Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM5007

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
585988 cv 10-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte.

Toetsing aan artikel 6:265 BW. Kort gezegd: Is de ontbinding met haar gevolgen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd?

Vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens huurachterstand afgewezen.

Belangen gedaagde/huurster bij voortzetting van de huurovereenkomst wegen zwaarder dan de belangen van eiseres/verhuurster bij toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 585988 CV EXPL 10-890

vonnis bij vervroeging d.d. 12 mei 2010

inzake

de stichting Stichting Wonen West Brabant, gevestigd te Bergen op Zoom,

eiseres,

gemachtigde: AGIN Timmermans, gerechtsdeurwaarders te [adres]]

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.C.W.G.M. Janssens, advocate te Bergen op Zoom.

1. Het verdere verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

1.1 het tussenvonnis van 31 maart 2010 en de in dat vonnis genoemde stukken;

1.2 de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen gehouden op 21 april 2010, het daarbij behorende audiëntie¬blad en de ter gelegenheid van de comparitie door gedaagde overgelegde produc¬ties.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, de veroordeling van gedaagde tot ontruiming van het gehuurde, de veroordeling van gedaagde om aan haar te betalen een bedrag van € 2.280,44, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening en voorts te vermeerderen met € 229,14 voor iedere maand die gedaagde het onderwerpelijke pand na 31 januari 2010 in haar bezit mocht houden, alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

Gedaagde concludeert tot het niet ontvankelijk verklaren van eiseres in haar vorderingen, althans tot het ontzeggen hiervan, met veroordeling van eiseres in de kosten van dit geding.

3. De verdere beoordeling

3.1 Tijdens de mondelinge behandeling van 21 april 2010 hebben partijen geen minnelijke regeling bereikt. Een eerder voorstel tot doorverwijzing voor mediation was namens eiseres afgewezen. Gedaagde betwist tijdens de mondelinge behandeling niet dat er sprake is van een huurachterstand, zoals die namens eiseres wordt gesteld. Gedaagde voert wel verweer tegen de namens eiseres gevorderde ontbinding en ontruiming. Gedaagde meent in dat verband, dat -gelet op haar privéomstandigheden- het belang van haar om in het gehuurde te mogen blijven wonen groter is dan het belang van eiseres bij toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming. Namens eiseres wordt echter (ook) gepersisteerd bij de gevorderde ontbinding en ontruiming. Zij zegt -gelet op haar eerdere ervaringen met gedaagde persoonlijk- te weinig vertrouwen te hebben in een af te spreken betalingsregeling zonder dat hierbij een te wijzen ontruiming als “een soort stok achter de deur” aan de orde is. Eiseres verklaart zich tijdens de mondelinge behandeling wel bereid om -onder verband van een vonnis- met gedaagde over een betalingsregeling te spreken. Dit mede gelet op het feit, dat gedaagde zegt o.m. een meerderjarigenbewind te hebben aangevraagd.

3.2 Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de producties, het volgende vast.

3.2.1 Gedaagde heeft van eiseres in huur en gebruik de woning, staande en gelegen te [adres], zulks tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van laatstelijk € 229,14 per maand en verder op de voorwaarden en bepalingen als tussen partijen overeengekomen.

3.2.2 Gedaagde heeft per 28 januari 2010 een opeisbare huurachterstand van € 1.923,44, waarvoor gedaagde eerder door en namens eiseres werd aangemaand.

3.2.3 Door het uitblijven van betaling door gedaagde was eiseres genoodzaakt haar vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan haar incassogemachtigde.

3.2.4 De incassogemachtigde van eiseres heeft gedaagde ook diverse malen -maar vruchteloos- tot betaling gesommeerd.

3.3 Eiseres baseert haar vorderingen (mede) op bovengenoemde vaststaande feiten.

Zij volhardt bij haar belang tot toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming.

Zij heeft kennisgenomen van de maatregelen, die gedaagde rond haar persoon inmiddels heeft genomen dan welke zij bezig is te treffen. Zij benadrukt dat gedaagde in het verleden heeft aangetoond niet aan haar betalingsverplichtingen te voldoen dan wel aan afspraken in dat kader te voldoen. Zij is wel bereid om -in het bijzonder met een te benoemen bewindvoerder over gedaagde- nadere afspraken te maken in het kader van een te treffen betalingsregeling. Zij zegt voorts toe dat zij geen gebruik zal maken van een toe te wijzen mogelijkheid tot ontruiming zolang gedaagde zich houdt aan de te treffen betalingsregeling.

Eiseres biedt bewijs aan van haar stellingen.

3.4 Namens gedaagde worden in deze procedure vooral de privéomstandigheden benadrukt, welke volgens gedaagde een contra-indicatie vormen voor toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming. Gedaagde erkent de namens eiseres gestelde huurachterstand. Gedaagde voert verder aan:

- dat zij door verslechterende financiële omstandigheden niet meer in staat was om haar huur

aan eiseres te voldoen;

- dat zij door psychische problemen voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard;

- dat zij twee kinderen heeft waarvan de oudste zoon ADHD en dyslexie heeft;

- dat zij zelf inmiddels door de GGZ begeleid wordt;

- dat zij zich eind 2009 tot MEE West-Brabant (ondersteuning bij leven met een beperking)

heeft gewend omdat zij aanzienlijke schulden heeft opgebouwd;

- dat zij zich inmiddels tot Budgetbeheer Bureau Heuvel- en Rivierenland te Roosendaal

heeft gewend voor hulp op financieel vlak;

- dat zij zich eveneens heeft gewend tot de gemeente Bergen op Zoom voor

schuldhulpverlening;

- dat zij inmiddels ook een meerderjarigenbewind heeft aangevraagd;

- dat zij er derhalve alles aan doet om haar financiën weer op orde te krijgen;

- dat aan haar de schuld bij eiseres -gelet op haar onvermogen om te gaan met administratie

en bankzaken- niet verweten kan worden;

- dat het moeten verlaten van de gehuurde woning voor haar en haar kinderen een drama zou

zijn;

- dat de gevolgen van toewijzing van ontbinding en ontruiming voor haar onevenredig groot

zijn vergeleken met het belang dat eiseres heeft bij toewijzing.

Samengevat is gedaagde van mening, dat voor de bestaande huurachterstand een betalingsregeling dient te worden getroffen en dat de gevorderde ontbinding en ontruiming dienen te worden afgewezen. Gedaagde biedt eveneens bewijs aan van haar stellingen.

3.5 De kantonrechter stelt allereerst vast, dat er sprake is van een dusdanig hoge huurachterstand dat naast toewijzing van deze huurachterstand, vermeerderd met wettelijke rente, ook de toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming in beginsel gerechtvaardigd zou zijn.

3.6 Vervolgens doet zich in dit geschil de vraag voor of in de specifieke omstandigheden van dit geval, zoals namens gedaagde aangegeven, op het onder 3.5 genoemde uitgangspunt uitzondering moet worden gemaakt.

Is, in de bewoordingen van art. 6:265 BW, de ontbinding met haar gevolgen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming niet gerechtvaardigd?

3.7 De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

Eiseres baseert haar belang bij toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming in het bijzonder op de hoogte van de bestaande huurachterstand en op haar slechte ervaringen, die eiseres zegt met gedaagde te hebben gehad op het gebied van betaling en de nakoming van afspraken in dat kader.

Daartegenover staan de ingrijpende gevolgen voor gedaagde wanneer zij door een ontbinding van de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende ontruiming niet langer het gebruik van de huurwoning kan voortzetten.

3.8 De kantonrechter is van oordeel, dat laatstgenoemde ernstige gevolgen voor gedaagde op dit moment zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiseres bij toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming. De gevolgen zijn niet alleen voor gedaagde groot maar ook voor haar beide kinderen. Gedaagde heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hard werkt aan een oplossing van haar problemen. Deze pogingen zouden zwaar onder druk komen te staan indien zij niet langer zou kunnen beschikken over de door haar gehuurde woning. Het door gedaagde gestelde belang is daarmee voldoende om de toewijzing van de namens eiseres gevorderde ontbinding en ontruiming tegen te houden.

Dit klemt te meer nu van een eerdere veroordeling van gedaagde wegens huurachterstand niet is gebleken. Deze vorderingen zullen daarom hierna worden afgewezen.

3.9 De kantonrechter gaat ervan uit, dat eiseres (en haar gemachtigde) -gelet op het door gedaagde gecreëerde sociaal vangnet- ook zonder toewijzing van gevorderde ontbinding en ontruiming bereid is een betalingsregeling met gedaagde (dan wel met de te benoemen beschermingsbewindvoerder van gedaagde) te treffen.

3.10 Nu de tijdens de mondelinge behandeling namens eiseres gestelde zuivere huurachterstand tot en met april 2010 ad € 1.940,30 niet is weersproken, zal de kantonrechter deze hierna toewijzen, te vermeerderen met een bedrag van € 357,00 (incl. BTW) en met de wettelijke rente over € 2.280,44 vanaf 1 februari 2010 tot de dag van de algehele voldoening.

Eiseres moet ook niet in alle gevallen aansturen op een betalingsregeling onder verband van een vonnis. Proceskosten kunnen hiermee worden voorkomen.

3.11 Nu slechts een gedeelte van de vorderingen van eiseres wordt toegewezen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat ieder van de partijen de eigen kosten dient te dragen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 2.297,30, zijnde de zuivere huurachterstand tot en met de maand april 2010 plus buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.280,44 vanaf 1 februari 2010 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in dit geding in die zin, dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders door eiseres gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 12 mei 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.