Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL8594

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
08/4709
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP1527, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP1527
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting

Dit is 1 van 2 uitspraken, procedurenummers 08/4709 en 08/4710

Belanghebbende is een Schots pensioenfonds voor werknemers van lokale overheden. Zij heeft in 2007 verzocht om teruggave van de ten laste van haar in 2002 ingehouden dividendbelasting op grond van artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965. De inspecteur heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat het belanghebbende vrij stond om met een eventueel beroep op het gemeenschapsrecht, een verzoek om teruggaaf te doen. Dat belanghebbende daarbij gebonden is aan de ook voor in Nederland gevestigde pensioenfondsen geldende vervaltermijn van drie jaar voor het indienen van een verzoek om teruggave van dividendbelasting, acht de rechtbank niet onredelijk.

De rechtbank stelt voorts vast dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift de uitspraak op bezwaar nog niet was gedaan terwijl dat wel had gemoeten. Het beroep is daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:20, zesde lid van de Awb, gegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/25.2.2
FutD 2010-0791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4709

Uitspraakdatum: 3 maart 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [plaats], Groot-Brittannië,

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Heerlen,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Belanghebbende heeft met dagtekening 17 december 2007 een verzoek ingediend bij de inspecteur tot teruggave van de ten laste van haar ingehouden dividendbelasting over het jaar 2002 zoals bedoeld in artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB).

1.2.De inspecteur heeft bij beschikking van 19 mei 2008 het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.Belanghebbende heeft op 26 juni 2008 bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Aangezien geen uitspraak op bezwaar was ontvangen, heeft belanghebbende bij brief van 9 oktober 2008, ontvangen door de rechtbank op 13 oktober 2008, beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van de inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

1.4.De inspecteur heeft op 12 november 2008 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de beschikking gehandhaafd.

1.5.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.7.Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.8.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de gemachtigde van belanghebbende, [namen], alsmede namens de inspecteur, [naam]. De beroepszaken bekend bij de rechtbank onder de procedurenummers 08/4709, 08/4710, 08/4711, 08/4712 en 08/4713 zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op dezelfde dag als deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is een pensioenfonds voor werknemers van lokale overheden gevestigd in [regio], Groot Brittannië. Zij heeft geen rechtspersoonlijkheid. In [regio] is belanghebbende niet onderworpen aan een winstbelasting.

2.2.Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar dividenden ontvangen vanuit Nederland. Hierop is een bedrag van € 223.670,70 aan dividendbelasting ingehouden.

2.3.Belanghebbende heeft bij brief van 17 december 2007 op grond van artikel 10 van de Wet DB een verzoek ingediend tot teruggave van dividendbelasting. De inspecteur heeft dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzoek.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of het verzoek van belanghebbende voor teruggave van dividendbelasting terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Indien de voorgaande vraag ontkennend moet worden beantwoord, is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggave van de ingehouden dividendbelasting. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De inspecteur beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beschikking en teruggave van de ingehouden dividendbelasting van € 223.670,70. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten en om een vergoeding van de gederfde rente op grond van artikel 8:73 van de Awb.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.De rechtbank merkt vooraf op, dat ingevolge artikel 6:20, vierde lid van de Awb, het beroep mede wordt geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2008.

Inhoudelijk

4.2.Artikel 10 van de Wet DB (tekst 2002) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Artikel 10

1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is.

Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.(…)”

4.3.De genoemde termijn is opgenomen in artikel 21c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Uitv Reg AWR) en bepaalt in het onderhavige jaar het volgende:

“Artikel 21c

De aangifte, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, wordt gedaan binnen drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld.”

4.4.De opbrengsten waarvan de dividendbelasting is ingehouden zijn ter beschikking gesteld in 2002. Op grond van het bovenstaande was een verzoek om teruggave van de ingehouden dividendbelasting mogelijk tot het einde van het jaar 2005. Nu belanghebbende het verzoek heeft ingediend op 17 december 2007, is het verzoek in beginsel niet-ontvankelijk.

4.5.Belanghebbende heeft gesteld dat de termijn die is genoemd in artikel 21c Uitv Reg AWR voor belanghebbende op grond van het gemeenschapsrecht onverbindend is. Volgens belanghebbende is de driejaarstermijn in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EG.

4.6.Naar de rechtbank verstaat, bedoelt belanghebbende met het doeltreffendheidsbeginsel dat de nationale procesregels de uitoefening van door het gemeenschapsrecht verleende rechten niet in feite onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.

4.7.De rechtbank overweegt hierover het volgende. De omstandigheid dat de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om teruggaaf op grond van de letterlijke tekst van artikel 10 Wet DB in het onderhavige jaar slechts openstond voor in Nederland gevestigde rechtspersonen en dus niet voor belanghebbende, maakt naar het oordeel van de rechtbank de uitoefening van gemeenschapsrechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk. Het stond belanghebbende immers vrij om, met een eventueel beroep op het gemeenschapsrecht, een verzoek om teruggaaf te doen, waarmee voor belanghebbende in feite een rechtsingang openstond, zoals die ook voor in Nederland gevestigde rechtspersonen gold. Dat belanghebbende daarbij gebonden is aan de ook voor in Nederland gevestigde pensioenfondsen geldende vervaltermijn van drie jaar voor het indienen van een verzoek om teruggave van dividendbelasting, acht de rechtbank niet onredelijk. Ook in het geval dat artikel 10 van de Wet DB in strijd zou zijn met het gemeenschapsrecht is naar het oordeel van de rechtbank de termijn van drie jaar redelijk om de rechten op grond van het gemeenschapsrecht te kunnen uitoefenen. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in onder andere de arresten Aprile en Marks & Spencer van het Hof van Justitie EG (17 november 1998, C-228/96, V-N 1999/2.16 en 11 juli 2002, C-62/00, FED 2002/608).

4.8.Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn van drie jaar derhalve niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel. Nu belanghebbende het verzoek tot teruggave van de dividendbelasting buiten de vervaltermijn van drie jaar heeft ingediend, heeft de inspecteur dit verzoek terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende op beleid, waarbij aan in Nederland gevestigde pensioenfondsen die in 2007 een verzoek om teruggaaf van in 2002 ingehouden dividendbelasting hebben gedaan, ambtshalve teruggaaf zou worden verleend, wat daar ook van zij, kan belanghebbende niet baten nu een dergelijk beleid niet kan leiden tot ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek. Overigens staat het de rechtbank niet vrij om toepassing van ambtshalve beleid in rechte te toetsen.

4.9.Nu de eerste in onderdeel 3.1. opgenomen vraag bevestigend moet worden beantwoord, komt de rechtbank aan behandeling van de tweede vraag niet meer toe.

4.10.Belanghebbende heeft op 26 juni 2008 het bezwaarschrift ingediend. De inspecteur had daar dan uiterlijk op 7 augustus 2008 uitspraak op moeten doen. Het beroepschrift is op 13 oktober 2008 bij de rechtbank ingekomen en de inspecteur heeft op 12 november 2008 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift de uitspraak op bezwaar nog niet was gedaan terwijl dat wel had gemoeten. Het beroep is daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:20, zesde lid van de Awb, gegrond. Nu bij de uitspraak op bezwaar de beschikking terecht is gehandhaafd zal de rechtbank die uitspraak op bezwaar bevestigen.

Schadevergoeding

4.11.Nu het beroep gegrond is, komt de rechtbank toe aan beoordeling van het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb. Met betrekking tot het te laat doen van de uitspraak op bezwaar is door belanghebbende geen schade gesteld. Belanghebbende stelt enkel schade geleden te hebben in de vorm van renteverlies doordat de teruggaaf van ingehouden dividendbelasting niet op het verzoek al is verleend. Nu geen schade is gesteld wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

5.Proceskosten

5.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank kan hiervan sprake zijn, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd. De rechtbank kan belanghebbende hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank stond vooraf niet onomstotelijk vast dat het standpunt van de inspecteur niet houdbaar was. Van bijzondere omstandigheden is dan ook geen sprake. De rechtbank zal een proceskostenvergoeding toekennen op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.2.De proceskostenvergoeding wordt voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De zaken met procedurenummers 08/4709, 08/4710, 08/4711, 08/4712 en 08/4713 worden door de rechtbank aangemerkt als samenhangende zaken, zodat de wegingsfactor wordt vermenigvuldigd met 1,5. In ieder van deze zaken kent de rechtbank derhalve een proceskostenvergoeding toe van (afgerond) € 290 [(€ 966 * 1,5)/5].

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-handhaaft de uitspraak op bezwaar;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 290;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 288 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. drs. G.H.C. Blommers, rechters, en door de voorzitter en mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 maart 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.