Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL9927

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
800857/09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdacht heeft geprobeerd haar echtgenoot zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn nek en schouder steken".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800857/09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Van der Hout, advocaat te Bergen op Zoom

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 maart 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Laheij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd haar echtgenoot te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem met een mes in zijn nek/hals en schouder te steken. Subsidiair is dit feitencomplex ten laste gelegd als mishandeling.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van verdachte, de 112-melding en het proces-verbaal van bevindingen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde omdat verdachte niet het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het doden dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging heeft daartoe nog aangevoerd dat verdachte niet wist wat zij van het aanrecht had gepakt en dat zij daarmee niet de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat zij met dat voorwerp het slachtoffer had kunnen doden of zwaar lichamelijk letsel kon toebrengen.

De verdediging heeft verder een beroep gedaan op noodweer(exces) en psychische overmacht. Verdachte geeft aan dat doordat haar man op haar afkwam met zijn handen in de richting van haar hals, zij gegrepen werd door angst. Angst die was ingegeven door eerdere gebeurtenissen waarbij haar man haar had proberen te wurgen. Door de situatie en de angst, voelde zij zich ernstig bedreigd. In een flits en zonder te kijken zou verdachte vervolgens achter haar in de gootsteen hebben gegrepen waar zij een mes pakte en direct op haar man instak.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte haar man op 20 augustus 2009 te Steenbergen heeft gestoken met een mes dat gebruikt wordt bij ontbijt of lunch om brood mee te smeren of te snijden . Volgens verklaring van het slachtoffer betrof het een kartelmes met een scherpe punt, waarvan er meerdere in het huis aanwezig zijn.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat sprake zou zijn geweest van het maken van een ronddraaiende beweging met het mes, in plaats van stekende bewegingen. De rechtbank volgt dat niet. Zowel uit de melding door verdachte aan 112 , als uit de eerste verklaring van verdachte voor de hulpofficier van justitie blijkt dat verdachte zelf nadrukkelijk spreekt van steken.

De rechtbank staat daarmee voor de vraag of sprake is geweest van opzet tot het doden of toebrengen van zwaar lichamelijk letstel danwel sprake is van mishandeling.

Ten aanzien van de aanwezigheid van het oogmerk (opzet) bij verdachte om het slachtoffer te doden, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden bewezen. Uit de omstandigheden kan niet worden afgeleid dat verdachte het doel had haar man te doden, noch dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood het gevolg zou zijn van haar stekende bewegingen. Uitgaande van de verklaring uit het proces-verbaal van bevindingen , betrof het een mes, waarvan onaannemelijk is dat daarmee dodelijke steken kunnen worden toegebracht.

Anders ligt dit, volgens de rechtbank, ten aanzien van opzet tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letstel. Door te steken met een mes aanvaardde verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat zij haar man zwaar lichamelijk letstel zou toebrengen. Dit klemt temeer nu de verwondingen zich bevinden in de nek, net onder de haargrens, en op het linker schouderblad (achterzijde) .

Het door de verdediging aangevoerde beroep op noodweer gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan het voor noodweer vereiste van de noodzakelijkeid van de verdediging (proportionaliteitseis).

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het slachtoffer verdachte niet heeft aangeraakt, ten minste met zijn handen niet haar keel of hals heeft gegrepen. Hij kwam volgens verklaring van verdachte met een hand in haar richting . In het midden kan blijven in welk stadium van de ruzie het slachtoffer verdachte tegen haar knie schopte en of hij haar heeft geslagen tegen het hoofd, omdat de angst en de dreiging van een nieuwe verwurging, haar reactie zouden hebben veroorzaakt. Dat heeft verdachte eerder en opnieuw ter zitting verklaard. Na het ontstaan van die angst heeft het slachtoffer zich afgewend of afgedraaid of zelfs mogelijk gebukt. Pas toen heeft verdachte gestoken. Op dat moment kan de dreiging niet meer dusdanig aanwezig zijn geweest dat gesproken kan worden van noodzakelijke verdediging. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat voor verdachte op dat moment de mogelijkheid bestond te vluchten of weg te lopen van de situatie.

Nu aan het vereiste van noodzakelijkheid niet is voldaan, kan de beoordeling van het vereiste van het geboden zijn van de verdediging (de subsidiariteitseis), achterwege blijven.

Nu geen sprake is van een te honoreren beroep op noodweer, kan volgens vaste jurisprudentie geen sprake zijn van een beroep op noodweer-exces. Dat sprake is van de in de jurisprudentie beschreven uitzondering is in het onderhavige geval niet aannemelijk. De omstandigheden van het geval, waarbij vluchten en andere afweermogelijkheden uitdrukkelijk bestonden, vertonen veel meer kenmerken van een tegenaanval dan van een afweerhandeling.

Het beroep op psychische overmacht slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin.

Psychische overmacht kan worden uitgelegd als een van buiten komende dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, maar in redelijkheid niet kan worden gevergd. Ook hier zijn proportionaliteit en subsidiariteit de vereisten.

Echter worden minder hoge eisen gesteld aan de verschillende componenten. Niet bijvoorbeeld de objectieve noodzaak geldt als eis, maar deze eis moet worden bezien vanuit de psychische gesteldheid van verdachte op dat moment.

De rechtbank is van oordeel dat de psychische gesteldheid van angst en een bedreigd gevoel op het moment van het steken mogelijk nog aan de orde was, maar desondanks van verdachte kon worden gevergd kan zij daaraan weerstand bood.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair:

op 20 augustus 2009 te Steenbergen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijke letstel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] met een mes in zijn nek en schouder heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

Vooruitlopend op een noodweer- noodweerexces verweer heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte blijkt dat zij de dag daarvoor haar echtgenoot al had aangesproken op de door hem ontvangen smsjes en dat haar echtgenoot daar agressief op had gereageerd. Door op 20 augustus opnieuw over de smsjes te beginnen en dit terwijl verdachte zich samen met haar echtgenoot in een kleine ruimte bevond, haar echtgenoot op het punt stond het huis te verlaten en zij zelf de deur op de knip heeft gedaan, heeft verdachte, in de visie van de officier van justitie, zelf een situatie gecreëerd waarbij het voorspelbaar was dat het uit de hand zou lopen.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweer-exces omdat verdachte, nadat hij haar eerst tegen de knie had geschopt en haar op haar hoofd had geslagen, zeer ernstig werd bedreigd door haar echtgenoot. Bovendien kwam de echtgenoot van verdachte, zo heeft de verdediging gesteld, met uitgestrekte handen op de keel van verdachte afgelopen, terwijl zij geen kant uit kon. Hierdoor zou verdachte in totale paniek een mes van het aanrecht hebben gepakt en haar echtgenoot hebben gestoken.

Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht omdat verdachte door enorme angst en paniek niet meer in staat was weerstand te bieden aan haar impulsieve reactie op de bedreiging, het slaan/schoppen en het beeld van een eerdere wurgpoging door haar echtgenoot.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer, noodweerexces en psychische overmacht niet.

Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Nu de rechtbank het beroep op noodweer niet volgt, kan de door de officier van justitie aangevoerde culpa in causa buiten beschouwing worden gelaten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 75 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, indien de rechtbank verdachte strafbaar acht, verzocht de officier van justitie te volgen in haar eis.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de gecompliceerde persoonlijke omstandigheden waarin verdachte ten tijde van het gepleegde feit verkeerde en tot op heden nog steeds verkeert. De rechtbank wijst met name op het veelvuldige huiselijk geweld over en weer binnen de relatie tussen verdachte en het slachtoffer, de eerdere poging tot verwurging van verdachte door het slachtoffer en de hevige emoties die het onderhavige feit omgeven. Verder wijst de rechtbank op het advies van de reclassering, het psychologisch onderzoek van Pro Justitia en de ingezonden brieven van verdachte’s zoon, dochter en schoonzoon, waarin zij een beschrijving geven van het huiselijk geweld en geweld jegens henzelf in het verleden, door het slachtoffer. Al deze elementen dienen te worden meegenomen in de bepaling van de strafmaat.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze omstandigheden in beginsel een beperking van de strafmaat, zodanig dat een voorwaardelijke straf op zijn plaats is.

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank ten voordele van de verdachte laten meewegen dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 75 dagen waarvan 60 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 75 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gameren, voorzitter, mr. Pick en mr. Bennenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 april 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

zij op of omstreeks 20 augustus 2009 te Steenbergen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijke letstel toe te brengen, met dat opzet die

Nuijten met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn nek/hals

en/of schouder, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

zij op of omstreeks 20 augustus 2009 te Steenbergen opzettelijk mishandelend

haar echtgenoot, althans een persoon, te weten [slachtoffer] met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp in zijn nek/hals en/of schouder, althans

diens lichaam heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht