Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM3973

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
996022-04 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BTW-carrouselfraude; aangifteplicht in verband met feitelijk ondernemerschap

Verdachte wordt verweten aangiften omzetbelasting op naam van de eenmanszaak van zijn zoon opzettelijk onjuist te hebben gedaan. De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden in deze onderneming worden verricht door verdachte en dat de zoon een strofiguur voor deze onderneming van verdachte was. Aangezien verdachte zaken deed onder de naam van de op naam van zijn zoon staande handelsonderneming, dient deze onderneming feitelijk als de onderneming van verdachte te worden beschouwd. Op grond hiervan dient verdachte als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 te worden beschouwd en diende hij aangifte te doen.

Er is sprake van BTW-carrouselfraude. Verdachte heeft samen met medeverdachte L. valse facturen opgemaakt terzake van gefingeerde leveringen van auto’s en motoren door L. aan verdachte. Gebleken is namelijk dat verdachte de auto’s en motoren rechtstreeks inkocht van en betaalde aan buitenlandse leveranciers en deze rechtstreeks op zijn bedrijf liet afleveren. Derhalve is bij het opmaken van de valse facturen gebruik gemaakt van een schijnconstructie die is opgezet om misbruik te maken van het zogenaamde nultarief ten aanzien van de omzetbelasting bij intracommunautaire transacties. Verdachte heeft de op deze valse facturen vermelde omzetbelasting aangegeven op de aangiften omzetbelasting van de Handelsonderneming V., een bedrijf dat op papier op naam van zijn zoon stond, maar dat feitelijk zijn onderneming was, terwijl L. de aan de Handelsonderneming in rekening gebrachte omzetbelasting niet heeft verwerkt in zijn aangiften omzetbelasting. Mede door het handelen van verdachte heeft de fiscus terzake van deze facturen een nadeel geleden van ruim 2 miljoen euro.

Voorts heeft verdacht uitkeringsfraude gepleegd ten aanzien van zijn WAO-uitkering.

Rekening houdend met een termijnoverschrijding van ongeveer 2 jaar welke niet aan de verdediging is toe te rekenen, verlaagt de rechtbank de straf die zij in beginsel voor ogen had met 25 %. Straf: 27 maanden met aftrek voorarrest waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 996022-04 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [adres]

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 april 2010. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. Bliek, heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is tweemaal gewijzigd (op 25 juni 2008 en op 21 april 2010) overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. meermalen valse aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan of heeft laten doen, en

2. uitkeringsfraude heeft gepleegd t.a.v. zijn WAO-uitkering.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide tenlaste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1 (het doen van valse aangiften omzetbelasting) is de officier van justitie van mening dat verdachte en medeverdachte [mededader 1] gebruik hebben gemaakt van een schijnconstructie. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaringen van de getuige [getuige 1] en andere buitenlandse leveranciers en de verklaring van de medeverdachten [mededader 2] en [mededader 1], afgelegd bij de FIOD. Voorts betrekt hij in zijn overwegingen het onderzoek naar gebruikte fax- en telefoonnummers en de bij verdachte aangetroffen voorwerpen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt volgens de officier van justitie dat verdachte in plaats van [mededader 1] de feitelijke opdrachtgever en inkoper was, voor wiens rekening ook werd ingekocht. Van inkoop en doorverkoop door [mededader 1] aan [bedrijfsnaam] is geen sprake. Verdachte is in de visie van de officier van justitie in feite de actieve ondernemer en te vereenzelvigen met [bedrijfsnaam].

[mededader 1] maakte de valse verkoopfacturen - inclusief BTW - gericht aan [bedrijfsnaam] op. Verdachte heeft vervolgens deze valse facturen in de administratie van [bedrijfsnaam] opgenomen, waarna ten onrechte de voorbelasting werd geclaimd.

Nu verdachte aangeeft de inkomsten uit de motorhandel niet te hebben opgegeven, is reeds hierom feit 2 wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Het verwijt dat verdachte hier als eerste wordt gemaakt is dat hij aangiften omzetbelasting die zijn uitgereikt aan en ingediend onder de naam [.] [bedrijfsnaam]” onjuist heeft gedaan. Verdachte wordt derhalve als pleger aangemerkt. Daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank alleen sprake zijn indien verdachte degene is op wie de plicht tot het doen van de aangifte rustte. Daarvoor moet ten aanzien van verdachte allereerst zijn voldaan aan het voor het ondernemerschap in de omzetbelasting geldende vereiste dat verdachte met de werkzaamheden duurzaam, dat wil zeggen geregeld, ernaar streefde door deelneming aan het maatschappelijk verkeer maatschappelijke behoeften te bevredigen. Indien aan dit vereiste is voldaan, moet voorts worden vastgesteld dat dit ondernemerschap van verdachte betrekking heeft op de activiteiten die onder de naam [.] [bedrijfsnaam]” zijn verricht.

Uit het dossier komen twee weergaves naar voren van de handel tussen medeverdachte [mededader 1] en verdachte en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld. Enerzijds de gang van zaken zoals die naar voren komt uit de verklaringen afgelegd door [mededader 1], [getuige 1] en [mededader 3] tegenover de FIOD en anderzijds de gang van zaken zoals naar voren komend uit hun verklaringen afgelegd tegenover de rechter-commissaris in het kader van het getuigenverhoor in deze zaak. Alvorens de vraag te beantwoorden of ten aanzien van verdachte sprake is van de uitoefening van een bedrijf, zal de rechtbank de vraag beantwoorden aan welke van deze twee versies geloof wordt gehecht.

Door [mededader 1] zijn bij de FIOD verklaringen afgelegd die verdachte belasten. [mededader 1] heeft als getuige bij de rechter-commissaris als argument naar voren gebracht dat hij bij de FIOD niet naar waarheid heeft verklaard, met name over de rol van verdachte in het geheel, omdat er een zware druk was op hem en zijn gezin vanwege bedreigingen, waarbij drie keer op hem is geschoten. Omdat in de verhoren bij de FIOD veel werd gesproken over verdachte, heeft hij ervoor gekozen om de verklaring op die wijze af te leggen. De rechtbank vermag echter niet in te zien wat de relevantie is van de bedreigingen en de druk die deze op [mededader 1] legden voor het afleggen van een belastende verklaring tegen verdachte. [mededader 1] had immers zichzelf al belast en in het dossier bevinden zich geen aanwijzingen dat de FIOD het doel had verdachte er bij te lappen en niet aan waarheidsvinding te doen. Bovendien beschrijven de door [mededader 1] afgelegde verklaringen de rol van verdachte zeer duidelijk en zijn voorts gedetailleerd. [mededader 1] was daar vanaf het begin van de verhoren tot aan zijn 8e verhoor zeer open en duidelijk over. Daarnaast vinden die verklaringen van [mededader 1] steun in de bij de FIOD afgelegde verklaringen van [getuige 1], [mededader 2] en [mededader 3].

[mededader 3] heeft bij de rechter-commissaris zijn verklaring ten laste van verdachte weliswaar afgezwakt, maar de rechtbank acht zijn argumentatie voor het veranderen van zijn verklaring allerminst overtuigend. Zo heeft [mededader 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in die tijd vast zat en hem door de verbalisanten van de FIOD vragen zijn voorgehouden die hij met ja en nee kon beantwoorden en dat hij denkt dat hem woorden in de mond zijn gelegd. Dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank gebleken noch aannemelijk geworden.

Daar komt nog bij dat verdachte bij zijn verhoor bij het GAK/UWV een verklaring heeft afgelegd, die past in de verklaringen die [mededader 1], [mededader 2], [getuige 1] en [mededader 3] bij de FIOD hebben afgelegd. De rechtbank acht die verklaringen dan ook betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Op basis van deze keuze, beoordeelt de rechtbank de hiervoor in aanvang weergegeven vragen als volgt.

[mededader 1] verklaart dat hij rond 2001, 2002 zaken deed met verdachte en [mededader 3] samen, bestaande uit import van nieuwe auto’s, en dat hij in 2002 met [mededader 3] is gestopt. [mededader 3] verklaart in dat verband dat hij samen met verdachte vanaf 2001 zaken deed, maar dat verdachte daarna zaken is gaan doen via [bedrijfsnaam]. Hij en verdachte deden samen zaken, maar alleen op naam van het bedrijf van [mededader 3] omdat verdachte toen dat bedrijf nodig had. [mededader 3] moest de facturen opmaken omdat verdachte geen eigen onderneming had. Daarvoor kreeg [mededader 3] de helft van de winst op de auto’s. Verdachte geeft zelf aan dat hij al auto’s betrok van [mededader 1] voordat met de [bedrijfsnaam] werd begonnen.

Op 12 september 2002 wordt bij de Kamer van Koophandel een bedrijf ingeschreven op naam van [mededader 4], zijnde de zoon van verdachte.

Op grond van dit alles staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte zich reeds bezig hield met de handel in auto’s voor de oprichting van het bedrijf van zijn zoon. Dat zijn zoon dat toen eveneens deed, blijkt niet uit het dossier.

[mededader 3] verklaart voorts dat verdachte later de auto’s zelf is gaan verkopen via de Handelsonderneming van zijn zoon.

[mededader 1] verklaart dat het bedrijf op papier van [mededader 4] was, maar dat hij altijd onderhandelde met verdachte. [mededader 4] werkte altijd, zo verklaart hij.

Volgens [mededader 2] , die als chauffeur fungeerde, kreeg hij alle opdrachten van verdachte. Hij kreeg nooit opdrachten van [mededader 4]. Hij kreeg de transportopdrachten van verdachte en in opdracht van verdachte moest hij facturen uitschrijven aan [mededader 1].

[medewerker 1], die administratieve werkzaamheden voor [bedrijfsnaam] verrichtte, verklaart in dat verband dat hij [mededader 4] bijna nooit zag op het bedrijf en dat verdachte volgens hem beslissingsbevoegdheid heeft.

[getuige 1], een Belgische leverancier van auto’s, ten slotte verklaart dat verdachte rechtstreeks bij hem bestelde.

[getuige 2] besprak de prijs van de auto’s die hij kocht altijd met verdachte.

Verdachte zelf zegt dat hij vrijwel alles regelt voor het bedrijf, dat hij de in- en verkopen doet en alle handelingen die daarmee te maken hebben, zoals het tekenen van contracten. Volgens verdachte werkte zijn zoon drie dagen in de week bij een parketbedrijf. Verdachte spreekt in zijn verklaringen nagenoeg steeds in de “ik” vorm als hij over het bedrijf praat. Hij verklaart voorts: “Ik verkocht 10 tot 15 auto’s per week”en “Ik verdiende daar € 750,-- tot € 1.000,-- per auto mee.” Op de vraag hoe het bedrijf aan de klanten kwam voor de auto’s verklaart hij: “Dat wisten de klanten omdat ze het aan elkaar doorvertelden. Ze hadden gehoord dat ik het deed en zo zijn ze bij [bedrijfsnaam] terecht gekomen.” Zo verklaart hij daar ook dat er over de jaren 2001 tot en met 2003 geen winst uit onderneming is aangegeven omdat hij geen winst ontvangt.

In 2004 wordt verdachte volledig gemachtigd voor bancaire handelingen bij de ING inzake [bedrijfsnaam]. Verdachte verklaart verder dat hij zich wel het beeld kan voorstellen dat [mededader 2] en [medewerker 1] denken dat ze zaken met hem hebben gedaan. Hij zegt tegen de chauffeur ([mededader 2]) of [mededader 1] welke auto’s hij kan gebruiken waarvoor hij een koper heeft en hij doet ook dikwijls contante betalingen voor de auto’s.

Over de plaats waar de activiteiten van het bedrijf plaats vonden, komt uit het dossier het volgende naar voren.

[mededader 2] verklaart dat hij de auto’s die hij ophaalde afleverde bij verdachte.

[getuige 1] leverde de auto’s af op de [adres]. Op dat adres is verdachte woonachtig. Op dat adres is ook het stempel gevonden dat blijkens de verklaring van verdachte door hem is gebruikt om in geval van afleveringen op zijn adres namens [mededader 1] te kunnen stempelen.

De telefoonaansluiting via welke werd gesproken over zaken betreffende de Handelsonderneming stond op naam van verdachte, terwijl de faxaansluiting die werd gebruikt voor het verzenden van faxen door de handelsonderneming was aangesloten op het adres van verdachte.

Voorts zijn op het woonadres van verdachte bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op de handelsonderneming, te weten een volmachtverklaring waaruit blijkt dat verdachte volledig gemachtigd was bancaire diensten te verrichten inzake de handelsonderneming en een faxbericht met daarop een lijst met 36 data, omschrijvingen van voertuigen, chassisnummers en bedragen.

Op grond van al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de handel die verdachte in eerst instantie ten behoeve van zichzelf uitoefende, later door hem werd voortgezet via een door zijn zoon opgerichte Handelsonderneming. De werkzaamheden in de onderneming werden daarbij verricht door verdachte. Hij was het aanspreekpunt voor de personen met wie zaken werden gedaan. Voor de buitenwereld was het een onderneming van verdachte. De rechtbank oordeelt dat de zoon niet meer is geweest dan een strofiguur voor de onderneming van verdachte. Op grond daarvan dient verdachte als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 te worden beschouwd en diende hij aangifte te doen. Daar verdachte deze zaken deed onder de naam van de op naam van zijn zoon staande handelsonderneming, dient deze onderneming feitelijk als de onderneming van verdachte te worden beschouwd.

In het dossier bevinden zich een viertal ingevulde en ondertekende aangiften Omzetbelasting op naam van [.] [bedrijfsnaam], te weten over het jaar 2003 en de eerste drie kwartalen van 2004. Deze aangiften zijn door de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, terugontvangen op data liggende in de periode van 26 januari 2004 t/m 25 oktober 2004.

[medewerker 2] heeft met betrekking tot deze aangiften verklaard dat zij deze heeft ingevuld aan de hand van het grootboek en dat zij deze aangiften met uitzondering van die van het 2e kwartaal 2004, heeft ondertekend. Nadat haar de facturen gedateerd in 2003 en 2004 van [mede[bedrijfsnaam 2] aan [bedrijfsnaam] zijn getoond, verklaart [medewerker 2] dat zij kan zien dat deze facturen zijn geboekt in de administratie van [bedrijfsnaam] en dat de door [mededader 1] [bedrijfsnaam 2] in rekening gebrachte BTW op die facturen als voorbelasting zijn verwerkt in de aangiften omzetbelasting van [bedrijfsnaam].

[mededader 1] is geconfronteerd met 86 facturen uit 2003 en 309 facturen uit 2004 van [mededader 1] [bedrijfsnaam 2] aan [bedrijfsnaam] en heeft daarover tegen ambtenaren van de FIOD verklaard dat het inderdaad facturen betreft, afkomstig van zijn eenmanszaak [mededader 1] [bedrijfsnaam 2]. Hij maakte de facturen altijd zelf op met zijn computer. Op papier verkocht hij auto’s en motoren aan [bedrijfsnaam 3], degene op wiens naam [bedrijfsnaam] stond, maar in werkelijkheid onderhandelde hij met verdachte in [pl[plaats]] Verdachte betaalde ook altijd aan hem. De belangrijkste leveranciers van de auto’s waren [getuige 1] en [getuige 3] De auto’s die voor verdachte bestemd waren gingen direct vanuit België naar verdachte. Ook heeft [mededader 1] tegenover FIOD-ambtenaren verklaard dat hij, als hij de vraag naar een bepaalde auto kreeg van verdachte, belde naar [getuige 3], waarna hij overlegde met verdachte, die dan besliste of op het aanbod kon worden ingegaan. Verdachte wist dus hoeveel de auto kostte. [ ] [mededader 2] haalde de auto’s op en werd betaald door verdachte. [mededader 1] kreeg van verdachte een marge bovenop de inkoopprijs exclusief BTW uitbetaald, waarna altijd de verkoopprijs exclusief BTW lager werd vastgesteld dan de inkoopprijs, hetgeen verdachte volgens [mededader 1] natuurlijk dan ook wist.

Volgens [mededader 1] hebben verdachte en [mededader 2] eind 2002, begin 2003 de handel met [getuige 3] in Oostenrijk overgenomen en ging alles buiten hem om. [mededader 1] kreeg toen alleen nog maar een verkoopfactuur van [getuige 3] gericht aan [mededader 1] [bedrijfsnaam 2]. Die factuur kreeg hij dan van verdachte of [mededader 2]. [mededader 1] kreeg toen in eerste instantie € 250,= en later € 500,= van verdachte, omdat hij een factuur opmaakte die verdachte in zijn administratie als inkoop kan boeken. Alle auto’s die op de facturen staan vermeld en die uit Duitsland of Oostenrijk afkomstig zijn, zijn door verdachte zelf gekocht, betaald, opgehaald en doorverkocht, waarmee volgens [mededader 1] de facturen vals zijn. Deze handelwijze geldt volgens [mededader 1] ook voor de auto’s en motoren die uit België afkomstig waren. De facturen heeft hij wel opgemaakt, maar de auto’s en motoren die erop staan, zijn niet door hem geleverd. Die heeft verdachte zelf gekocht en naar zijn terrein laten vervoeren.

Deze verklaringen van [mededader 1] vinden steun in de verklaringen van de getuigen/mede-verdachten [mededader 2] en [getuige 1].

[mededader 2] heeft bij de FIOD verklaard dat hij de transportopdrachten van verdachte kreeg, dat hij door verdachte betaald werd en dat hij in opdracht van verdachte zijn facturen moest uitschrijven aan [mededader 1]. Met de zoon van verdachte, [bedrijfsnaam 3], zegt [mededader 2] nooit te maken te hebben gehad. Hij heeft voorts nog verklaard dat hij de auto’s na het transport afleverde bij verdachte en dat hij [mededader 1] niet op de hoogte stelde van de aankoop van de auto’s en de aflevering daarvan bij verdachte.

[getuige 1], leverancier van auto’s in België, heeft verklaard dat de bestellingen van auto’s al heel snel door verdachte werden gedaan en dat hij alle auto’s heeft laten afleveren op de [adres] De chauffeur die de auto’s afleverde kreeg door verdachte betaald en op de CMR’s werd door verdachte een stempel van [mededader 1] [ ] gezet. Volgens [getuige 1] handelde hij met verdachte en kon verdachte alle beslissingen nemen.

Ook verdachte zelf bevestigt een deel van wat [mededader 1] over hem heeft verklaard. Verdachte verklaart dat de auto’s waarvan een factuur op naam van [mededader 1] [ ] werd gemaakt, rechtstreeks naar hem gingen en dat hij een stempel van [mededader 1] bij hem op zijn kantoor had liggen.

Op basis van de hierboven weergegeven verklaringen van verdachte, [getuige 1], [mededader 2] en [mededader 1], trekt de rechtbank de conclusie dat ten aanzien van de aan- en verkoop van de auto’s die op de tenlaste gelegde facturen zijn vermeld sprake is van een schijnconstructie en dat in werkelijkheid verdachte degene is geweest die de op de facturen genoemde auto’s bestelde, kocht, liet transporten en bij zijn woonadres in [plaats] liet afleveren. [mededader 1] had in werkelijkheid niet de macht om over de auto’s en motoren te beschikken.

Deze conclusie wordt nog versterkt door de omstandigheid dat op het adres van verdachte in [plaats] blanco facturen van [mededader 1] [bedrijfsnaam 2] met daarop geschreven “contant voldaan”, een fotokopie in kleur van het paspoort van [mededader 1] en een vanaf het woonadres van verdachte op 29 september 2004 verzonden fax, bevattende een uittreksel van de Kamer van Koophandel en het BTW-nummer van o.a. [mededader 1] [bedrijfsnaam 2], zijn aangetroffen. Voormelde goederen zijn aangetroffen op een systeemplafond. Voorts zijn op het adres van verdachte facturen van buitenlandse bedrijven gericht aan [mededader 1] [bedrijfsnaam 2] aangetroffen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de facturen vals zijn, aangezien de leveringen van de auto’s en motoren door [mededader 1] als [mededader 1] [bedrijfsnaam 2] aan [bedrijfsnaam] in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt ook verdachte dat wist.

Gelet op het eerdere oordeel dat de handelsonderneming een onderneming van verdachte is, is verdachte gehouden juist, tijdig en volledig aangifte voor de omzetbelasting te doen. Gelet op zijn positie en daarbij behorende verantwoordelijkheid is het aan verdachte om de benodigde fysieke gedragingen ter voldoening aan zijn aangifteverplichting te (laten) verrichten. Weliswaar is de zoon op papier degene die de handelsonderneming drijft en degene aan wie de aangiften zijn geadresseerd, maar dat kan de verantwoordelijkheid die op verdachte rust niet wegnemen. De aangiften die zich in het dossier bevinden hebben dan ook te gelden als aangiften gedaan door verdachte. Dat de betreffende aangiften zijn getekend door ofwel [mededader 4] ofwel door de boekhouder van de onderneming ([naam boekhouder]) doet hieraan niet af. De omstandigheid dat de facturen voor het doen van de aangiftes fysiek niet door verdachte maar door [mededader 4] aan de boekhouder zijn verstrekt acht de rechtbank gelet op het voorgaande evenmin van betekenis. Naast de vaststelling dat verdachte over voornoemde gedragingen door [mededader 4] en de boekhouder kon beschikken en heeft aanvaard, merkt de rechtbank op dat uit het dossier ook juist blijkt dat verdachte de inhoud van de aangifte heeft gewild nu verdachte juist de aftrekbaarheid van de door [mededader 1] in rekening gebrachte omzetbelasting nastreefde zoals dat ook in de ingediende aangiften tot uitdrukking is gebracht.

Daarmee acht de rechtbank feit 1, te weten dat verdachte voornoemde aangiften van

A.H. [naam verdachte] h.o.n. [bedrijfsnaam] opzettelijk onjuist en onvolledig heeft gedaan, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit (het valselijk opmaken van inlichtingenformulieren van het UWV/GAK) wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de inhoud van de inlichtingenformulieren ;

- de bekennende verklaringen van verdachte .

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004

tot en met 9 november 2004 te Eindhoven telkens

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting op naam van [zoon v[naam verdachte] h.o.n. Handelsonderneming

[naam verdachte] over het jaar 2003 en het 1e kwartaal 2004 en het 2e kwartaal 2004

en het 3e kwartaal 2004 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens

opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst

te Eindhoven, ingeleverde aangiftebiljet

omzetbelasting betreffende genoemde periode telkens een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat

feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002

tot en met 6 januari 2004 te Best, vijf

door of vanwege het UWV (GAK) ter uitvoering van de Algemene

arbeidsongeschiktheidswet en/of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

verstrekte formulieren "Opvragen gegevens", telkens zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt, door de in dat formulier voorkomende vragen: "Hebt u

vorig jaar en/of dit jaar nog gewerkt?" en "Hebt u vorig jaar en/of dit

jaar naast uw arbeidsongeschiktheidsverzekering nog andere inkomsten

ontvangen?" met nee te beantwoorden en door

dat formulier te ondertekenen, zulks telkens met het oogmerk om

dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. Bij deze eis houdt de officier van justitie rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van 1 jaar. Zonder deze overschrijding was de eis voor wat betreft de onvoorwaardelijke gevangenisstraf 4 maanden hoger geweest, aldus de officier van justitie.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met medeverdachte [mededader 1] valse facturen opgemaakt terzake van gefingeerde leveringen van auto’s en motoren door [mededader 1] aan verdachte. Gebleken is namelijk dat verdachte de auto’s en motoren rechtstreeks inkocht van en betaalde aan buitenlandse leveranciers en deze rechtstreeks op zijn bedrijf liet afleveren. Derhalve is bij het opmaken van de valse facturen gebruik gemaakt van een schijnconstructie die is opgezet om misbruik te maken van het zogenaamde nultarief ten aanzien van de omzetbelasting bij intracommunautaire transacties. Verdachte heeft de op deze valse facturen vermelde omzetbelasting aangegeven op de aangiften omzetbelasting van de [bedrijfsnaam], een bedrijf dat op papier op naam van zijn zoon stond, maar dat feitelijk zijn onderneming was, terwijl [mededader 1] de aan [naam verdachte] in rekening gebrachte omzetbelasting niet heeft verwerkt in zijn aangiften omzetbelasting. Mede door het handelen van verdachte heeft de fiscus terzake van deze facturen een nadeel geleden van ruim 2 miljoen euro.

Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken nu daarmee wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak nodig zijn. Verdachte heeft deze gemeenschapsbelangen geschonden. Bovendien is het handelen van verdachte concurrentievervalsend, omdat hij door de schijnconstructie een veel lagere inkoopprijs van auto’s en motoren kon bewerkstelligen dan via het legale circuit.

Voorts heeft verdachte uitkeringsfraude gepleegd ten aanzien van zijn WAO-uitkering door onder meer de werkzaamheden bij de [bedrijfsnaam] en zijn inkomsten die hij daaruit had, niet te vermelden op de inlichtingenformulieren van het UWV/GAK. Door uitkeringsfraude te plegen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Het door verdachte veroorzaakte nadeel is door het UWV berekend op ruim € 40.000,= . De rechtbank merkt in dit verband op dat in beginsel een uitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Indien het misbruik maken van deze voorzieningen op grote schaal plaats zou vinden, zou aan het sociale stelsel afbreuk worden gedaan en zouden uiteindelijk de mensen die op een dergelijke uitkering zijn aangewezen daarvan de dupe worden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de ernst van de gepleegde feiten, met name de hoogte van het geleden financiële nadeel, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van in beginsel 36 maanden met aftrek van voorarrest.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. De totaal verstreken tijd tussen de inverzekeringstelling van verdachte en dit eindvonnis bedraagt ongeveer 5 jaar en 5 maanden. De rechtbank komt, rekening houdend met de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging een aantal getuigen, onder wie een getuige in het buitenland, is gehoord, tot een termijnoverschrijding van ongeveer 2 jaar welke niet aan de verdediging is toe te rekenen. Vanwege deze termijnoverschrijding zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de straf die zij in beginsel voor ogen had verlagen met 25 %, zodat een gevangenisstraf van 27 maanden resteert.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het zeer geringe strafblad van verdachte en de omstandigheid dat niet gebleken is dat verdachte zich sinds het plegen van de onderhavige feiten heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Dit brengt de rechtbank ertoe een deel van de gevangenisstraf, te weten 9 maanden, voorwaardelijk op te leggen, mede om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan soortge¬lijke strafbare feiten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 63, 91 en 225 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 68, 69, 72 en 96 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 2: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Prenger en mr. Van Roij, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 mei 2010.

Mr. Prenger is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003

tot en met 9 november 2004 te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

omzetbelasting op naam van [zoon v[naam verdachte] h.o.n. Handelsonderneming

[naam verdachte] over het jaar 2003 en/of het 1e kwartaal 2004 en/of het 2e kwartaal 2004 en/of het 3e kwartaal 2004, in genoemde periode onjuist en/of onvolledig heeft gedaan

en/of heeft/hebben laten doen, immers heeft verdachte (telkens)

opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst

te Eindhoven, althans bij de Belastingdienst, ingeleverde aangiftebiljet(ten)

omzetbelasting betreffende genoemde periode (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens)

een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of doen/laten opgeven,

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001

tot en met 6 januari 2004 te Best, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, in ieder geval in Nederland, zeven, althans een of meer,

door of vanwege het UWV (GAK) ter uitvoering van de Algemene

arbeidsongeschiktheidswet en/of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

verstrekt(e) formulier(en) "Opvragen gegevens", - (elk) (telkens) zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken danwel vervalst en/of laten

vervalsen, door de in die/dat formulier(en) voorkomende vra(a)g(en): "Hebt u

vorig jaar en/of dit jaar nog gewerkt?" en/of "Hebt u vorig jaar en/of dit

jaar naast uw arbeidsongeschiktheidsverzekering nog andere inkomsten

ontvangen?" met nee te beantwoorden en/of te laten beantwoorden en/of door

die/dat formulier(en) te ondertekenen, zulks (telkens) met het oogmerk om

die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken;

(documenten 190-1, 191-1, 192-1, 193-1, 194-1, 195-1 en 196-1)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht