Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7089

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
10/741
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voor beantwoording van de vraag of bij de in geding zijnde storting van staalslakken in de Oosterschelde sprake is van een nuttige toepassing van afvalstoffen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter een serieus onderzoek naar de gevolgen ervan niet gemist worden.

Het ontbreken van een dergelijk onderzoek leidt echter niet tot het treffen van de voorlopige voorziening dat Rijkswaterstaat de stortingen van de staalslakken nabij Cauwersinlaag, Zuidhoek/De Val en Schelphoek dient te staken. Ter zitting is gebleken dat de desbetreffende werkzaamheden al bijna zijn afgerond en dat het treffen van een dergelijke maatregel ook zou betekenen dat de toplaag met breuksteen niet gerealiseerd kan worden, terwijl van die toplaag juist een positieve invloed op het milieu uitgaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 741 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekster],

gevestigd te Schouwen-Duiveland, verzoekster,

gemachtigde mr. J.E. Dijk

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 11 januari 2010 (bestreden besluit), inzake de weigering om handhavend op te treden tegen het storten van staalslakken in de Oosterschelde nabij Cauwersinlaag, Zuidhoek/De Val en Schelphoek.

Tevens heeft zij op 18 februari 2010 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 februari 2010, waarbij aanwezig waren mr. J.E. Dijk, [woordvoerders verzoekster] namens verzoekster en [woordvoerders verweerder] namens verweerder. Rijkswaterstaat Zeeland (hierna: RWS) is als belanghebbende gehoord bij monde van [woordvoerders RWS].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op locaties in de Oosterschelde waar door erosie de stabiliteit van de waterkering in gevaar is gebracht of de reeds bestaande oeverwerken zijn ondermijnd, wordt dit door RWS tegengegaan door het aanbrengen van zogeheten LD-staalslakken en breuksteen.

Verzoekster is van mening dat door deze stortingen onacceptabele verontreinigingen van het oppervlaktewater zullen optreden en heeft op 7 december 2009 bij verweerder een verzoek ingediend om daartegen handhavend op te treden. Op dat moment vonden stortingen plaats nabij Cauwersinlaag, Zuidhoek/De Val en Schelphoek.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen op grond van de overweging dat de werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit bodemkwaliteit (hierna: het Bbk) waardoor er geen vergunningplicht ingevolge de Waterwet bestaat.

2.2 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.3 Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet is het, voor zover hier van belang, verboden om zonder een daartoe strekkende vergunning stoffen in een oppervlaktewaterlichaam te brengen.

Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbk bepaalt - voor zover hier van belang - dat dit besluit van toepassing is op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Op grond van artikel 5, tweede lid, van het Bbk geldt het verbod, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer definieert nuttige toepassing als: de als zodanig in artikel 1 van de richtlijn nr. 2006/12/EG van 5 april 2006 van het Europees parlement en de Raad betreffende afvalstoffen, aangeduide activiteit;

Krachtens vorenbedoelde richtlijn moeten de afvalstoffen nuttig worden toegepast zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

2.4 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de discussie over eventuele schadelijke effecten voor het bodemleven met name in het kader van de Natuurbeschermingswet dient te worden gevoerd en dat de gevolgen van het storten van de staalslakken voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied Oosterschelde buiten het toetsingskader van het Bbk vallen. In dit verband heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de AbRS van 9 december 2009, inzake 200805338/1 waarin werd geoordeeld dat de gevolgen van het storten van baggerspecie voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszone geen onderdeel vormt van het toetsingskader ingevolge het Bbk.

Dit oordeel van de AbRS laat evenwel onverlet dat in het kader van het Bbk getoetst moet worden of een afvalstof een nuttige toepassing vindt, teneinde te kunnen vaststellen of een vergunning ingevolge de Waterwet vereist is of niet.

Gelet op hetgeen door deskundigen naar voren is gebracht over de aangetroffen metalen in alikruiken die zich op de staalslakken hebben vastgezet, is de voorzieningenrechter er voorshands niet van overtuigd dat het enkele gecertificeerd zijn van staalslakken in het kader van het Bbk voldoende is om aan te nemen dat bij de storting ervan sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in de Wet milieubeheer en de Europese richtlijn nr. 2006/12/EG.

Weliswaar is de certificering van de staalslakken geschied door een wetenschappelijk bureau maar daarmee is niet uitgesloten dat op basis van voortschrijdende inzichten en nadere onderzoeken andersluidende conclusies mogelijk zijn. Voor beantwoording van de vraag of bij de storting van staalslakken in de Oosterschelde sprake is van een nuttige toepassing van afvalstoffen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter een serieus onderzoek naar de gevolgen ervan niet gemist worden.

2.5 Het ontbreken van een dergelijk onderzoek leidt echter niet tot het treffen van de voorlopige voorziening dat RWS de in geding zijnde stortingen van de staalslakken nabij Cauwersinlaag, Zuidhoek/De Val en Schelphoek dient te staken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting is gebleken dat de desbetreffende werkzaamheden al bijna zijn afgerond en dat het treffen van een dergelijke maatregel ook zou betekenen dat de toplaag met breuksteen niet gerealiseerd kan worden. Partijen zijn het er over eens dat het aanbrengen van een laag breuksteen op de staalslakken juist een positieve invloed op het milieu heeft.

2.6 Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Gegeven dit oordeel is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. Th. Peters, voorzieningenrechter, en door deze en mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 10 maart 2010