Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM2166

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09/1313
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9907, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding bij intrekken beroepschrift.

Aan belanghebbende – een rijnvarende - was een aanslag premieheffing opgelegd. De inspecteur heeft de aanslag vernietigd naar aanleiding van de regularisatieprocedure met Luxemburg en niet naar aanleiding van de gronden die belanghebbende heeft aangevoerd in zijn beroepschrift. Belanghebbende heeft vervolgens het beroep ingetrokken. Volgens de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op een proceskostenvergoeding omdat de inspecteur niet aan hem is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/30.2.1
FutD 2010-1096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1313

Uitspraakdatum: 2 april 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor Rotterdam,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

Betreft

Het verzoek van belanghebbende ingevolge het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb.

Zitting

Een onderzoek ter zitting heeft met toestemming van partijen niet plaatsgevonden.

1.Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was in het gehele jaar 2004 werkzaam op een Rijnvaartschip. De exploitant van het schip is volgens de afgegeven Rijnvaartverklaring van 2004 [naam exploitant] B.V. te Rotterdam. Geheel het jaar 2004 was belanghebbende in dienstbetrekking bij [werkgever] te Luxemburg ([werkgever]) en werden door [werkgever] in Luxemburg sociale premies afgedragen. Aan belanghebbende is voor het onderhavige jaar een E-106 en een E-101 verklaring afgegeven door de Luxemburgse autoriteiten.

2.2.De inspecteur heeft bij de oplegging van de aanslag geen rekening gehouden met het in de aangifte gedane verzoek om vrijstelling premie volksverzekeringen. Hij heeft in afwijking van de aangifte bij de aanslag ook premies volksverzekeringen geheven. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

2.2.Nadat belanghebbende beroep heeft ingesteld, heeft de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) op 5 oktober 2009 een brief naar de inspecteur gestuurd waarin zij aangeeft dat de Luxemburgse autoriteiten akkoord zijn gegaan met haar verzoek tot regularisatie van de verzekeringspositie van belanghebbende in de zin van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. Dit houdt in dat belanghebbende weliswaar in Nederland sociaal verzekerd is op grond van het Rijnvarendenverdrag, maar op grond van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag de wetgeving van Luxemburg voor het jaar 2004 van toepassing blijft. De Luxemburgse autoriteiten hebben vervolgens de E-101 verklaring ingetrokken.

2.3.Naar aanleiding van de brief van de SVB heeft de inspecteur alsnog een vrijstelling verleend voor de premies volksverzekeringen en heeft hij dienovereenkomstig de aanslag op 15 december 2009 ambtshalve verminderd. Belanghebbende heeft vervolgens het beroep ingetrokken. In geschil is alleen nog of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding.

2.4.Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het bestuursorgaan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.

2.5.Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, Awb sprake is indien het bestuur het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.

2.6.In het onderhavige geval heeft de inspecteur de aanslag verlaagd naar aanleiding van de regularisatieprocedure met Luxemburg. Nu dit besluit tot verlaging van de aanslag niet genomen is op gronden die belanghebbende heeft aangevoerd in zijn beroepschrift, heeft belanghebbende gelet op het voorgaande geen recht op een proceskostenvergoeding.

2.7.Gelet op vorenoverwogene wijst de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. M.L. Weerkamp, rechters, en door de voorzitter en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 april 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.