeft bij de beoordeling van de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten door de beide verweerders. Eiser zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de beroepen tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

2.4.2 De rechtbank stelt vervolgens vast dat tussen partijen niet langer de eigen bijdrage ter zake van de scootmobiel in geding is.

2.4.3 Ten aanzien van het opleggen en vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage voor de hulp bij het huishouden overweegt de rechtbank als volgt.

2.4.4 De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het College gelet op

artikel 15 van de Wmo bevoegd is om de hoogte van de eigen bijdrage vast te stellen.

Ingevolge artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet worden gemeentelijke verordeningen door de gemeenteraad vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de gemeenteraad krachtens de wet aan het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester is toegekend.

Op grond van artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet kan de gemeenteraad de bevoegdheid om (onder meer) een verordening vast te stellen overdragen aan het college, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

De rechtbank stelt vast dat, overeenkomstig hetgeen in artikel 15, eerste lid, van de Wmo is bepaald, de gemeenteraad van de gemeente Roosendaal bij artikel 7 van de Verordening heeft bepaald dat bij het verstrekken van voorzieningen op grond van de Verordening de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd is.

Vervolgens heeft de gemeenteraad in de Verordening bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het College in het Besluit Wmo Roosendaal wordt vastgelegd. De rechtbank stelt vast dat hier sprake is van overdracht door de raad krachtens de wet als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet, welke in het normale bevoegdhedenstelsel als rechtsgeldig moet worden beschouwd. Dit zou echter anders kunnen liggen als de Wmo, zijnde de wet waarop de betreffende verordenende bevoegdheid berust, deze bevoegdheid aan de raad zou voorbehouden althans zich tegen delegatie daarvan zou verzetten.

De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 15, tweede lid, van de Wmo niet blijkt dat het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage door de gemeenteraad dient te geschieden. Uit de wetsgeschiedenis is evenmin af te leiden dat deze bevoegdheid exclusief is voorbehouden aan de gemeenteraad. De rechtbank heeft daarbij de volgende passages uit de wetsgeschiedenis betrokken.

In de nota van toelichting bij het Besluit Wmo is opgemerkt:

“De gemeenteraad is vrij om wel of niet in een verordening te bepalen of de aanvrager voor de voorziening een eigen bijdrage moet betalen dan wel voor een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming te regelen dat een deel van de kosten voor rekening van de aanvrager komen. Ook is de gemeenteraad vrij in de inrichting van het eigenbetalingssysteem. Aan de vrijheid van de gemeenteraad met betrekking tot de inrichting van het eigenbijdragesysteem Wmo zijn door de wetgever twee beperkingen gesteld. In de eerste plaats is in dit besluit geregeld welk inkomensafhankelijke maximum geldt en hoe dat berekend wordt. De gemeenteraad mag wel een lagere bijdrage opleggen, maar geen hogere. Daardoor heeft de gemeenteraad voldoende armslag om een eigen bijdragebeleid te voeren, zonder dat sprake is van het voeren van inkomensbeleid door de gemeenteraad in die zin dat er meer opgelegd wordt dan het bij wettelijk voorschrift geregelde maximum. Dat is dus niet toegestaan. In de tweede plaats wijst de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 16 van de Wmo de rechtspersoon aan die de eigen bijdrage vaststelt en int.”

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat de inrichting van het eigenbetalingssysteem alleen beperkt is ter zake van de maximale hoogte van de eigen bijdrage alsmede de aanwijzing van het CAK als rechtspersoon die de eigen bijdrage vaststelt en int. De rechtbank is niet gebleken dat in de verdere kamerstukken aan de orde is gekomen dat de vrijheid die de gemeenteraad heeft in de inrichting van het eigenbetalingssysteem voorts aanvullend beperkt is dat zij het college van burgemeester en wethouders deze bevoegdheid niet kan overdragen.

De rechtbank betrekt daarbij dat in de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 26 november 2004 over de invoering van de Wmo en eigenbijdragesystematiek (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29538, nr. 7), alsmede in het Verslag van een schriftelijk overleg over een brief staatssecretaris van VWS over haar brief van 26 november 2004 inzake de eigen bijdrage AWBZ/WMO (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 538, nr. 9) - samengevat - het volgende volgt:

“De voorstellen voor de eigen bijdrage AWBZ en Wmo sluiten aan bij de bestaande systematiek voor AWBZ en WVG. Zo bezien wordt van de gemeenten niet iets principieel nieuws gevraagd. Wel is het zo dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor een groter beleidsveld dan voorheen. Dat betekent ook dat de eigen bijdragen voor meer voorzieningen dan voorheen geïnd kunnen worden. De gemeente is binnen de aangegeven grenzen vrij zelf de gemeentelijke eigen bijdrage regeling Wmo vorm te geven.

De rechtbank acht voorts van belang dat in de betreffende kamerstukken op diverse plaatsen ook in algemene zin wordt gesproken van ‘de gemeente’. In dit verband verwijst de rechtbank naar de brief van de Staatssecretaris van VWS met antwoorden op nog openstaande vragen gesteld in de eerste termijn van het Algemeen Overleg op 20 april 2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29538, nr. 19). Hierin staat onder punt 39:

“Voor de vormgeving van de nieuwe eigen bijdrage systematiek verwijs ik u graag naar mijn brief terzake van afgelopen december (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 538, nr. 7). De hoofdlijn van de systematiek is dat gemeenten binnen grenzen de vrijheid krijgen om zelf een eigen bijdrage beleid te voeren. Door het anti-cumulatiebeding zullen cliënten voor AWBZ en Wmo tezamen nooit meer betalen dan de inkomensgerelateerde maximale eigen bijdrage Awbz. Gemeenten mogen niet meer eigen bijdragen vragen dan de kostprijs van de voorziening in kwestie. De gemeenten kunnen vrij beschikken over de opbrengsten van de eigen bijdrageregeling.”

Dat in artikel 4.1 van het Besluit Wmo, dat door de wetgever op grond van artikel 15, derde lid, van de Wmo is vastgesteld, als ook in de toelichting op dat artikel, veelal de gemeenteraad wordt genoemd als orgaan dat uitvoering kan geven aan artikel 15, eerste lid, van de Wmo leidt naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het vorengaande niet tot de conclusie dat de wetgever bedoeld heeft deze bevoegdheid voor te behouden aan de gemeenteraad.

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet gebleken dat de wetgever de verordenende bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdragen exclusief heeft willen toekennen aan de gemeenteraad. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage niet zodanig essentieel in de verhouding tussen raad en college is dat de aard daarvan zich tegen delegatie aan het college zou verzetten. De delegatie heeft dan ook rechtsgeldig plaatsgevonden en het College was derhalve bevoegd de omvang van de eigen bijdrage te regelen.

2.4.5 De rechtbank zal vervolgens ingaan op de vraag of het College bevoegd was op het bezwaar van eiser te beslissen.

Zoals de rechtbank reeds in het vorengaande heeft vastgesteld heeft de gemeenteraad bij Verordening vastgesteld voor welke voorzieningen in het kader van de Wmo een eigen bijdrage verschuldigd is. Het College heeft vervolgens in het Besluit Wmo Roosendaal de maximale eigen bijdrage per vier weken vastgesteld. Het is daarna op grond van artikel 16 van de Wmo in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatschappelijke ondersteuning aan het CAK om – op basis van de door het College verstrekte gegevens, en de inkomensgegevens van de belastingdienst en de eigen gegevens van eiser - een eigen bijdrage vast te stellen en te innen.

De rechtbank stelt vast dat eiser het niet eens is met hoogte van de vastgestelde eigen bijdragen door het CAK en dat het bezwaar zich daartegen richtte.

In artikel 6:4, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het maken van bezwaar tegen een besluit geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Nu de primaire besluiten zijn genomen door het CAK, is de rechtbank op grond van laatstgenoemd artikellid van oordeel dat eiser geen bezwaar had behoeven in te stellen bij het College. Het College had het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb moeten doorzenden aan het CAK. Nu het College beslist heeft op het bezwaar van eiser, is het bestreden besluit I naar het oordeel van de rechtbank door het College onbevoegd genomen. Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep bij de rechtbank bekend onder procedurenummer 09 / 2774 WMO gegrond is – zij het op andere dan de door eiser aangevoerde gronden – en dat het bestreden besluit I wordt vernietigd, wegens schending van het in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb neergelegde uitgangspunt dat het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen een beslissing neemt op het bezwaarschrift.

2.4.6 Ter zake het beroep tegen het bestreden besluit II overweegt de rechtbank als volgt.

Het CAK heeft in het bestreden besluit II aangegeven dat van het College is vernomen dat de totale kostprijs van het Pgb voor het zorgjaar 2008 € 2.178,- bedraagt. Ingevolge het Besluit Wmo Roosendaal bedraagt de eigen bijdrage voor de hulp bij het huishouden in 2008

€ 10,20 per uur. Voor drie uur in de week gedurende vier weken geldt derhalve een eigen bijdrage van € 122,40.

De rechtbank stelt vast dat het bedrag van € 122,40 is gebaseerd op het Besluit Wmo Roosendaal en dit bedrag niet hoger is dan de totale kostprijs van het Pgb over het zorgjaar 2008. Door het CAK is voorts vastgesteld dat de maximale periodebijdrage voor eiser

€ 279,10 bedraagt, welk bedrag niet in geding is. De eigen bijdrage voor de hulp bij het huishouden is gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.

De rechtbank heeft reeds onder 2.4.4 overwogen dat de delegatie van het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en het College bevoegd was de omvang van de eigen bijdrage te regelen. De rechtbank is ook anderszins niet gebleken dat de eigen bijdrage op grond van de Wmo, het Besluit Wmo en het Besluit Wmo Roosendaal onjuist is vastgesteld. De omstandigheid dat eiser stelt door de hoogte van de eigen bijdrage en het te ontvangen bedrag aan Pgb niet in staat te zijn om de hulp bij het huishouden in te kopen, kan niet leiden tot een lagere vaststelling van de eigen bijdrage.

Dit leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit II van het CAK ongegrond is.

2.5 Nu het beroep inzake procedurenummer 09 / 2774 WMO gegrond wordt verklaard, dient het College het griffierecht aan eiser te vergoeden. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser, zal een proceskosten¬veroordeling achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen tegen het uitblijven van de beslissingen op de bezwaarschriften

niet-ontvankelijk (09 / 2774 WMO en 09 / 3378 WMO);

verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I van het College gegrond en vernietigt het bestreden besluit (09 / 2774);

verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II van het CAK ongegrond (09 / 3378 WMO);

gelast dat het College aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. D.H. Hamburger, voorzitter, en J.G.M. Wouters en

M.C. Woudstra, leden, en door de voorzitter en mr. H.F. Klaver, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2010

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij gronden van uw beroep (ook ‘grieven’ genoemd) uitdrukkelijk verworpen. Indien u daarin niet wilt berusten, moet u tegen de uitspraak binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen.

Afschrift verzonden op: