Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL8852

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
09-130
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BR6090, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending gelijkheidsbeginsel wegens oogmerk tot begunstiging:

De rechtbank constateert dat de inspecteur ten aanzien van de groep die voor de jaren na 2005 wèl had gekozen voor toepassing van de opting-in regeling bij de exploitatie van een seksinrichting, een begunstigend beleid voerde. De vernietiging van over 2005 reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen over dat jaar werd immers bewust gebruikt als middel om de opting-in regeling aantrekkelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de handelswijze van de inspecteur dan ook tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen ten gevolge van het oogmerk van begunstiging en is het gelijk aan de zijde van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/26.2.4
FutD 2010-0788 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/130

Uitspraakdatum: 11 maart 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonpl[woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor [woonplaats],

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen met aanslagnummer: [nummer] opgelegd.

1.2.De inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2008 gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 8 januari 2009, ontvangen bij de rechtbank op 9 januari 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij geen bezwaar heeft tegen de inbreng van de stukken.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010 te [woonplaats].

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde

[gemachtigde x] en belanghebbende administrateur [gemachtigde y], alsmede namens de inspecteur, mr. drs. [naam x] en [naam y]. Ter zitting zijn als getuigen gehoord [getuige x], [getuige y] en [getuige z]. Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, een afschrift hiervan is met dagtekening 4 februari 2010 aan partijen verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende exploiteert in 2005, in de vorm van een eenmanszaak, een privé-huis genaamd “[naam huis]”. De onderneming wordt gedreven in de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Voor deze onderneming beschikt belanghebbende over een vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting. In [naam huis] worden kamers verhuurd ten einde prostituees (hierna: dames) in de gelegenheid te stellen hun diensten te verlenen.

2.2.Naar aanleiding van diverse boekenonderzoeken heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de in “[naam huis]” werkzame dames in privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn bij belanghebbende. Dit heeft geleid tot vaststelling van de litigieuze aanslag.

3.Geschil

3.1.Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1) Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?

2) Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het verbod détournement de pouvoir van artikel 3:3 van de Awb?

3) Is er sprake van een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 tussen belanghebbende en de dames? Zo ja, is de aanslag naar het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt de eerste en de tweede vraag bevestigend en de derde vraag ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. De inspecteur heeft zijn verzoek tot veroordeling van belanghebbende in de proceskosten ter zitting ingetrokken.

4.Beoordeling van het geschil

Gelijkheidsbeginsel

4.1.Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien de handelswijze van de inspecteur leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen en deze ongelijke behandeling het gevolg is van:

- een begunstigend beleid dat niet van toepassing is op belanghebbende, òf;

- een oogmerk tot begunstiging van andere gevallen dan dat van belanghebbende, òf;

- een begunstigende behandeling van de meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen.

4.2.De bewijslast van de schending van het gelijkheidsbeginsel berust bij belanghebbende. Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat exploitanten die voor de jaren ná 2005 wèl kiezen voor toepassing van de door de inspecteur aangeboden opting-in regeling en overigens in dezelfde omstandigheden verkeren aanzienlijk begunstigd worden ten opzichte van exploitanten die hier niet voor kiezen. Deze begunstiging van de groep die heeft gekozen voor de opting-in regeling bestaat volgens belanghebbende uit het niet langer veelvuldig verrichten van controles en waarnemingen ter plaatse, als ook uit het niet opleggen van naheffingsaanslagen loonbelasting over voorgaande jaren en het vernietigen van reeds opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting.

4.3.Schending van het gelijkheidsbeginsel kan eerst aan de orde komen bij ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Van gelijke gevallen is sprake indien deze gevallen zowel rechtens als feitelijk vergelijkbaar zijn.

De twee groepen zijn feitelijk vergelijkbaar aangezien beide groepen exploitanten zijn van zogenaamde privé-huizen waarin dames hun diensten kunnen verrichten. Gelet op hetgeen ter zitting is verklaard alsmede op de stukken van het geding, zijn voor het onderhavige jaar in zowel de gevallen waarin voor de jaren ná 2005 niet is gekozen voor toepassing van de opting-in regeling als in de gevallen waarin daarvoor wel is gekozen, dezelfde wettelijke voorschriften van toepassing en zijn deze gevallen rechtens vergelijkbaar. Ten aanzien van beide groepen speelt immers de vraag of de dames hun werkzaamheden in dienstverband verrichten zoals bedoeld in de Wet op de Loonbelasting 1964.

De inspecteur heeft gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen maar van twee homogene groepen waarbij de ene groep voor de jaren ná 2005 wèl heeft gekozen voor de opting-in regeling en de andere groep niet. Echter, die enkele omstandigheid heeft niet tot gevolg dat voor het onderhavige jaar sprake is van ongelijke gevallen. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zowel feitelijk als rechtens gelijke gevallen.

4.4.Belanghebbende stelt dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen daar de inspecteur zou hebben gehandeld uit het oogmerk van begunstiging. De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 maart 1984 (nummer: 22 171, onder andere gepubliceerd in BNB 1984/196) overwogen dat het gelijkheidsbeginsel tevens wordt geschonden indien de ongelijke behandeling het gevolg is van een oogmerk tot begunstiging. Het oogmerk van begunstiging moet voortvloeien uit een welbewuste bevoordeling door de inspecteur van de andere gevallen (zie Hoge Raad 23 april 2004, nummer 38 262, onder andere gepubliceerd in BNB 2004/392).

4.5.De inspecteur heeft ter zitting onder meer verklaard:

“ (…) Ja, het klopt dat de eerder opgelegde naheffingsaanslagen over het jaar 2005 worden vernietigd indien de belastingplichtige akkoord gaat met toepassing van de opting-in in latere jaren. De vernietiging van over het jaar 2005 reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen over dat jaar werd gebruikt als middel om de toepassing van de opting-in te faciliteren.

Indien men niet kiest voor opting-in zal door middel van (boeken)onderzoeken moeten worden vastgesteld wat de aard van de werkzaamheden is.(...)”

en

“(…) Ja, als een belastingplichtige akkoord gaat met de opting-in dan laten wij het verleden rusten. Het is geen beleid omdat wij dat niet mogen maken, maar in de regio Zuidwest wordt dit ten aanzien van exploitanten toegepast.(…) ”

Gelet op deze verklaringen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de inspecteur zich er van bewust was dat hij ten aanzien van de groep die voor de jaren na 2005 wèl had gekozen voor toepassing van de opting-in regeling een begunstigend beleid voerde. De vernietiging van over 2005 reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen over dat jaar werd immers bewust gebruikt als middel om de opting-in regeling aantrekkelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de handelswijze van de inspecteur dan ook tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen ten gevolge van het oogmerk van begunstiging en is het gelijk aan de zijde van belanghebbende.

4.6.Gelet op al het vorenoverwogene, dient de eerste in geschil zijnde vraag bevestigend te worden beantwoord. Nu belanghebbende met betrekking tot de eerste vraag in het gelijk wordt gesteld en het beroep derhalve gegrond is, behoeven de andere vragen geen beantwoording meer en dient te worden beslist als hierna vermeld.

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 644;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr.drs. G.H.C. Blommers en

mr.drs. M.M. de Werd, rechters, en door de voorzitter en mr. M.C.W. Hermus, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19-03-2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.