Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM6313

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
09/4939
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting. Zij exploiteert een coffeeshop, waar zij horecadiensten verricht en softdrugs verkoopt. De horecadiensten vormen belaste handelingen, de verkoop van softdrugs niet. In geschil is het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van algemene kosten. De inspecteur berekent deze volgens de zogenaamde pro rata methode, belanghebbende staat een berekening op basis van werkelijk gebruik voor.

De rechtbank overweegt dat er slechts recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor zover de ondernemer de ingekochte goederen en diensten gebruikt voor belaste handelingen. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op aftrek van de voorbelasting voor zover deze ziet op niet-belastbare handelingen of niet-economische activiteiten.

Gelet op het Securenta-arrest is toerekening van de voorbelasting aan belaste handelingen op basis van beide methoden mogelijk. De inspecteur legt wel gegevens over inzake de pro rata-toerekening, belanghebbende brengt geen gegevens bij. Het gelijk is aan de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1416
NTFR 2010/1394 met annotatie van mr. dr. M.M.W.D. Merkx
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/4939

Uitspraakdatum: 23 april 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, cs, gevestigd te [plaatsnaam], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Helmond,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 9 oktober 2009 (aanslagnummer [aanslagnummer]B.01.9500) op het bezwaar van belanghebbende tegen het door haar op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 januari t/m 31 maart 2009 van € 2.079.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [namen]. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-verleent over het eerste kwartaal van 2009 teruggaaf omzetbelasting tot een bedrag van € 228;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 107,33.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting. Zij exploiteert een coffeeshop, waar zij horecadiensten verricht en softdrugs verkoopt. De horecadiensten vormen belaste handelingen (economische activiteiten). Verkopen van softdrugs vallen wegens hun illegale karakter buiten de sfeer van de omzetbelasting. Omdat bedoelde verkopen daardoor niet belastbaar zijn voor de omzetbelasting zijn deze verkopen aan te merken als niet in het economische verkeer verrichte activiteiten ofwel als niet-belastbare handelingen. Over het jaar 2009 bedraagt de verhouding omzet behaald met belaste handelingen ten opzichte van de omzet behaald met niet belaste handelingen 4 staat tot 96.

2.2.Belanghebbende heeft over het eerste kwartaal van 2009 een bedrag van € 2.079 aan omzetbelasting op aangifte voldaan. In deze aangifte is € 1.238 aan voorbelasting geclaimd. Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte tijdig bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij aangegeven dat over het onderhavig tijdvak een bedrag van € 5.689 aan voorbelasting niet is geclaimd. Dit bedrag betreft, naar de rechtbank begrijpt, de voorbelasting ter zake van de inkoopkosten van belanghebbende van goederen en diensten die zij zowel heeft gebruikt voor haar belaste handelingen als voor haar niet-belastbare handelingen (algemene kosten).

2.3.In geschil is of belanghebbende over het eerste kwartaal van 2009 tot het juiste bedrag aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Meer in het bijzonder is in geschil de methodiek die gehanteerd moet worden ten aanzien van het bepalen van het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van algemene kosten.

2.4. Artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 luidt, voor zover in dezen van belang, als volgt:

“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is

a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;

(…)

een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

(…)”

2.5. Gelet op het voornoemde artikel bestaat slechts recht op aftrek van voorbelasting voor zover de ondernemer de ingekochte goederen en diensten gebruikt voor belaste handelingen. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op aftrek van voorbelasting wegens door haar ingekochte goederen en diensten, voor zover zij deze goederen heeft gebruikt voor haar niet-belastbare handelingen of niet-economische activiteiten.

2.6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hiervoor genoemde algemene kosten aan belanghebbendes belaste handelingen zijn toe te rekenen naar rato van de op basis van de in 2.1 genoemde omzetverhouding tussen haar belaste economische activiteiten en haar niet-belastbare activiteiten. Belanghebbende vindt dat toerekening dient plaats te vinden op basis van het werkelijk gebruik dat zij heeft gemaakt van de desbetreffende goederen en diensten.

2.7.Het HvJ (EG) heeft in het arrest van 13 maart 2008 (Pb. C-116 van 9 mei 2008, het Securenta-arrest) als volgt beslist omtrent de te hanteren systematiek voor de splitsing van voorbelasting tussen een aan belaste handelingen toe te rekenen deel en een aan onbelastbare handelingen (ofwel niet-economische activiteiten) toe te rekenen deel: “Wanneer een belastingplichtige zowel economische – belaste of vrijgestelde – activiteiten verricht als niet-economische activiteiten, die buiten de werkingssfeer vallen van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, is de belasting over de toegevoegde waarde over de kosten verbonden aan de uitgifte van aandelen en atypische stille deelnemingen slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn. De vaststelling van de methoden en criteria voor de verdeling van de betaalde voorbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten in de zin van de Zesde richtlijn (77/388) behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten, die bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de systematiek van deze richtlijn en daarbij een berekeningsmethode moeten bepalen die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gedane kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten.”

2.8. Gelet op het Securenta-arrest oordeelt de rechtbank dat toerekening van de voorbelasting aan belaste handelingen in beginsel zowel mogelijk is naar rato van de omzetverhouding (de pro rata-toerekening) als op basis van werkelijk gebruik, in die zin dat beide methoden leiden tot een objectieve weergave van de kostentoerekening aan belanghebbendes activiteiten.

2.9.Nu de inspecteur wel gegevens heeft overgelegd inzake de pro rata-toerekening, doch belanghebbende geen gegevens heeft bijgebracht inzake de toerekening op basis van het werkelijk gebruik dient naar het oordeel van de rechtbank de door de inspecteur gehanteerde methodiek gevolgd te worden. De enkele stelling van belanghebbende dat het naar haar mening aannemelijk is dat het werkelijk gebruik van bepaalde goederen en diensten binnen haar onderneming niet overeenkomt met de pro rata verhouding zodat de aftrekbare voorbelasting berekend moet worden op basis van het werkelijk gebruik is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.10.Het gelijk is aan de zijde van de inspecteur. Voor dat geval heeft hij ter zitting verklaard dat een teruggaaf aan omzetbelasting moet worden verleend ter grootte van 4% van het onder 2.2 genoemde bedrag van € 5.689, is € 228. Voor het overige is aannemelijk gemaakt noch geworden dat er tot een te hoog bedrag aan omzetbelasting op aangifte is voldaan, danwel dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek van voorbelasting dan door de inspecteur reeds is toegestaan.

2.11.Gelet op het vorenoverwogene is beslist als voormeld.

2.12.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die

belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn in de samenhangende zaken bij de rechtbank bekend onder de nummer 09/4937, 09/4938 en 09/4939 op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld ad € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1), waarvan 1/3 deel of € 107,33 voor de onderhavige zaak.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase nu is gesteld noch gebleken dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en drs. J.M.C. Hendriks, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 29 april 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.