Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM5852

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
592022 az 10-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemersverzoek ontbinding arbeidsovereenkomst. Verzoek toegewezen op grond van verstoring in de arbeidsrelatie, welke in de risicosfeer van de werkgever ligt en ter zake waarvan de werkgever enig verwijt valt te maken. Aangeboden functie niet passend. Werkgever heeft risico aanvaard dat werknemer door haar (niet nader onderbouwde) kritische opmerkingen ten aanzien van functioneren en mogelijkheden van werknemer binnen de organisatie, het vertrouwen dat werkgever hem nog in aanmerking zou laten komen voor een passende functie, is verloren. Toekenning van een ontbindingsvergoeding met toepassing c-factor is 1,2.

Werknemer is na concessieovergang (na afwezigheid van enkele maanden) weer in dienst getreden bij werkgever. Op grond van artikel 37 lid 1 juncto artikel 38 lid 1 Wet Personenvervoer (WPV) behoud van loon nu dit is gebaseerd op CAO, dan wel bedrijfsregeling van overdragend concessiehouder. Geen overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Behoud van anciënniteit op basis van partijafspraak, dan wel CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team kanton Breda

zaak/rolnr.: 592022 AZ VERZ 10-104

beschikking d.d. 18 mei 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel, advocaat te Breda,

tegen:

de naamloze vennootschap VEOLIA TRANSPORT BRABANT N.V.,

gevestigd te (4800 DH) Breda, Mastbosstraat 12,

verweerster,

gemachtigde: mr. R.J.C. Brouwer, advocaat te Venlo.

1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 16 maart 2010 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;

b. het op 8 april 2010 ter griffie ontvangen verweerschrift met producties;

c. de brief van de gemachtigde van verzoeker van 12 april 2010, houdende een schriftelijke reactie op het verweerschrift en aanvullende producties.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Ter zitting is verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. Verwiel voornoemd, alsmede namens verweerster [X] (HR-manager), bijgestaan door mr. Brouwer voornoemd. Beide gemachtigden hebben ter gelegenheid van de zitting hun pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3 Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk “[verzoeker]” en “Veolia”.

2. Het verzoek en de beoordeling

2.1. [verzoeker] heeft verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2010 te ontbinden wegens gewichtige redenen, gelegen in een verandering van omstandigheden, onder toekenning aan hem ten laste van Veolia van een ontbindingsvergoeding ter hoogte van € 431.353,= bruto en een vergoeding van juridische kosten ter hoogte van € 6.000,= exclusief BTW.

2.2 Veolia heeft zich primair verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst en – voor het geval de ontbinding wordt toegewezen – subsidiair verzocht de verzochte ontbindingsvergoeding aan [verzoeker] te ontzeggen.

2.3 In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [verzoeker], geboren op 1 april 1958, is met ingang van 1 januari 1992 in dienst getreden bij Veolia in de functie van hoofd Financiën en Informatisering. [verzoeker] heeft vervolgens de functie van Directeur Rolgoed B.V. (een dochteronderneming van Veolia) bekleed en is laatstelijk vanaf 1 januari 2007 tot 14 december 2008 werkzaam geweest bij Veolia als manager Chipoffice tegen een beloning van € 9.108,= bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

b. Veolia is een transportonderneming die zich in Nederland bezig houdt met het streekvervoer over de weg, water en per spoor. Het openbaar busvervoer in Nederland vindt plaats via vervoersconcessies, hetgeen inhoudt dat degene aan wie de concessie wordt gegund, met uitsluiting van anderen het recht heeft om in dat gebied gedurende een bepaalde periode het openbaar vervoer te verrichten.

c. Bij brief van 15 juli 2008 heeft Veolia aan [verzoeker] bericht dat hij ten gevolge van het verlies van de concessie SRE/Utrecht Noord-West aan Connexxion op de transferlijst is geplaatst om te worden overgedragen aan Connexxion. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld: “Uitdrukkelijk dient vermeld te worden dat functioneren geen criterium is geweest.”

d. [verzoeker] is op 14 december 2008 overgegaan naar Connexxion en heeft hij bij een dochteronderneming van Connexxion, Techno Service Nederland, de functie van Controller bekleed tegen een beloning van € 9.290,16 bruto per maand. Connexxion heeft de voor [verzoeker] bij Veolia geldende arbeidsvoorwaarden mee overgenomen.

e. In de tussen Connexxion en [verzoeker] op 31 maart 2009 gesloten arbeids-overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

“Artikel 1 – Datum van ingang, duur arbeidsovereenkomst

Deze arbeidsovereenkomst treedt met ingang van 1 april 2009 in werking. U bent vanaf 14 december 2008 van rechtswege in dienst getreden bij Connexxion Openbaar Vervoer N.V.. Voor het berekenen van het aantal dienstjaren van de werknemer wordt de werknemer geacht in dienst te zijn getreden op 1 januari 1992.

(…)

Artikel 5 – Salaris

Het maandsalaris van de werknemer bedraagt € 9.290,16 bruto per maand (Cxx/Hay-schaal E, RSP 110,1265%) bij een fulltime dienstverband. Voor de werknemer geldt een arbeidspercentage van 100%.

(…)

f. Vanwege het verlies van de concessie Haaglanden aan Veolia heeft Connexxion [verzoeker] op de transferlijst geplaatst om te worden overgedragen aan Veolia. Connexxion heeft de plaatsing op de transferlijst bij brief van 19 mei 2009 aan [verzoeker] bevestigd.

g. Veolia heeft [verzoeker] bij brief van 29 mei 2009 medegedeeld dat hij vanwege de concessiewisseling zou worden overgedragen aan Veolia.

h. Op 16 juli 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [X], HR-manager bij Veolia. Tijdens dit gesprek is aan [verzoeker] een (combinatie)functie aangeboden, waarbij hij drie dagen per week te Zoetermeer werkzaam zou zijn als businesscontroler voor de concessie Haaglanden en twee dagen per week te Breda als businessanalist voor de afdeling Marketing en Development.

i. Bij e-mail van 11 augustus 2009 heeft [verzoeker] onder meer het volgende aan [X] bericht: “Ik heb dringend behoefte aan een nader gesprek. Ik heb namelijk grote twijfels of het mogelijk is om de functie van businesscontroller Haaglanden parttime in te vullen en wil daar graag afspraken over maken. Ook moeten er afspraken gemaakt worden over de wijze waarop de functie gecombineerd gaat worden met die van business analist. Voorts vind ik dat mijn arbeidsvoorwaarden gerespecteerd dienen te worden; ik wil geen verslechtering daarvan.”

j. Bij brief van 20 augustus 2009 heeft Veolia aan [verzoeker] naar aanleiding van de tussen hem en [X] gevoerde gesprekken onder meer het volgende bericht: “U treedt bij ons in dienst in een combinatiefunctie. Deze combinatie bestaat uit de volgende 2 onderdelen: business controller voor de concessie Haaglanden en business analist voor de afdeling Markering en Development. De verdeling welke we thans voorstaan is 60% business controller en 40% business analist. Na 6 maanden zal een evaluatie gesprek met u en de beide leidinggevenden plaatsvinden (de heer [Y], resp. de heer [Z]), om te bezien in hoeverre dit een werkbare situatie is voor alle betrokkenen. Los van bovenstaande afspraak geld dat als er een andere passende functie voorhanden komt in de tussenliggende periode, we hierover met u in overleg treden.

Arbeidsvoorwaardelijk kunnen we u het volgende aanbieden.

Een bruto jaarsalaris (inclusief 8% vakantiegeld en 1,15% eindejaarsuitkering) van EUR 108.000,=. De CAO Openbaar vervoer is van toepassing. Overeenkomstig uw afspraak bij Connexxion zullen we op jaarbasis een bedrag gelijk aan de waarde van 18 vakantiedagen storten op een rekening ten behoeve van de levensloopregeling. Met betrekking tot uw leaseauto (…) Uw norm leasebedrag (excl. Brandstof en BTW) bedraagt EUR 650,= per maand.”

k. In de toegezonden concept arbeidsovereenkomst heeft Veolia [verzoeker] verder een jaarlijkse bonus aangeboden van maximaal 20% van het basissalaris. In deze concept arbeidsovereenkomst staat verder vermeld: “Original first date of service will be January 1st 1992” [verzoeker] heeft deze arbeidsovereenkomst niet ondertekend.

l. Bij brief van 23 augustus 2009 heeft [verzoeker] het volgende aan [X] medegedeeld: “Ten aanzien van de wijze waarop de combinatiefunctie nu inhoudelijk wordt vormgegeven, heb ik geen problemen. Ik ben met name blij dat de komende maanden prioriteit wordt gegeven aan een goede start van de concessie Haaglanden. Ik zal mij als business controller volledig inzetten om van Haaglanden een succes te maken. (…) Zoals reeds mondeling en via e-mail aangegeven, heb ik grote moeite met het eenzijdig door Veolia verminderen van mijn arbeidsvoorwaarden.

(…)

De in uw brief voorgestelde arbeidsvoorwaarden wijken derhalve sterk af van de arbeidsvoorwaarden die ik bij Connexxion heb (c.q. welke ik tot november 2008 bij Veolia had). Gelet op het feit dat ik per 30 augustus a.s. van rechtswege van Connexxion naar Veolia overkom, is dit niet acceptabel.”

m. [verzoeker] is eind augustus 2009 aangevangen met de werkzaamheden behorende bij de aangeboden combinatiefunctie. Veolia heeft [verzoeker] vanaf 30 augustus 2009 beloond conform haar aanbod van 20 augustus 2009.

n. Bij e-mail van 9 september 2009 heeft [verzoeker] onder meer het volgende aan [X] medegedeeld: “Ik hecht eraan een aantal zaken kort aan je voor te leggen en met name te vragen om een gepaste en zorgvuldige afwikkeling op korte termijn. De betreffende problematiek zorgt inmiddels volstrekt onnodig voor spanningen binnen de arbeidsrelatie. Voor wat betreft de functie heb ik aangegeven voorlopig akkoord te gaan met de aangeboden combinatiefunctie. In feite is dit geen normale functie, c.q. combinatie van werkzaamheden. Het betreft ook een tijdelijke functie. Eerder heb ik aangegeven dat de functie feitelijk niet passend is. Een en ander heeft te gelden voor wat betreft de aard en het niveau van de werkzaamheden. Bovendien heb ik melding gemaakt van een aantal praktische bezwaren (aansturing en dergelijke) in relatie tot het uitvoeren van de functie. Desondanks heb ik aangegeven bereid te zijn, in afwachting van een andere passende functie op korte termijn, mij positief in te zetten. Dit laatste heeft overigens het nodige van mij gevergd daar waar al eerder al duidelijk was dat er nog passende functies voorlagen die op dat moment aan mij hadden kunnen worden aangeboden. Een andere kwestie betreft het aanpassen van mijn financiële arbeidsvoorwaarden. Ik heb al aangegeven dat daarvoor geen legitimatie aanwezig is. (…) Overigens heb ik mij steeds constructief opgesteld. In het gesprek op 27 augustus jl. heb ik nog aangegeven dat ik eventueel bereid ben te spreken over een bevriezing van mijn salaris gedurende een periode van twee jaar. Ook heb ik – wederom onverplicht – aangegeven dat ik bereid ben om eventueel genoegen te nemen met een beperkte aanpassing van het niveau van de leaseauto. De voorgestelde ingreep ten aanzien van mijn vaste salaris, het variabele salaris, de leaseauto en de vaste onkostenvergoeding acht ik echter niet akkoord.”

o. In reactie op voorgaande e-mail heeft [X] bij e-mail van 10 september 2009 onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht: “Ik betreur het feit dat dit blijkbaar bij jou heeft geleid tot spanningen binnen de arbeidsrelatie. Vanuit onze zijde kan ik dit niet onderschrijven. We gaan er nog steeds van uit dat we jou een passend aanbod hebben gedaan (en nogmaals zullen doen) en dat jij op een goede manier invulling kunt geven aan de combi-functie welke we voor jou vacant hebben en waarmee je inmiddels ook bent gestart. Dat we een verschil van mening hebben over wat een passend aanbod is, wil wat mij betreft niet zeggen dat er sprake is van een gespannen arbeidsrelatie.

(…)

Het is niet juist dat dit een tijdelijke functie is. Het is wel correct dat de ratio 60% business controller en 40% business analist wat kan variëren afhankelijk van het werkaanbod binnen een van beide afdelingen. Zoals ook aangegeven in onze brief van 20 augustus jl. hebben we afgesproken dat we na 6 maanden zullen evalueren om te kijken in hoeverre het een werkbare situatie voor alle betrokkenen zal zijn.

U geeft aan dat u eerder heeft aangegeven dat deze functie niet passend is. Wij onderschrijven dit niet.

(…)

De afspraak staat dat als er zich andere passende functies zich voordoen we hierover met u in gesprek gaan.

Ten aanzien van het financiële aanbod welke we u gedaan hebben. Het is juist dat er sprake is van een overgang van onderneming. Wij zijn dan ook verplicht om u een passend aanbod te doen. Een aanpassing van het salaris binnen redelijke grenzen kan aangemerkt worden als een passend aanbod. Binnen onze organisatie varieert de salarisrange van een business controller tussen de 4733 bruto per maand tot 6327 bruto per maand. Omdat u naast uw functie van business controller ook business analist bent hebben we uw salaris vastgesteld op 8.333,33 bruto per maand.”

p. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoeker] bij brief van 25 september 2009 Veolia verzocht om te bevestigen dat zij de (met Connexxion) overeengekomen arbeidsvoorwaarden zal nakomen en heeft de gemachtigde verzocht om een nader overleg met betrekking tot de (verdere) vervulling van de tijdelijke functie van [verzoeker].

q. Bij brief van 7 oktober 2009 aan de gemachtigde van [verzoeker] heeft Veolia zich op het standpunt gesteld dat de functie wat haar betreft passend is en niet tijdelijk is. Veolia wijst in deze brief voorts het voorstel van [verzoeker] om de functie extern te laten beoordelen op passendheid van de hand, omdat er toch geen passend alternatief voor [verzoeker] bij Veolia aanwezig is, ook al zou de conclusie van een derde zijn dat de aangeboden combinatiefunctie niet passend is.

r. Bij brief van 14 oktober 2009 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan Veolia medegedeeld dat er bij [verzoeker] de nodige spanningen zijn ontstaan en voorgesteld om een mediationtraject te volgen.

s. Hierop heeft Veolia positief gereageerd. Voorafgaand aan de mediaton heeft [verzoeker] zich op 26 oktober 2009 ziek gemeld.

t. De gemachtigde van [verzoeker] heeft deze ziekmelding bij brief van 28 oktober 2009 aan Veolia bevestigd en voorts bericht dat van Veolia verwacht kan worden dat zij de overeengekomen arbeidsvoorwaarden gedurende het mediationtraject en een eventueel noodzakelijke procedure nakomt.

u. De gemachtigde van [verzoeker] heeft bij e-mail van 4 november 2009 verzocht om de mediation plaats te laten vinden op zijn kantoor in plaats van op het kantoor van Veolia.

v. In reactie daarop heeft Veolia bij brief van 4 november 2009 aan de gemachtigde van [verzoeker] laten weten dat zij geen probleem heeft met het verschuiven van de locatie, maar dat bij haar de indruk ontstaat dat vanuit zijn zijde wordt aangestuurd op een onnodige escalatie. Veolia heeft in deze brief onder het volgende vermeld: “In uw schrijven van 25 september spreekt u uw teleurstelling uit over het feit dat we inhoudelijk niet zijn ingegaan op punten welke de heer [verzoeker] heeft geuit in de mail van 15 september betreffende verstoringen in de arbeidsrelatie. U heeft ons gevraagd om het initiatief te nemen om ten aanzien van een aantal punten de lucht te klaren en de heer [verzoeker] uit te nodigen voor een gesprek. In onze brief van 7 oktober hebben we onze beweegredenen gegeven waarom we niet 1:1 zijn ingegaan op de punten maar we hebben ook aangegeven dat vanuit onze zijde geen sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. We hebben vervolgens dan ook de heer [verzoeker] meteen uitgenodigd voor een gesprek op 8 oktober om de lucht te klaren. De heer [verzoeker] heeft hier meteen per mail op gereageerd dat hij graag een keer wilde langskomen maar dat het moment niet schikte (…) Vervolgens komt de heer [verzoeker] hierop later terug en geeft hij aan dat u hem afgeraden heeft om met ons het gesprek aan te gaan! (…) Wij hebben steeds aangegeven dat vanuit onze zijde geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Juist u kiest met uw opstelling en de wijze waarop u de heer [verzoeker] aanstuurt aan op een conflict. Desalniettemin zullen we vanuit onze zijde positief insteken in het mediationtraject…”

w. [verzoeker] heeft op 4 november 2009 de bedrijfsarts van Arboned, C. Bootsma, bezocht. Deze bedrijfsarts komt in zijn periodieke evaluatie van deze datum tot de volgende conclusie: “ten gevolge van werkgerelateerde problematiek (functie-inhoud / arbeidsvoorwaarden) bestaan er beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van betrokkene: werkgever en werknemer zijn in gesprek met elkaar > er is besloten het mediationtraject te bewandelen > de eerste sessie vindt plaats op 05 11 09; betrokkene is thans nog volledig arbeidsongeschikt voor het eigen werk. (…) gelet op de aard van de problematiek zou een voor beide partijen aanvaardbare oplossing binnen afzienbare tijd te verwezenlijken moeten zijn; de verwachting ten aanzien van de duur van de huidige arbeidsongeschiktheid is dan ook, dat deze niet lang hoeft te zijn”

x. De mediation is op 17 november 2009 beëindigd en heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.

y. De bedrijfsarts heeft op 18 november 2009 geconcludeerd dat de klachten en beperkingen van [verzoeker] zijn toegenomen en dat [verzoeker] nog volledig arbeidsongeschikt is voor zijn eigen of ander werk.

z. [verzoeker] heeft Veolia bij dagvaarding van 9 december 2009 in kort geding betrokken en daarbij veroordeling gevorderd van Veolia om de arbeidsvoorwaarden ten aanzien van het loon, het variabele loon, de leaseauto en de levensloopregeling, zoals deze golden voor [verzoeker] bij Connexxion, na te komen.

aa. Op 14 januari 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [X] in de aanwezigheid van de gemachtigden van partijen. Tijdens dit gesprek is door Veolia aan [verzoeker] voorgesteld om [verzoeker] een assessment af te nemen.

bb. De voorzieningenrechter heeft Veolia bij vonnis van 10 februari 2010 veroordeeld om aan [verzoeker] het loon van

€ 9.290,16 bruto per maand te betalen alsmede om de bedrijfsregelingen die gedurende het dienstverband met Connexxion voor [verzoeker] golden op het gebied van de variabele beloning en de ter beschikking gestelde leaseauto na te komen. De voorzieningenrechter heeft dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

cc. Veolia is in hoger beroep gegaan van voornoemd vonnis.

dd. Bij herstelvonnis van 7 april 2010 heeft de voorzieningenrechter het vonnis in kort geding alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Veolia betaalt inmiddels het hogere loon van € 9.290,16 bruto per maand aan [verzoeker].

ee. [verzoeker] is nog immer arbeidsongeschikt. Inmiddels is bij hem huidkanker geconstateerd.

2.4 [verzoeker] heeft zelf ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met Veolia verzocht en stelt dat hij daartoe feitelijk gedwongen wordt door Veolia.

Aan het verzoek heeft [verzoeker] in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat er na de overgang van Connexxion naar Veolia bij Veolia geen passende functie voor hem beschikbaar is. Volgens [verzoeker] kan de hem aangeboden combinatiefunctie van business controller en business analist niet worden gezien als een passende functie, nu er sprake is van een niet bestaande functie waarvoor geen functieomschrijving bestaat, de functie in de CAO veel lager wordt gehonoreerd als het door Veolia aangeboden loon van € 8.333,33, terwijl er ook op basis van de in het openbaar vervoer gehanteerde sociale plannen slechts sprake is van een passende functie als er één loonschaal verschil is en de functie voorts niet aansluit bij de door hem opgedane kennis en ervaring en qua taken en verantwoordelijkheden niet aansluit bij de vorige door hem bij Connexxion en Veolia uitgeoefende functies. [verzoeker] heeft betwist dat hij de combinatiefunctie als passend heeft aanvaard door deze al uit te oefenen.

In de tweede plaats heeft [verzoeker] aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat het vertrouwen in Veolia structureel is aangetast door de opstelling en handelswijze van Veolia. Volgens [verzoeker] heeft Veolia hem laten starten in een niet passende functie en haar toezegging dat dit slechts tijdelijk zou zijn en dat er zou worden omgezien naar een passende functie ingetrokken. Voorts is het vertrouwen volgens [verzoeker] aangetast doordat Veolia niet vanaf het eerste moment haar financiële verplichtingen jegens hem is nagekomen, alsmede doordat Veolia [verzoeker] tijdens het gesprek van 14 januari 2010 in negatieve zin heeft aangesproken op zijn functioneren, terwijl er geen sprake is van enig arbeidsdossier. Daarmee heeft Veolia duidelijk gemaakt dat zijn kansen op een passende functie op zijn niveau binnen Veolia nihil zijn, aldus [verzoeker]. Voorts heeft [verzoeker] ook in persoonlijke zin niets meer van Veolia mogen vernemen tijdens zijn arbeidsongeschiktheid.

In de derde plaats heeft [verzoeker] zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onderbouwd middels de stelling dat de opstelling van Veolia zijn herstel in de weg staat en dat derhalve voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer van hem kan worden gevergd.

2.5 Veolia heeft betwist dat zij [verzoeker] tot het indienen van een ontbindingsverzoek heeft gedwongen en verzoekt dan ook in de eerste plaats om afwijzing van het ontbindingsverzoek. In haar optiek is er geen sprake van een fundamenteel arbeidsconflict dat aan voortzetting van het dienstverband in de weg zou staan.

Veolia heeft aangevoerd dat zij [verzoeker] wel degelijk een passende functie met daarbij passende arbeidsvoorwaarden heeft aangeboden en aldus heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de Wet personenvervoer (WPV). De aangeboden combinatiefunctie is volgens Veolia vergelijkbaar met de functie van [verzoeker] binnen TSN en [verzoeker] is in juli 2009 ook akkoord gegaan met de functie. Enkel de praktische werkbaarheid van de combinatie van functies zou na een half jaar worden geëvalueerd. Veolia heeft betwist dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] de combinatiefunctie slechts tijdelijk zou uitoefenen. Bovendien is een combinatie van taken en functies niet ongebruikelijk in het hogere kader, zodat de niet-passendheid van de functie daar niet op kan worden gebaseerd aldus Veolia. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verschil in beloningschalen. Veolia heeft de combinatiefunctie immers – om aan [verzoeker] belangen tegemoet te komen – hoger gewaardeerd, zodat er feitelijk maar één loonschaal verschil is met de beloning die volgens [verzoeker] zou moeten worden betaald. Andere passende functies zijn bovendien (ook eerder) niet voorhanden geweest voor [verzoeker], aldus Veolia.

Veolia heeft voorts aangevoerd dat de omstandigheid dat er kritiek is geuit op het functioneren van [verzoeker] tijdens het gesprek van 14 januari 2010, alsmede dat zij in [verzoeker] niet de “verandermanager” ziet die de organisatie thans op de hogere posities behoeft, niet aan haar kan worden tegengeworpen. Zij heeft het afnemen van een assessment enkel geopperd om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen te laten zien welke ontwikkelingsmogelijkheden hij binnen de organisatie had. Daarbij heeft zij in het gesprek benadrukt dat de kennis van [verzoeker] hem geschikt en waardevol maakt als businesscontroller, c.q. businessanalist. Volgens Veolia kan niet gezegd worden dat zij heeft bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en kan haar ook een gebrek aan vertrouwen aan de zijde van [verzoeker] niet worden aangerekend. Het is juist dat zij niet is tegemoet gekomen aan de arbeidsvoorwaardelijke eisen van [verzoeker], maar zij heeft daarbij niet onzorgvuldig jegens [verzoeker] gehandeld. Zij heeft de dialoog steeds open gehouden, terwijl haar voorts niet het recht kan worden ontzegd om in een (appel)procedure te laten beoordelen wat haar verplichtingen als opvolgend concessiehouder op dit vlak zijn, aldus Veolia.

Tot slot heeft Veolia zich op het standpunt gesteld dat indien er wordt toegekomen aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, het toekennen van een vergoeding niet op zijn plaats is. [verzoeker] verzoekt immers zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, hetgeen in zijn risicosfeer ligt. Zou er al een vergoeding worden toegekend, dan moet daarbij volgens Veolia worden uitgegaan van een nieuw dienstverband met Veolia per 1 augustus 2009, aangezien anciënniteit op grond van de WPV niet meer overgaat en Veolia het voorstel van 20 augustus 2009 aan [verzoeker] waarin zij het behoud van dienstjaren aanbiedt, op dit punt intrekt.

2.6 De eerste vraag die naar het oordeel van de kantonrechter in het kader van het onderhavige ontbindingsverzoek dient te worden beantwoord is of de aan [verzoeker] door Veolia aangeboden combinatiefunctie van business controller en business analist is te kwalificeren als een passende functie. Immers, voor de kantonrechter staat vast dat op een opvolgende concessiehouder de verplichting rust om aan de werknemers die van de overdragend concessiehouder worden overgenomen eenzelfde, dan wel – indien eenzelfde functie niet voorhanden is binnen de organisatie van de opvolgend concessiehouder – een passende functie aan te bieden. De kantonrechter is het met Veolia eens dat van een opvolgend concessiehouder niet kan worden gevergd haar organisatie op dezelfde wijze in te richten als de overdragend concessiehouder, alsmede dat van een werknemer enige flexibiliteit mag worden verwacht in het aanvaarden van een andere (passende) functie indien zijn oude functie binnen de nieuwe werkgever niet voorhanden is. De kantonrechter gaat daarbij uit van de WPV als toetsingskader. Immers, van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals door [verzoeker] primair betoogd – is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. De kantonrechter sluit daarbij aan bij het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft gegeven in het vonnis in kort geding van 10 februari 2010. Nu er bij de overgang van de concessie Haaglanden van Connexxion naar Veolia enkel personeel is overgedragen en geen materieel of middelen en busvervoer niet kan worden aangemerkt als een activiteit waarin arbeidskrachten de belangrijkste factor zijn, kan in de lijn van het Finse busvervoerarrest, niet gezegd worden dat sprake is geweest van de overgang van een economische eenheid. Daarbij doet – ook naar het oordeel van deze kantonrechter – niet ter zake of het overgedragen personeel in een afzonderlijke vennootschap is ondergebracht, aangezien het begrip economische eenheid niet gebonden is aan een rechtsvorm.

2.7 Veolia gaat er vanuit aan [verzoeker] een passend aanbod te hebben gedaan in het gesprek op 16 juli 2009 en later bij brief van 20 augustus 2009, zowel wat betreft functie als de daarbij behorende arbeidsvoorwaarden. De kantonrechter volgt Veolia niet in deze stelling. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de laatstelijk door hem uitgeoefende functie van controller bij Connexxion (althans dochteronderneming TSN) qua inhoud en verantwoordelijkheid in niveau verschilt van de aangeboden combinatiefunctie van business controller en business analist. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij bij Connexxion leiding gaf aan drie tot vier mensen, functionerend op HBO-niveau, terwijl hij bij Veolia als business controller van de concessie Haaglanden hooguit leiding zou gaan geven aan één medewerker, functionerend op MBO-niveau. Daarbij heeft [verzoeker] verklaard dat hij de (administratieve) werkzaamheden die hij bij TSN zou uitbesteden aan ondergeschikt personeel, thans bij Veolia zelf voor zijn rekening neemt, zoals het opstellen van een begroting. Dat de afdeling Finance in de concessie Haaglanden nieuw is en moet worden opgezet en dat hij vanwege zijn kennis van de processen bij Veolia geschikt is om daaraan bij te dragen heeft [verzoeker] beaamd, maar maakt niet dat de functie passend is. Daar komt bij dat de functie van business controller zou worden gecombineerd met de functie van business analist. Ten aanzien van deze laatste functie heeft Veolia niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat dit een louter administratieve functie behelst, zonder beleidsverantwoordelijkheid, terwijl voorts vast staat dat [verzoeker] deze verantwoordelijkheid wel droeg in zijn functie bij TSN.

2.8 Het voorgaande in combinatie met de omstandigheid dat de functies van business controller en business analist ook volgens Veolia (getuige de brief van 10 september 2009) gewoonlijk op een veel lager niveau worden beloond, dan het laatstelijk door [verzoeker] bij Connexxion en daarvoor bij Veolia verdiende loon, maakt dat de combinatiefunctie naar het oordeel van de kantonrechter niet als een passende functie is te kwalificeren. Dat [verzoeker] vanaf eind augustus 2009 wel is aangevangen met zijn werkzaamheden als business controller maakt dit niet anders. [verzoeker] heeft in zijn brief van 23 augustus 2009 weliswaar de suggestie gewekt dat hij de functie als passend aanvaardt, maar uit de brief van 9 september 2009 blijkt duidelijk dat [verzoeker] te dien aanzien een voorbehoud heeft gemaakt. Dat dit voorbehoud in de voorafgaande gesprekken ter tafel is gekomen ligt voor de hand gezien de toezegging van Veolia in haar brief van 20 augustus 2009 om in overleg te treden met [verzoeker] op het moment er in de genoemde periode van zes maanden een andere passende functie voorhanden komt.

2.9 Tot een overleg over een andere functie voor [verzoeker] bij Veolia is het niet gekomen. Partijen hebben wel – eerst zelf en later vertegenwoordigd door hun gemachtigden – gecorrespondeerd en later geprocedeerd over de door Veolia na te leven arbeidsvoorwaarden. Dit heeft [verzoeker] kennelijk zo aangegrepen dat hij arbeidsongeschikt is geraakt. De bedrijfsarts bevestigt een beperking van [verzoeker] voor het uitoefenen van zijn werk vanwege werkgerelateerde problematiek. Veolia mag zich niet herkennen in het bestaan van een arbeidsconflict en het verschil van mening zuiver zakelijk benaderen, maar moet op enig moment toch onderkennen dat de situatie voor [verzoeker] wel als problematisch wordt ervaren.

2.10 Uiteraard stond en staat het Veolia vrij om in rechte te laten onderzoeken of haar standpunt ten aanzien van de voor haar uit de WPV voortvloeiende verplichtingen juridisch juist is. Het is naar het oordeel van de kantonrechter echter op zijn minst merkwaardig te noemen, dat Veolia vanaf het begin van de onderhandelingen met [verzoeker] in juli 2009 direct inzet op een aanzienlijk lagere beloning dan [verzoeker] verdiende toen hij acht maanden daarvoor bij Veolia als manager Chipoffice in dienst was en de overstap naar Connexxion maakte. Dit terwijl Connexxion – zo staat vast – louter de arbeidsvoorwaarden van [verzoeker] bij Veolia heeft gerespecteerd.

2.11 Door stellig vast te houden aan het lagere loon en de overige versoberde arbeidsvoorwaarden ter zake de bonusregeling en de lease-auto, heeft Veolia naar het oordeel van de kantonrechter de arbeidsrelatie met [verzoeker] onder spanning gezet. De weinig flexibele opstelling van Veolia in de discussie ten aanzien van de passendheid van de combinatiefunctie (waar zij op 7 oktober 2009 het voorstel van [verzoeker] om de functie op passendheid te laten beoordelen door een onafhankelijke derde zonder meer van de hand wijst) heeft de druk op deze relatie verder doen toenemen.

Als een vervolgens opgestart mediationtraject de lucht tussen partijen niet klaren, heeft het gesprek van 14 januari 2010 plaats.

2.12 Waar in de stukken van partijen een verschillend beeld van deze bespreking naar voren komt, wordt ter zitting duidelijk dat [X] op 14 januari 2010 ter sprake heeft gebracht dat er met name bij de directie van Veolia een negatief beeld bestaat omtrent het functioneren van [verzoeker] en dat [verzoeker] in verband wordt gebracht met de “slaperige en besmette OV-cultuur”, die naar de mening van Veolia voorheen binnen het bedrijf heerste.

Met de voorgestelde assessment zou [verzoeker] dit negatieve beeld kunnen ombuigen en laten zien dat hij wel de “verandermanager” is waaraan Veolia behoefte heeft.

2.13 Ongeacht of daarnaast ook de kwaliteiten van [verzoeker] op finance-gebied en zijn geschiktheid voor de reeds aan hem aangeboden functie door Veolia zijn genoemd, had Veolia moeten begrijpen dat zij met deze (niet nader onderbouwde) kritiek aan het adres van [verzoeker] de relatie tussen partijen onnodig verder onder druk zette. De kantonrechter acht aannemelijk dat [verzoeker] gezien deze kritische opmerkingen van Veolia omtrent zijn functioneren en mogelijkheden binnen de (kennelijk) nieuwe cultuur van de organisatie en de omstandigheid dat hem tot dat moment geen passende functie was aangeboden door Veolia (daargelaten of deze voorhanden is geweest) het vertrouwen in Veolia als werkgever is kwijtgeraakt. Met andere woorden, aannemelijk is dat [verzoeker] er geen vertrouwen meer in had dat Veolia hem ooit nog een passende functie met de daarbij behorende eindverantwoordelijkheid op managementniveau zou bieden. Daargelaten of het assessment zoals door Veolia voorgesteld daar verandering in zou brengen, heeft naar het oordeel van de kantonrechter te gelden dat van een werknemer, die bovendien arbeidsongeschikt is, niet kan worden verlangd zich aan een dergelijk open assessment te onderwerpen.

2.14 Gezien de tussen partijen ontstane vertrouwensbreuk ziet de kantonrechter aanleiding om het verzoek van [verzoeker] in te willigen en de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Veolia met ingang van 1 juni 2010 te ontbinden.

2.15 De vraag of in het kader van deze ontbinding aan [verzoeker] een vergoeding dient te worden toegekend is gezien het voorgaande reeds beantwoord. Niet gezegd kan worden dat de verzochte ontbinding in de risicosfeer van [verzoeker] ligt en dat hieraan louter privé-redenen ten grondslag liggen. De kantonrechter heeft geen reden om aan te nemen dat [verzoeker] dient te worden gekwalificeerd als een “gelukszoeker”. Integendeel, Veolia had gelet op het feit dat er al sprake was van een juridisch conflict tussen partijen omtrent de naleving van arbeidsvoorwaarden en [verzoeker] ten gevolge van dit conflict arbeidsongeschikt was geraakt, moeten begrijpen dat zij met haar opmerkingen omtrent het negatieve beeld van de directie en de “besmette OV-cultuur” tijdens het gesprek op 14 januari 2010 het vertrouwen van [verzoeker] in Veolia onherstelbaar zou schaden. Zij heeft op zijn minst de niet te verwaarlozen kans aanvaard dat de arbeidsrelatie hierdoor onherstelbaar verstoord zou raken. Daarmee komt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de risicosfeer van de werkgever te liggen en maakt het voor de hoogte van de vergoeding geen verschil meer dat het onderhavige ontbindingsverzoek door de werknemer is ingediend.

2.16 Ten aanzien van de hoogte van de ontbindingsvergoeding overweegt de kantonrechter verder het volgende.

2.17 De kantonrechter gaat bij het vaststellen van de vergoeding uit van het loon dat [verzoeker] laatstelijk bij Connexxion heeft verdiend, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de over de laatste drie jaar door [verzoeker] gemiddeld verdiende structurele bonus. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat het maandelijkse loonbedrag alsdan uitkomt op € 10.955,= bruto.

De kantonrechter volgt daarbij – grotendeels – de redenering van de voorzieningenrechter in het vonnis in kort geding van 10 februari 2010.

Ingevolge artikel 37 lid 1 juncto artikel 38 lid 1 onder a. en b. WPV gaan bij een overgang van een concessie de rechten en plichten van een werknemer jegens de overdragend concessiehouder, die voortvloeien uit een collectieve arbeidsovereenkomst dan wel uit een bedrijfsregeling van de overdragend concessiehouder, over op de nieuwe concessiehouder.

Voldoende aannemelijk is dat het loon dat [verzoeker] bij Connexxion verdiende is gebaseerd op de CAO Openbaar vervoer, dan wel een bedrijfsregeling. In artikel 5 van de arbeidsovereenkomst van 31 maart 2009 wordt immers verwezen naar de Hay-schaal E, hetgeen een beloningschaal is die wordt gehanteerd in artikel 21 van de CAO juncto bijlage 12A bij de CAO. De kantonrechter volgt Veolia in die zin dat Connexxion eigen loonschalen lijkt te hanteren, echter, deze zijn gezien de verwijzing naar de Hay-schalen, gebaseerd op de CAO en vormen anderszins een bedrijfseigen regeling, zodat het loon van [verzoeker], dat is gebaseerd op deze bedrijfsregeling, moet worden geacht mee over te zijn gegaan naar Veolia na de concessieovergang. Veolia bepleit (wederom) dat enkel bedrijfsregelingen die zijn genoemd in het kader van het overleg tussen de oude en de nieuwe concessiehouder zoals voorgeschreven in artikel 40 WPV, mee overgaan naar de nieuwe concessiehouder, maar de kantonrechter ziet voor deze uitleg van artikel 40 WPV geen aanknopingspunten in de wet, noch in de parlementaire geschiedenis.

Los van het voorgaande heeft te gelden dat Connexxion de arbeidsvoorwaarden zoals deze tot 14 december 2008 voor [verzoeker] bij Veolia golden, na de concessieovergang in de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft gerespecteerd. [verzoeker] verdiende op 14 december 2008 een loon van € 9.108,= bruto per maand bij Veolia. Connexxion heeft [verzoeker] beloond op basis van een nabij dit loon gelegen loonschaal. Dat de wetgever met de WPV heeft beoogd de overgang van zuiver individuele arbeidsvoorwaarden naar de opvolgend concessiehouder uit te sluiten teneinde excessen te voorkomen, neemt de kantonrechter aan, maar gezien het voorgaande kan niet gezegd worden dat het strijdig is met de bedoeling van de WPV als Veolia – na een afwezigheid van slechts acht maanden – gehouden wordt om het loon van [verzoeker] bij Connexxion, ter hoogte van € 9.290,16, te handhaven.

2.18 Partijen verschillen voorts van mening over het aantal dienstjaren waarmee bij de, vaststelling van de ontbindingsvergoeding rekening moet worden gehouden.

Vast staat dat Veolia bij de terugkeer van [verzoeker] in juli 2009 is uitgegaan van een behoud van anciënniteit. In de arbeidsovereenkomst die zij aan [verzoeker] heeft voorgelegd, heeft Veolia in artikel 1 opgenomen dat [verzoeker] voor het berekenen van het aantal dienstjaren wordt geacht in dienst te zijn getreden per 1 januari 1992. In de onderhavige procedure heeft Veolia zich echter op het standpunt gesteld dat haar aanbod zoals gedaan in de concept arbeidsovereenkomst is komen te vervallen, nu deze niet door [verzoeker] is ondertekend. Volgens Veolia moet dan ook rekening worden gehouden met een indiensttreding per 1 augustus 2009.

Daargelaten dat dit standpunt van Veolia enigszins onsympathiek overkomt, houdt het naar het oordeel van de kantonrechter geen stand. [verzoeker] is de aangeboden combinatiefunctie gaan verrichten en Veolia heeft hem beloond conform haar aanbod van 20 augustus 2009. Gegeven de discussie tussen partijen omtrent de exacte hoogte van het basisloon, de variabele beloning, de lease-auto en de passendheid van de functie, kan gezegd worden dat tussen hen in ieder geval een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen met de op 20 augustus 2009 aangeboden arbeidsvoorwaarden als minimumvoorwaarden. Intrekking van de aangeboden anciënniteit is daarmee niet langer mogelijk.

Bovendien is niet in geschil dat Veolia ten aanzien van al haar arbeidsovereenkomsten de CAO Openbaar vervoer toepast en dat Veolia (gezien de brief van 20 augustus 2009) deze CAO tevens van toepassing acht op de arbeidsovereenkomst met [verzoeker]. In het zesde lid van artikel 23 van de CAO is bepaald dat de dienstjaren die een werknemer direct voorafgaand aan het dienstverband in dezelfde functie bij een ander openbaar vervoerbedrijf in Nederland heeft opgebouwd worden meegeteld ter bepaling van de anciënniteit. Alhoewel [verzoeker] vanaf 1 januari 1992 bij Veolia en Connexxion strikt genomen niet telkens dezelfde functies heeft uitgeoefend, heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter gezien de strekking van deze bepaling ook op grond van de CAO recht op behoud van anciënniteit. Het gaat immers, zo blijkt ook uit onderdeel b. van het zesde lid, om ervaringsjaren binnen het openbaar vervoer.

De kantonrechter zal aldus bij de vaststelling van het aantal dienstjaren uitgaan van een indiensttreding van [verzoeker] bij Veolia per 1 januari 1992.

2.19 Aldus komt de kantonrechter toe aan de invulling van de C-factor. Zoals overwogen komt de kantonrechter tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een vertrouwensbreuk die in de risicosfeer van Veolia ligt. Veolia valt bovendien – gezien de overwegingen 2.10 tot en met 2.13 – een zodanig verwijt te maken ten aanzien van het verstoord raken van de arbeidsrelatie tussen partijen dat de c-factor in het kader van dit werknemersverzoek (iets) hoger uitvalt dan 1.

[verzoeker] heeft meerdere verwijten aan het adres van Veolia gemaakt teneinde te beargumenteren dat de c-factor 1,75 zou moeten zijn. Voor zover de kantonrechter deze verwijten al niet in de voorgaande beoordeling heeft betrokken, overweegt zij het volgende.

2.20 Alhoewel op basis van de conclusies van de bedrijfsarts vast staat dat [verzoeker] in eerste instantie arbeidsongeschikt is geraakt ten gevolge van het geschil tussen partijen omtrent de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en de passendheid van de functie, gaat de kantonrechter niet mee in de stelling van [verzoeker] dat zijn arbeidsongeschiktheid door Veolia is veroorzaakt. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat Veolia het conflict anders dan louter zakelijk heeft benaderd. Dat deze zakelijke benadering [verzoeker] op sommige momenten misschien in het verkeerde keelgat is geschoten, kan zo zijn, maar maakt niet dat Veolia ter zake een verwijt valt te maken. De omstandigheid dat een zakelijk conflict een werknemer persoonlijk zo aangrijpt dat hij daardoor ziek wordt, is een omstandigheid waarop Veolia als werkgever geen invloed kan uitoefenen.

2.21 Ook in de brief van 4 november 2009 van Veolia die zij voorafgaand aan het eerste mediationgesprek aan de gemachtigde van [verzoeker] heeft verzonden, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de c-factor verder te verhogen. De kantonrechter leest in deze brief geen enkele kritische noot ten aanzien van [verzoeker]. Veolia uit weliswaar kritiek op de handelswijze van de gemachtigde van [verzoeker], maar van deze gemachtigde mag verwacht worden dat hij deze kritiek niet persoonlijk opvat en juist zakelijk benaderd. Van een onder druk zetten van het slagen van het mediationtraject, dan wel het schenden van het mediationreglement, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Veolia sluit haar brief zelfs af met de mededeling dat zij de mediation positief in wil gaan.

2.22 Voorts zij opgemerkt dat het feit dat de combinatiefunctie die Veolia aan [verzoeker] heeft aangeboden niet als passend is te kwalificeren, geen reden is om aan [verzoeker] een hogere vergoeding toe te kennen. Voor alle duidelijkheid: de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken vanwege een door de gang van zaken ontstane breuk in de vertrouwensrelatie tussen partijen en niet vanwege de omstandigheid dat er voor [verzoeker] geen passende functie voorhanden is binnen Veolia. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoeker] (in zijn eigen optiek) in augustus 2009 akkoord is gegaan met de tijdelijke uitoefening van de combinatiefunctie, waarbij partijen na een periode van zes maanden zouden evalueren. [verzoeker] is vervolgens na twee maanden wegens ziekte uitgevallen en partijen zijn in conflict geraakt omtrent de arbeidsvoorwaarden en de passendheid van de combinatiefunctie. Veolia kan niet worden tegengeworpen in die periode [verzoeker] niet actief te hebben benaderd voor een andere passende functie. Dat Veolia [verzoeker] reeds in de periode voorafgaand aan zijn eerste ziektedag niet heeft benaderd voor andere passende functies binnen het bedrijf heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk weten te maken. Veolia heeft in ieder geval voldoende gemotiveerd betwist dat de door [verzoeker] in de stukken genoemde functies, zoals die van Directeur Veolia Transport Nederland en Purchasemanager, qua verantwoordelijkheid dan wel beloning, passend waren. Dit geldt niet ten aanzien van de functie van Business Improvement Manager. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] uit de (daar is de term weer) “besmette OV-cultuur” komt, kan geen rechtvaardiging vormen voor de eenzijdige beoordeling van Veolia dat deze functie niet passend was of dat [verzoeker] daarvoor niet geschikt was. Echter, uit de door [verzoeker] overgelegde productie blijkt dat de functie in november 2009 – ruim nadat [verzoeker] ziek thuis is gekomen – door een ander is opgevuld, terwijl – zo heeft Veolia onweersproken gesteld – de functie daarvoor vanaf 1 maart 2009 reeds bezet was.

2.23 Het voorgaande in overweging genomen komt de kantonrechter tot de conclusie dat een toepassing van een c-factor van 1,75 niet gerechtvaardigd is. Alle omstandigheden in aanmerking nemende is de kantonrechter van oordeel dat een c-factor van 1,2 billijk is. Rekening houdende met een maandelijks beloning van € 10.955,= bruto (inclusief vakantietoeslag en gemiddelde structurele bonus) en een indiensttreding per 1 januari 1992, zal de kantonrechter een vergoeding ter hoogte van € 276.000,= bruto toekennen.

2.24 Nu aan [verzoeker] een lagere ontbindingsvergoeding wordt toegekend dan door hem verzocht, zal [verzoeker] op hierna te melden wijze in de gelegenheid worden gesteld om zijn verzoekschrift in te trekken.

2.25 Op basis van het over en weer gestelde staat vast dat geen verband bestaat tussen de indiening van het verzoekschrift en de in artikel 7:685 BW bedoelde opzegverboden.

2.26 De omstandigheden van het geval geven aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. In het geval [verzoeker] er voor kiest het onderhavige ontbindingsverzoek in te trekken, ziet de kantonrechter aanleiding om te bepalen dat [verzoeker] de kosten van deze procedure dient te dragen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van zijn voornemen de onderhavige arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 juni 2010, onder toekenning aan [verzoeker] ten laste van Veolia van een vergoeding van € 276.000,= bruto;

stelt [verzoeker] in de gelegenheid om tot uiterlijk 30 mei 2010 zijn verzoek in te trekken middels een schriftelijke verklaring aan de griffier, alsmede aan (de gemachtigde van) Veolia;

bij handhaving van het verzoek:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens een verandering in de omstandigheden met ingang van 1 juni 2010;

kent aan [verzoeker] in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toe ter hoogte van

€ 276.000,= bruto en veroordeelt Veolia om deze vergoeding binnen twee weken na de ontbindingsdatum aan [verzoeker] te betalen;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten van de procedure dient te dragen;

en bij intrekking van het verzoek:

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Veolia gevallen en begroot op € 400,= aan salaris voor de gemachtigde van Veolia.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.H. de Kroon en is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2010.