Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BM0046

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
08/906
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dit is één van elf zaken (nr.’s 08/900, 08/901, 08/902, 08/903, 08/904, 08/905, 08/906, 08/909, 08/910, 08/911 en 08/912). Belanghebbende mocht aan het verslag van het in 2000 gehouden boekenonderzoek het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de administratie van de coffeeshop aan de wettelijke vereisten voldeed. De geconstateerde gebreken van de administratie kunnen derhalve niet leiden tot de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Nu geen sprake is van omkering van de bewijslast dient de inspecteur aannemelijk te maken dat niet alle omzet van de coffeeshop is verantwoord. De inspecteur is hierin niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0934
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/906

Uitspraakdatum: 10 maart 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/kantoor Maastricht,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 22 januari 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.624, alsmede de gelijktijdig bij beschikking opgelegde boete en in rekening gebrachte heffingsrente (aanslagnummer [nummer]H.27).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en haar echtgenoot, vergezeld van hun gemachtigde [naam]. Namens de inspecteur zijn verschenen en gehoord, [namen]. Voorts is verschenen [naam deskundige], in de hoedanigheid van deskundige, ter ondersteuning van belanghebbende. Tijdens de zitting zijn de zaken met procedurenummers 08/900, 08/901, 08/902, 08/903, 08/904, 08/905, 08/906, 08/909, 08/910, 08/911 en 08/912 gelijktijdig behandeld.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 96,60;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende drijft tezamen met haar echtgenoot, in de vorm van een vennootschap onder firma, een coffeeshop (de vof). In de coffeeshop worden cannabis en alcoholvrije dranken verkocht. Belanghebbende is voor 50% gerechtigd in de winst van de vof.

2.2.Bij de vof heeft op 19 september 2000 een boekenonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek heeft zich beperkt tot de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting over het jaar 1998. In het verslag naar aanleiding van het boekenonderzoek is het volgende opgenomen:

“De kasadministratie ziet er goed verzorgd uit en vertoont geen gebreken. De omzet vanwege de softdrugs worden bepaald door de verkoopprijs te verminderen met de inkoopprijs.”

2.3.In de jaren 2004 tot en met 2007 heeft bij de vof wederom een boekenonderzoek plaatsgevonden. Ditmaal werd de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie ziekenfonds zelfstandigen over de jaren 2002 tot en met 2004 onderzocht.

2.4.Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft de inspecteur een navorderingsaanslag over het jaar 2002 opgelegd. Hierbij is de aangegeven winst gecorrigeerd met € 3.985. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking een boete opgelegd van € 1.036. Bij de aanslag is € 360 heffingsrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de boete verminderd tot € 621.

2.5.In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is de berekende heffingsrente in geschil. Meer specifiek is in geschil of de bewijslast dient te worden omgekeerd.

2.6.Artikel 27e van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan of niet is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (“omkering en verzwaring van de bewijslast”). Ingevolge artikel 52 van de AWR zijn ondernemers gehouden van hun vermogenstoestand en van alles, naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens daaruit duidelijk blijken.

2.7.De inspecteur bestrijdt dat de administratie van de vof aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR voldoet omdat de primaire aantekeningen over aankopen van cannabis niet zijn bewaard. Door de vof worden de verkopen aangeslagen op de kassa – de verkopen cannabis onder knop 2 en de overige verkopen onder knop 1 – en bij het overnemen van de kassaomzet in het kasboek wordt eenmaal per week een bedrag aan aankopen cannabis van de omzet afgetrokken. Volgens de inspecteur is die aftrek de helft van de omzet omdat belanghebbende uitgaat van een brutowinst van 100%. Volgens belanghebbende is de aftrek het bedrag dat werkelijk in die week aan inkopen cannabis is betaald. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat door deze wijze van boeken de kasadministratie niet controleerbaar is. Belanghebbende dient de aankopen cannabis op het moment van aankoop en betaling als kasuitgave te boeken en niet eenmaal per week. Dit klemt temeer nu belanghebbende ter zitting heeft beaamd dat ook wel eens meerdere malen per dag cannabis wordt ingekocht en dat de prijzen variëren.

2.8.De rechtbank is echter van oordeel dat belanghebbende aan het verslag van het in 2000 gehouden boekenonderzoek het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat de administratie van de vof aan de wettelijke vereisten voldeed. Belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur heeft niet bestreden dat de administratie zoals die in 1998 werd gevoerd, nagenoeg hetzelfde was als de administratie in 2002 en volgende jaren en dat de aankopen cannabis al die jaren op dezelfde wijze werden geboekt. Bij een zo eenvoudige administratie als die van de vof, mag belanghebbende er van uitgaan dat de controleur in 2000 heeft gezien hoe de inkopen cannabis werden geboekt en dat hij daar geen opmerkingen bij had (vergelijk Hoge Raad 7 december 2007, nr. 42.300, gepubliceerd in VN 2007/59.4). Onder deze omstandigheden kunnen de onder 2.7. geconstateerde gebreken van de administratie niet leiden tot de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast.

2.9.Voor dat geval heeft de inspecteur zich ook nog beroepen op de door belanghebbende zelf ingediende suppletieaangiften omzetbelasting, waaruit zijns inziens blijkt dat belanghebbende ook zelf meent dat de cannabisomzet onjuist werd geboekt. Ter zitting is echter komen vast te staan dat de oorzaak van die suppletieaangiften niet ligt bij de wijze van boeken door belanghebbende doch bij een onjuiste verwerking van de omzet door de accountant. Terwijl belanghebbende de omzet cannabis apart aansloeg op de kassa op omzetknop 2 en de overige omzetten op knop 1, heeft de accountant de totale omzet als geheel genomen en daaruit, op basis van de inkoop van dranken, fictief een (van omzetbelasting uitgezonderde) cannabisomzet afgeleid die lager was dan de op de kassa geboekte omzet cannabis. De accountant heeft die fout in de suppletieaangiften hersteld. Dit alles is geen grond voor verwerping van de administratie.

2.10.Nu geen sprake is van omkering van de bewijslast, dient de inspecteur aannemelijk te maken dat de omzet van de vof hoger is geweest dan belanghebbende in de aangifte en de administratie heeft vermeld.

2.11.De inspecteur heeft aangevoerd dat er geen aansluiting bestaat tussen de omzet softdrugs die in de jaarstukken genoemd wordt en de omzet softdrugs die in de aangiften omzetbelasting is vermeld. Voor wat betreft deze stelling verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in 2.9. De rechtbank acht daarmee de verschillen voldoende verklaard.

2.12.Voorts heeft de inspecteur aangevoerd dat het brutowinstpercentage onaanvaardbaar laag is. De inspecteur heeft het brutowinstpercentage aan de hand van de aanwezige en leesbare kassastroken herrekend waarbij hij, indien in een periode één kassastrook ontbrak, de gehele periode niet mee heeft genomen in zijn berekening. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet juist om bij het ontbreken van één kassastrook, ook de andere kassastroken uit dezelfde periode buiten aanmerking te laten. De rechtbank heeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de totalen van de kassastroken niet correct in het kasboek van de vof werden overgenomen – afgezien van de boeking van de inkoop van cannabis die niet in de kassa werd aangeslagen. Belangrijker echter vindt de rechtbank het gegeven dat met ingang van 2005 de omzet en uitgaven van de vof, waaronder de inkoop van cannabis, dagelijks op door de Belastingdienst verstrekte formulieren worden bijgehouden en dat de omzetten en brutowinstpercentages van na 2005 niet afwijken van die van vóór 2005. Belanghebbende heeft dat ter zitting uitdrukkelijk gesteld en de inspecteur heeft dat niet bestreden. Het brutowinstpercentage dat door de vof werkelijk wordt gerealiseerd, is dan blijkbaar niet zo hoog als de inspecteur verwacht.

2.13.Al het vorenoverwogene, in onderling verband bezien, leidt tot het oordeel dat de inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet alle omzet van de vof is verantwoord. De rechtbank zal de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente vernietigen.

2.14.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskosten

3.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken). Daarbij wordt uitgegaan van de tien samenhangende zaken 08/900, 08/901, 08/902, 08/903, 08/904, 08/905, 08/906, 08/909, 08/910 en 08/911, zodat in elk van de zaken een proceskostenvergoeding van € 96,60 wordt toegekend.

3.2.Voor een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is geen plaats, nu belanghebbende daar niet, voordat de uitspraak op bezwaar is gedaan, om heeft verzocht (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en door deze en mr. M.C.G. Spierings - van Kessel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 24 maart 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.