Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7085

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08/3534
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV8228, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dit is één van 2 zaken (nrs. 08/3534, 09/916)

Het vormen van een voorziening is toegestaan, nu in het onderhavige jaar beslag is gelegd in verband met een eventuele ontnemingsmaatregel.

De rechtbank ziet geen reden om de voorziening reeds in het onderhavige jaar te beperken tot het bedrag waarvoor belanghebbende later tot betaling is veroordeeld. De hoogte van de ontneming is niet een materieel, uit de wet voortvloeiend bedrag (zoals een belastingschuld), naar valt af te leiden uit de zeer ruime redactie van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Tevens blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de bedoeling van de wetgever is geweest dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd "niet alleen voor het wederrechelijk voordeel dat hij uit dat misdrijf of eventuele soortgelijke misdrijven heeft getrokken, maar ook voor enigerlei andere wederrechelijke verrijking, hoe en wanneer ook verkregen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3534

Uitspraakdatum: 24 februari 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 juli 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 832.640 (aanslagnummer: [aanslagnummer]H.46).

Zitting

Partijen zijn bij brief met dagtekening 16 december 2009 opgeroepen om ter zitting van de meervoudige kamer van 10 februari 2010 te verschijnen. Nadat belanghebbende nadere stukken heeft ingediend en de inspecteur vervolgens in de gelegenheid is gesteld om op deze stukken te reageren, is een onderzoek ter zitting met toestemming van partijen achterwege gebleven. De met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en vervolgens aan partijen medegedeeld dat op 24 februari 2010 mondeling uitspraak zal worden gedaan.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2004 tot een berekend naar een verzamelinkomen van nihil;

-stelt het verlies uit werk en woning van het jaar 2004 vast op € 768.551;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322, te voldoen aan de griffier van de rechtbank;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende was in of omstreeks de periode van december 2003 tot en met mei 2004 als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst te Heerlen, afdeling buitenland, team Dividendbelasting.

2.2.Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd en verooordeeld vanwege het - kort gezegd - in behandeling nemen en afwerken van twee vervalste verzoeken tot teruggave van Nederlandse dividendbelasting ten bedrage van € 407.245 respectievelijk € 413.436. Genoemde bedragen zijn uitbetaald en op 16 januari 2004 respectievelijk 30 januari 2004 contant opgenomen door [A] bij de Sparkasse in [plaatsnaam].

2.3.Op 11 juli 2006 heeft de strafkamer van de rechtbank Maastricht belanghebbende veroordeeld. In hoger beroep is belanghebbende, bij vonnis van 9 mei 2008, door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch strafrechtelijk veroordeeld voor oplichting, medeplegen van poging tot oplichting en het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd in de in 2.1 genoemde periode. Inmiddels is hiertegen cassatie ingesteld.

2.4.Op 4 mei 2004 is bij belanghebbende beslag gelegd ten behoeve van een eventueel door het openbaar ministerie op te starten ontnemingsmaatregel. Bij de behandeling van de strafzaak door de rechtbank Maastricht op 21 juni 2006 is door de officier van justitie een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangezegd. Bij uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 juli 2008 is het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op afgerond € 40.171 en is belanghebbende veroordeeld tot betaling van € 10.000 daarvan aan de Staat.

2.5.Belanghebbende heeft over het jaar 2004 aangifte inkomstenbelasting ingediend zonder melding te maken van enig inkomen in verband met de onder 2.2. vermelde activiteiten. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het aangegeven inkomen uit werk en woning van € 11.959 verhoogd met € 820.681 resultaat uit overige werkzaamheden, zijnde het bedrag dat belanghebbende wederrechtelijk zou hebben verkregen. Bij uitspraak op bezwaar is de bijtelling verlaagd naar € 40.171.

2.6.In geschil is of belanghebbende inkomen heeft genoten in 2004 in verband met de vervalste dividendbewijzen en zo ja, of belanghebbende een voorziening mag vormen ten laste van het resultaat tot een bedrag van € 820.681.

2.7.De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in 2004 inkomen heeft genoten uit haar betrokkenheid bij de vervalste dividendbewijzen. De rechtbank vindt voor dit oordeel voldoende steun in de uitspraken van de strafkamer van rechtbank en Hof en tevens in de (mede aan die uitspraken ten grondslag liggende) gegevens over het onverklaarbaar ruime uitgavenpatroon van belanghebbende en haar partner in 2004, vlak na de datum waarop de bedragen door [A] contant waren opgenomen. Tussen partijen is dan niet in geschil dat de eventuele inkomsten belastbaar zijn als resultaat uit werkzaamheid. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

2.8. Artikel 3.95 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt dat bij het bepalen van het resultaat uit werkzaamheid onder meer artikel 3.25 van de Wet IB 2001van toepassing is. Het resultaat moet derhalve worden bepaald volgens goed koopmansgebruik.

In geschil is dan welk bedrag aan inkomen tot het resultaat gerekend moet worden en of daar tegenover een voorziening mag worden getroffen in verband met de te verwachten ontnemings¬vordering.

2.9.Naar het oordeel van de rechtbank dient belanghebbende het bedrag dat zij feitelijk aan voordeel heeft genoten, tot het resultaat over 2004 te rekenen. De inspecteur heeft dat bedrag uiteindelijk gesteld op € 40.171. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende dat hele bedrag ook feitelijk in 2004 heeft genoten.

2.10.Bij belanghebbende is in mei 2004 beslag gelegd in verband met een eventuele ontnemingsmaatregel. Naar het oordeel van de rechtbank brengt goed koopmansgebruik mee dat belanghebbende daarvoor ten laste van het resultaat uit de werkzaamheden een voorziening kan vormen, rekening houdend met de voorwaarden zoals omschreven in het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 33 417, BNB 1998/409 (hierna: het Baksteenarrest). Blijkens het Baksteenarrest mag een voorziening ten laste van de winst worden gevormd voor toekomstige uitgaven, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen. In het geval van belanghebbende bestond er vanaf de beslaglegging in mei 2004 een redelijke zekerheid dat zij in de jaren daarna uitgaven ter zake van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten doen die hun oorsprong vonden in illegale activiteiten in 2004 en ook overigens daaraan konden worden toegerekend. Gelet hierop mag de voorziening reeds in het jaar 2004 worden gevormd.

2.11.Gezien de hoogte van het verduisterde bedrag aan dividendbelasting van € 820.681, kon belanghebbende er redelijkerwijs rekening mee houden dat dat hele bedrag als door haar verduisterd en genoten zou worden aangemerkt en dat zij een ontnemingsvordering tot dat bedrag kon verwachten. Het gegeven dat de inspecteur in eerste instantie dat hele bedrag bij belanghebbende heeft belast, geeft steun aan de redelijkheid van die verwachting.

De rechtbank ziet geen reden om de voorziening reeds in 2004 te beperken tot het bedrag van € 10.000 tot betaling waarvan belanghebbende is veroordeeld, omdat de hoogte van de ontneming niet een materieel, uit de wet voortvloeiend bedrag is (zoals een belastingschuld), naar valt af te leiden uit de zeer ruime redactie van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel bepaalt immers dat een ontnemingsvordering niet alleen kan worden ingesteld met betrekking tot de voordelen uit een ten laste gelegd en bewezen gronddelict, maar ook voor voordelen die zijn genoten uit soortgelijke feiten of zelfs andere strafbare feiten waarvoor een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot dit artikel blijkt ook dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd “niet alleen voor het wederrechtelijk voordeel dat hij uit dat misdrijf of eventuele soortgelijke misdrijven heeft getrokken, maar ook voor enigerlei andere wederrechtelijke verrijking, hoe en wanneer ook verkregen”

(MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21504, nr. 3, p. 13).

2.12.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen over 2004 wordt nihil. Het verlies uit werk en woning van het jaar 2004 wordt dan vastgesteld op € 768.551 (€ 11.959 plus € 40.171 minus € 820.681).

3.Proceskostenvergoeding

3.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belang¬hebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 maal 1 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 1). Met betrekking tot de zaken 08/3534 en 09/916 gaat de rechtbank ervan uit dat het twee samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit en zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 322 (€ 644 gedeeld door twee zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld). Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen zijn gesteld noch gebleken.

3.2.De rechtbank merkt op dat om een proceskostenvergoeding van € 533 (€ 94 plus € 439) is verzocht. Nu de in 3.1 vastgestelde proceskostenvergoeding hoger is, ziet de rechtbank geen reden om een lagere vergoeding toe te kennen.

3.3.Nu belanghebbende procedeert op basis van een toevoeging, wordt ingevolge artikel 8:75, tweede lid, eerste volzin, van de Awb het bedrag van de kosten betaald aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gedaan door mr A.A. den Hartog, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 05-03-2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.