Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM4382

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
217200 KG ZA 10-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bewijsbeslag; dwangsom.

Bewijsbeslag blijkt fishing expedition. De in het verzoekschrift tot beslaglegging toegezegde selectie heeft niet plaatsgevonden.Vordering tot afgifte van bewijsmateriaal afgewezen.

In reconventie: opheffing van het beslag en last tot teruggave, met dwangsom.

Bepaling "dat deze dwangsom niet zal worden verbeurd indien en voorzover zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn." Ondervanging van bezwaar tegen eerdere formulering van de "matigingsclausule", in overeenstemming met diss. 2007 Beekhoven Van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 217200 / KG ZA 10-193

Vonnis in kort geding van 11 mei 2010

in de zaak van

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEN HARTOGH LIQUID LOGISTICS BV,

gevestigd te Rozenburg,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEN HARTOGH RUSSIA BV,

gevestigd te Rozenburg,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. S.J.B. Drijber,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QBEX LOGISTICS BV,

gevestigd te Zevenbergen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.T. Kernkamp.

Partijen zullen hierna DH Logistics, DH Russia, Den Hartogh c.s.(indien betrekking hebbend op zowel Logistics als Russia) en Qbex genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 april 2010 met 11 producties,

- de brief van 16 april 2010 van Qbex met de eis in reconventie,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van Den Hartogh c.s.,

- de pleitnota van Qbex.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil in conventie

2.1. Den Hartogh c.s. vordert samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- primair Qbex te veroordelen te gehengen en gedogen dat de deurwaarder overgaat tot afgifte van de (digitale) gegevens - die blijkens het proces-verbaal onder Qbex in beslag zijn genomen ex artikel 843a Rv - aan Den Hartogh c.s. dan wel te bepalen dat deze door Den Hartogh c.s. in te schakelen derden mogen worden ingezien;

- subsidiair Qbex te veroordelen opdracht te geven aan de deurwaarder om aan Den Hartogh c.s. op hun kosten inzage, afschrift , uittreksel te verstrekken van de (digitale) gegevens waarop blijkens het proces-verbaal ten behoeve van Den Hartogh c.s. conservatoir bewijsbeslag is gelegd op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,-- per dag;

- Qbex te veroordelen in de kosten van het geding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

2.2. Qbex voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. Het geschil in reconventie

3.1. Qbex vordert samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-opheffing van de op 18 maart 2010 ten laste van Qbex gelegde beslagen;

- Den Hartogh c.s. te gelasten aan Qbex terug te geven alle goederen die in opdracht van Den Hartogh c.s. in beslag zijn genomen op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,-- per dag;

- Den Hartogh c.s. te veroordelen om middels een opdracht aan Riscon Arnhem B.V. de kopieën van de in beslag genomen goederen te vernietigen zonder dat door Den Hartogh c.s. kennis zal zijn genomen met de inhoud daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,-- per dag;

- Den Hartogh c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Den Hartogh c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Den Hartogh c.s. drijven beiden ondernemingen die zich toeleggen op het vervoer van vloeibare bulkchemie per container, zowel over de weg als over het water.

- Op 16 juni 2009 is door de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard Extar B.V. met aanstelling van mr. P.J. Peters tot curator. Extar B.V. was een concurrent van Den Hartogh c.s.. Enig aandeelhouder en bestuurder van Extar B.V. was [naam], waarvan de heer [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1]) enig aandeelhouder en bestuurder is. Gelieerd aan Extar B.V. was de Russische vennootschap OOO Extar waarvan de aandelen in handen zijn van mevrouw [naam 2] (hierna te noemen: [naam 2]), de echtgenote van [naam 1].

- In juli 2009 heeft DH Russia een overeenkomst gesloten met de curator van Extar B.V. op grond waarvan DH Russia per 19 juni 2009 bepaalde activa van Extar B.V. heeft overgenomen, waaronder de handelsnaam, klantrelaties, vorderingen op debiteuren en de inventaris. DH Russia is een zustervennootschap van DH Logistics.

- Bij verzoekschrift van 3 maart 2010 hebben Den Hartogh c.s. verzocht om beslag te laten leggen op bewijsmiddelen onder Qbex Logistics B.V.. In het verzoekschrift staat onder meer:

‘1. De reden waarom verzoeksters verlof verzoeken om beslag te laten leggen op bewijsmiddelen is dat er in onderhavige kwestie naar het oordeel van verzoeksters sprake is van een ernstige overtreding van een concurrentiebeding waaraan gerekwestreerde, hierna tevens te noemen: “Qbex”, althans haar statutair bestuurder de heer [GG], haar medewerking heeft verleend en waarvan zij voordeel heeft genoten. (…)

20. Op grond van hetgeen hiervoor is betoogd, hebben verzoeksters op grond van artikel 843a Rv een rechtmatig belang bij het recht inzage, afschriften of uittreksels te vorderen van de bescheiden die zich onder Qbex bevinden. Ter toelichting dient het volgende:

Rechtmatig belang:

a. Het rechtmatig belang van verzoeksters bij de onderhavige vordering is gelegen in het feit dat zij met behulp van de informatie uit deze documenten en de gegevensdragers naar alle waarschijnlijkheid – in aanvulling op de reeds aangehechte bewijsstukken – zou kunnen bewijzen dat Qbex:

gezamenlijk met [naam 1] en/of [naam 2] (voormalige) klanten van de verzoeksters bedienen, dan wel hebben bediend. Qbex heeft hiermee geprofiteerd van de wanprestatie van [naam 1] en/of [naam 2] door het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in de managementovereenkomst. Verzoeksters hebben recht en belang om door [naam 1] en/of [naam 2] schadeloos te worden gesteld voor de dientengevolge geleden en nog te lijden schade;

b. Verzoeksters verzoeken u, edelachtbare, verlof te verlenen een conservatoir (bewijs)beslag te (doen) leggen ten laste van Qbex, die betrekking heeft op de periode vanaf de datum van het faillissement van Extar B.V. op 16 juni 2009 tot en met heden, op alle (digitale) gegevensdragers zoals papier, waaronder begrepen (mail)correspondentie en agenda’s, meer specifiek mogelijke tussen [RD] en/of aan hem gelieerde ondernemingen, (schriftelijke) overeenkomsten de debiteurenadministratie, de klantenbestanden en de klantenkaarten, de (digitale) kasadministratie, bankgegevens, uitsluitend betrekking hebbende op:

- de overtreding van het concurrentiebeding door [naam 1] en/of [naam 2] (zie productie 4);

In een separaat verzoekschrift zullen verzoeksters afschrift vorderen van een kopie van de aan Qbex toebehorende administratie c.q. bescheiden.

Verzoeksters zijn zich ervan bewust dat verlof wordt verzocht om (bewijs)beslag te mogen leggen op generiek omschreven zaken. Zoals hierboven reeds uitgebreid is weergegeven bestaat het vermoeden dat Qbex na het faillissement van Extar B.V. dat op 16 juni 2009 is uitgesproken, heeft gehandeld met [naam 1] en [naam 2] en daardoor heeft geprofiteerd van het plegen van wanprestatie door [naam 1] jegens verzoeksters door de schending van het non-concurrentiebeding. Het handelen van Qbex blijkt enkel uit de bij haar in bezit zijnde administratie en de hiervan deeluitmakende subadministraties. Omdat het vermoeden bestaat dat meerdere klanten van verzoeksters door toedoen van [naam 1] en/of [naam 2] werden en nog steeds worden bediend door Qbex, is het voor verzoeksters onmogelijk om op minder generieke omschreven zaken beslag te doen leggen. Bovendien bestaat het vermoeden dat [naam 1] en [naam 2] doorlopend het non-concurrentieverbod overtreden, zodat geen specifiekere periode aangegeven kan worden dan de periode vanaf 16 juni 2009 – de datum van het faillissement van Extar B.V. – tot en met heden waarbinnen overtreding van dit verbod heeft plaatsgevonden en waartoe het beslag zich kan beperken. (…)

Beschermend belang gerekwestreerde:

d. Teneinde er van verzekerd te zijn dat verzoeksters geen onrechtmatig gebruik zullen maken van het in beslag te nemen materiaal, doen verzoeksters het navolgende toezeggen:

(…)

- Teneinde Qbex niet meer dan nodig te hinderen zal in beginsel eeen (automatiseringsdeskundige) kopieën maken van (digitale) gegevensdragers waarop de hiervoor bedoelde bescheiden zich bevinden of zouden kunnen bevinden en indien nodig zullen onder de eindverantwoordelijheid van de gerechtsdeurwaarder, onafhankelijke ter zake deskundige hulppersonen ondersteuning verlenen, welke personen allen vóór het leggen van het beslag een specifieke geheimhoudingsverklaring hebben ondertekend, in verband met het onderzoeken van de overige gegevensdragers, zoals documenten waaruit communicatie blijkt of afspraken blijken met klanten van Qbex, waaronder met name ook de klanten die worden vermeld in het als prductie 4 overgelegde Excel-bestand. De hulppersonen, waaronder automatiseringsdeskundigen, voeren ter plaatse zoekopdrachten uit in opdracht van een deskundig (vergunning en legitimatieplichtig) particulier recherchebureau. In dat kader verzoeken verzoeksters Riscon Arnhem B.V. te laten benoemen door uw rechtbank. Riscon Arnhem B.V. handelt conform de geheimhouding en gedragscode geldend voor de gehele beroepsgroep, opgelegd door het Ministerie van Justitie (WPBR). Riscon Arnhem B.V. heeft bijzondere beveiligingsmaatregelen getroffen op het gebied van organisatorische, bouwkundige en elektronisch gebied ter bescherming van de beslagen bescheiden. Hiertoe zijn bijvoorbeeld per beslag specifiek daartoe bestemde safeloketten intern beschikbaar.

- In het geval dat het schiften en/of het kopiëren van bedoelde bescheiden ter plaatse om redenen van organisatorische en technische aard niet mogelijk is, zal van de digitale gegevensdragers een image worden gemaakt (is een 100% kopie van de vaste harde schijf van de computer) en of bedoelde (digitale) gegevensdragers in beslag worden genomen en overgedragen aan de gerechtelijk bewaarder. Alsdan zullen kopieën worden gemaakt van de zich onder de gerechtelijke bewaarder bevindende (digitale) gegevensdragers. De beslagen computers, (digitale) gegevensdragers, zullen binnen tien werkdagen na beslaglegging aan Qbex worden geretourneerd. Op deze wijze is gewaarborgd dat geen vertrouwelijke informatie van Qbex bij verzoeksters terecht kan komen. (…)’.

- Op 12 maart 2010 heeft een mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda waarbij alleen verzoeksters, Den Hartogh c.s., aanwezig zijn geweest.

- Bij beschikking van 12 maart 2010 heeft de rechtbank Breda verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op bewijsstukken zoals verzocht in het verzoekschrift, met uitzondering van de verzochte uitvoerbaarheid op de minuut, met bepaling dat de eis in de hoofdzaak binnen 14 dagen na beslaglegging wordt ingediend en met bevel dat de bewijsstukken op de wijze en onder de voorwaarden zoals verzocht ter gerechtelijke bewaring zullen worden afgegeven aan Riscon Arnhem B.V. die tot bewaarder wordt aangewezen.

- Op 18 maart 2010 is bewijsbeslag gelegd onder Qbex.

- Op 1 april 2010 hebben Den Hartogh c.s. verzocht om verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak. Bij beschikking van van 1 april 2010 heeft de voorzieningenrechter de termijn voor het instellen van de hoofdzaak verlengd met 14 dagen.

4.2. Den Hartogh c.s. leggen aan hun vordering in conventie ten grondslag dat zij met behulp van de documenten en de gevensdragers waarop beslag is gelegd ex artikel 843 a Rv naar alle waarschijnlijkheid – in aanvulling op de reeds in handen zijnde bewijsstukken – kunnen bewijzen dat Robiri Holding B.V., [naam 1] en/of [naam 2] (voormalige) klanten van Den Hartogh c.s. bedienen, dan wel hebben bediend en dat zij daarmee het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in de managementovereenkomst gesloten tussen Den Hartogh c.s. en Robiri Holding B.V. ( zijnde de management-B.V. van [naam 1] en [naam 2]) reeds sinds augustus/september 2009 schenden. Volgens Den Hartogh c.s. hebben zij recht en belang om door Robiri Holding B.V., [naam 1] en/of [naam 2] schadeloos te worden gesteld voor de dientengevolge geleden en nog te lijden schade. Qbex heeft volgens Den Hartogh c.s. geprofiteerd van de wanprestatie van Robiri Holding B.V., [naam 1] en [naam 2].

Den Hartogh c.s. stellen een spoedeisend belang te hebben om over de bewijsstukken te beschikken, zodat het handelen in strijd met het concurrentiebeding , althans onrechtmatig handelen zo spoedig mogelijk wordt gestaakt en Den Hartogh c.s. op zo kort mogelijke termijn in rechte een vordering tot schadevergoeding in kunnen stellen. Bovendien heeft Robiri Holding B.V. Den Hartogh c.s. gedagvaard en wensen Den Hartogh c.s. de stellingen van Robiri in deze procedure te weerleggen op grond van in beslag genomen bescheiden, aldus Den Hartogh c.s..

4.3. Qbex voert als verweer in conventie – kort weergegeven – dat de vordering tot afgifte van het beslagene niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in artikel 843a Rv, dat het beslag vexatoir en onnodig is, dat sprake is van ondeugdelijkheid van het door Den Hartogh c.s. ingeroepen recht en dat de zaak zich niet leent voor kort geding. Qbex betwist dat Den Hartogh c.s. een spoedeisend belang hebben bij hun vordering.

4.4. Qbex legt aan de vordering in reconventie ten grondslag dat het beslag niet voldoet aan de eisen der wet en dat hetzelfde geldt voor de vordering in kort geding, welke bij gebreke aan enig andere zaak als de hoofdzaak heeft te gelden. Er is volgens Qbex geen hoofdzaak ingeleid die tot toewijzing kan leiden. Qbex stelt tevens dat het beslag onnodig is en dat de onderbouwing van de vordering summierlijk ondeugdelijk is nu de wanprestatie van Robiri Holding B.V., [naam 1] en [naam 2] op geen enkele wijze is onderbouwd en evenmin is gesteld dat Qbex wetenschap draagt van deze vermeende wanprestatie. Qbex stelt dat een zelfstandige reden voor opheffing van het gelegde beslag is gelegen in het feit dat Den Hartogh c.s. de beslagrechter onvolledig voorgelicht hebben in die zin dat zij de voorzieningenrechter niet hebben geïnformeerd over het feit dat Robiri Holding B.V. op 2 februari 2010 een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen Den Hartogh c.s. terzake toerekenbare tekortkoming door Den Hartogh c.s. bij de rechtbank Rotterdam.

4.5. Den Hartogh c.s. voeren als verweer in reconventie dat het beslag voldoet aan de eisen der wet, dat het gelegde bewijsbeslag zeer zorgvuldig onder verantwoordelijkheid van de deurwaarder is geschied en dat een belangenafweging in het voordeel van Den Hartogh c.s. dient uit te vallen.

4.6. Aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a Rv zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden: de eiser dient een (1) rechtmatig belang te hebben en het moet gaan om (2) bepaalde bescheiden aangaande (3) een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

4.7. Uit het verzoekschrift tot het leggen van het bewijsbeslag blijkt dat Den Hartogh c.s., ter verzekering van het belang van Qbex dat Den Hartogh c.s. geen onrechtmatig gebruik zullen maken van het in beslag te nemen materiaal, een aantal toezeggingen hebben gedaan. Den Hartogh c.s. hebben toegezegd - kort weergegeven - dat in beginsel een deskundige kopieën zal maken van de bescheiden in de periode vanaf 16 juni 2009 die betrekking hebben op de overtreding van het concurrentiebeding door [naam 1] en/of [naam 2] (productie 7 van Den Hartogh c.s. zie hetgeen is opgenomen onder ‘20’ sub ‘d’ vanaf ‘Teneinde’ tot en met ‘beschikbaar’). Uit het verzoekschrift blijkt tevens dat in het geval het schiften en/of kopiëren van bedoelde bescheiden niet mogelijk is, kopieën zullen worden gemaakt van de digitale gegevensdragers (het gaat om 100% kopieën van de vaste harde schijven van computers) en/of bedoelde gegevensdragers in beslag worden genomen waarna alsnog kopieën worden gemaakt (productie 7 van Den Hartogh c.s. zie hetgeen is opnomen onder ‘20’ sub ‘d’ vanaf ‘In’ tot en met ‘komen’).

Uit de beschikking van de rechtbank Breda van 12 maart 2010 volgt dat verlof is verleend tot het leggen van beslag op bewijsstukken zoals verzocht in het verzoekschrift, derhalve met inachtneming van hetgeen door Den Hartogh c.s. is toegezegd onder ‘20’ van het verzoekschrift.

Uit het proces-verbaal van de deurwaarder van 18 maart 2010 blijkt dat op die dag conservatoir beslag op bescheiden is gelegd onder Qbex. Het gaat daarbij om:

‘31 ordners welke zich bevonden in kantoorruimte 2

Kopieën van de lopende zaken welke zich bevonden op de tafel en het bureau in kantoor 2

9 ordners welke zich bevonden in kantoorruimte 1

2 forensische kopieën van de 2 werkstations/pc’s en 2 forensische kopieën van de server, welke kopieën in totaal op 2 harde schijven staan’.

Uit een ander proces-verbaal van de deurwaarder tevens daterend 18 maart 2010 blijkt dat dezelfde bescheiden in gerechtelijke bewaring zijn gegeven aan Riscon Arnhem B.V.

4.8. In de stukken van de deurwaarder ontbreekt iedere aanwijzing dat de in beslag genomen stukken betrekking hebben op de selectie van de gegevens(dragers) dan wel bescheiden zoals omschreven in het verzoekschrift, namelijk vanaf de periode 16 juni 2009 en betrekking hebbend op de overtreding van het concurrentiebeding. Uit andere stukken blijkt evenmin dat enige selectie op dat criterium heeft plaatsgevonden. Den Hartogh heeft kennelijk ook nadien geen opdracht gegeven tot het doorvoeren van een dergelijke selectie door de gerechtelijk bewaarder. Den Hartogh c.s. heeft tevens niet voldoende aannemelijk gemaakt dat alle gegevens en/of bescheiden aangetroffen in de in totaal 40 ordners en de 2 forensische kopieën van de 2 werkstations/pc’s en de 2 forensische kopieën van de server enkel en alleen informatie bevatten betrekking hebbend op de periode na 16 juni 2009 en de overtreding van het concurrentiebeding door [naam 1] en/of [naam 2].

Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat een dergelijke selectie niet heeft plaatsgevonden en dat hetgeen in beslag is genomen en in bewaring is gegeven veel meer informatie – zo niet de gehele bedrijfsadministratie - omvat dan waarvoor het bewijsbeslag is gelegd.

4.9. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en gezien de feitelijke wijze waarop de beslaglegging heeft plaatsgevonden, te weten zonder dat sprake is van een selectie van relevante gegevens, kan geen sprake zijn van het toewijzen van de vordering in conventie tot afgifte dan wel inzage van het beslagene. Dat een dergelijke selectie kennelijk niet heeft kunnen plaatsvinden maakt duidelijk dat van meet af aan sprake was van een ontoelaatbare ‘fishing expedition’ van de zijde van Den Hartogh c.s.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beslag niet door artikel 843a Rv kan worden gedragen en behoort te worden opgeheven nu – naar achteraf blijkt - niet aan het vereiste is voldaan dat het moet gaan om bepaalde bescheiden. Dit nog afgezien van de vraag of is voldaan aan de overige voorwaarden, namelijk dat Den Hartogh c.s. een rechtmatig belang moeten hebben bij inzage van de beslagen bescheiden en dat het moet gaan om een rechtsbetrekking waarin Den Hartogh c.s. of haar rechtsvoorgangers partij zijn.

De vordering in reconventie tot opheffing van het gelegde beslag wordt derhalve toegewezen. De vordering in reconventie Den Hartogh c.s. te gelasten aan Qbex terug te geven alle goederen die in opdracht van Den Hartogh c.s. in beslag zijn genomen, wordt eveneens toegewezen in die zin dat Den Hartogh c.s. zal worden gelast de deurwaarder en Riscon Arnhem B.V. opdracht te geven de stukken van Qbex die zich bij de deurwaarder en/of Riscon Arnhem B.V. bevinden, inclusief kopieën daarvan, aan Qbex af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Het vonnis zal op deze punten niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.11. Ten aanzien van de dwangsomveroordeling geldt dat niet bedoeld is dat dwangsommen worden verbeurd indien en voorzover dit naar maatstaf van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze expliciete overweging mag er reeds toe leiden dat de dwangsomveroordeling zo dient te worden uitgelegd dat dit niet gebeurt.

De voorheen gebruikte matigingsclausule hield in dat verbeurde dwangsommen vatbaar waren voor matiging voorzover handhaving daarvan naar maatstaf van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate van verwijtbaarheid van de overtreding. Deze clausule is op bezwaren in rechtspraak en literatuur gestuit met de redengeving dat matiging achteraf van verbeurde dwangsommen in strijd zou zijn met (de strekking) van het eenvormige Benelux-dwangsommenrecht.

Dit bezwaar zal worden ondervangen door nog duidelijker explicitering van genoemde bedoeling in de dwangsomveroordeling, en te bepalen dat geen dwangsommen worden verbeurd indien en voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Er is dan immers geen sprake van matiging van verbeurde dwangsommen, omdat de toets van “onaanvaardbaarheid naar maatstaf van redelijkheid en billijkheid” voorafgaat aan de verbeurte van de dwangsom. (In deze zin ook: Beekhoven-Van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht,diss. 2007, p.139).

4.12. Den Hartogh c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Qbex in conventie worden begroot op EUR 1.079,00, samengesteld uit EUR 263,- aan griffierecht en EUR 816,- aan salaris van de advocaat. De kosten aan de zijde van Qbex in reconventie worden begroot op EUR 408,-.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Den Hartogh c.s. in de proceskosten in conventie aan de zijde van Qbex begroot op EUR 1.079,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de kostenveroordeling,

in reconventie

5.4. heft op het op 18 maart 2010 door Den Hartogh c.s. gelegde beslag ten laste van Qbex,

5.5. gelast Den Hartogh c.s. om binnen 21 dagen na betekening van het vonnis middels een opdracht aan de deurwaarder en Riscon Arnhem B.V. alle goederen van Qbex die door Den Hartogh c.s. in beslag zijn genomen en die zich onder de deurwaarder en/of Riscon Arnhem B.V. bevinden, inclusief kopieën van de in beslag genomen goederen, af te geven aan Qbex zonder dat door Den Hartogh c.s. kennis zal zijn genomen met de inhoud daarvan,

5.6. bepaalt dat Den Hartogh c.s. voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelen met het onder 5.5. bepaalde, aan Qbex een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,00 per dag, tot een maximum van EUR 100.000,00,

5.7. bepaalt dat deze dwangsom niet zal worden verbeurd indien en voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn,

5.8. veroordeelt Den Hartogh c.s. in de proceskosten in reconventie aan de zijde van Qbex begroot op EUR 408,00,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie ten aanzien van het bepaalde onder 5.8. uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Leijten en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Nijhof op 11 mei 2010.?