Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL6909

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
09/2501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verricht onderwijswerkzaamheden en andere activiteiten waaronder het organiseren van sportcursussen. In geschil is of er terecht een VAR “loon uit dienstbetrekking” is afgegeven voor de onderwijswerkzaamheden voor een hoge school. De rechtbank oordeelt van wel. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onderwijswerkzaamheden onderdeel waren van een voor zijn rekening gedreven onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0702
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2501

Uitspraakdatum: 15 februari 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 6 mei 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking in de zin van artikel 3.156 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (verklaring arbeidsrelatie hierna: VAR), nr. [nummer].

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010 te Breda

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [namen] Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is als freelance docent werkzaam voor de [naam school x] (hierna: [naam school x]) en de [naam school y]. Verder verricht belanghebbende nog andere activiteiten, waaronder het organiseren van sportcursussen.

2.2.In 2006 is een boekenonderzoek ingesteld. Destijds was belanghebbende als freelance docent werkzaam aan de [naam school x] en de [naam school z]. In het rapport van d.d. 17 januari 2007 is vastgesteld dat deze werkzaamheden als winst uit onderneming dienden te worden beschouwd. Aan belanghebbende is over de jaren 2007 en 2008 ter zake van de onderwijsactiviteiten een VAR WUO afgegeven.

2.3.Op 27 januari 2009 heeft belanghebbende wederom een aanvraag voor een VAR WUO ingediend voor “interim werkzaamheden onderdeel van adviesbureau”. Aangezien bij de aanvraag van de VAR WUO gegevens ontbraken heeft de inspecteur de VAR-aanvraag “buiten behandeling” gesteld.

2.4.Nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen het niet afgeven van een VAR-beschikking, heeft de inspecteur middels een vragenbrief om extra informatie gevraagd over de werkzaamheden van belanghebbende. Blijkens de reactie van belanghebbende, heeft hij alleen een VAR willen aanvragen voor de onderwijsactiviteiten bij de [naam school x]. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur een VAR loon uit dienstbetrekking afgegeven.

2.5.In geschil is het antwoord op de vraag of de inkomsten van belanghebbende uit de onderwijsactiviteiten bij de [naam school x] als loon uit dienstbetrekking dan wel als winst uit onderneming aangemerkt dienen te worden.

2.6.Op grond van artikel 2, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is er sprake van een dienstbetrekking indien voldaan is aan de onderstaande drie criteria van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 7:610 BW.

1. de opdrachtnemer staat in gezagsverhouding tot de opdrachtgever;

2. de opdrachtnemer is verplicht de arbeid persoonlijk te verrichten;

3. de opdrachtgever is verplicht tot betaling van loon.

2.7.De rechtbank stelt voorop dat onderwijsactiviteiten binnen reguliere opleidingen in het algemeen in dienstbetrekking worden verricht. De schoolleiding is in het algemeen bevoegd om aanwijzingen te geven aan de docenten, zij zullen de werkzaamheden persoonlijk moeten verrichten en er wordt loon voor betaald.

2.8.De inspecteur heeft aangevoerd dat er sprake is van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de [naam school x], omdat belanghebbende door de [naam school x] wordt ingeroosterd en gehouden is op bepaalde tijdstippen lessen te geven. Voorts heeft belanghebbende zelf aangevoerd dat hij gelet op de grotendeels zelf ontwikkelde leerstof zich niet vrijelijk kan laten vervangen, waardoor belanghebbende verplicht is de arbeid persoonlijk te verrichten. Belanghebbende ontvangt ook een vast bedrag per gewerkt uur. In beginsel is dan sprake van een dienstbetrekking.

2.9.Indien de onderwijsactiviteiten echter onderdeel zijn van een onderneming kan via een VAR WUO worden bereikt dat geen inhoudingen hoeven plaats te vinden ook al is in de verhouding tussen onderwijsgevende en onderwijsinstelling sprake van een dienstbetrekking. De rechtbank is het dan ook niet eens met de inspecteur die stelt dat uitsluitend gekeken moet worden naar de arbeidsverhouding waarvoor de VAR verklaring wordt gevraagd. Belanghebbende zal aannemelijk moeten maken dat de onderwijsactiviteiten voor [naam school x] onderdeel zijn van een onderneming.

2.10.Belanghebbende heeft omtrent de omvang van de andere activiteiten binnen het accountants- en advieskantoor niets gesteld en de door belanghebbende aangedragen sportactiviteiten en -cursussen acht de rechtbank in een te ver verwijderd verband te staan met de onderwijsactiviteiten om te concluderen dat sprake is van verschillende werkzaamheden in het kader van één onderneming. Daar komt nog bij dat belanghebbende blijkbaar ook via zijn persoonlijke holding [bedrijf a] B.V.” werkzaamheden verricht voor de vennootschappen [bedrijf b] B.V. en [bedrijf c] B.V. en dat niet duidelijk is in hoeverre de sportactiviteiten en –cursussen geschieden in het kader van die BV’s. In elk geval is het zo dat werkzaamheden die voor een (eigen) vennootschap worden verricht, geen onderdeel zijn van de eigen onderneming voor de inkomstenbelasting. Dit een en ander, in onderling verband bezien, leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderwijswerkzaamheden onderdeel uitmaken van een voor zijn rekening gedreven onderneming.

2.11.Belanghebbende heeft nog verwezen naar het boekenonderzoek dat in 2006 is uitgevoerd en de uitkomsten daarvan. Uit het verslag van dat onderzoek leidt de rechtbank af dat uitsluitend is afgegaan op verklaringen van belanghebbende en dat belanghebbende daarbij niet heeft vermeld dat ook werkzaamheden worden verricht in het kader van (eigen) vennootschappen van belanghebbende. Het is mogelijk dat daarvan in 2006 nog geen sprake was, maar dan is er in 2009 een wezenlijke verandering van omstandigheden ten opzichte van 2006. Het is ook mogelijk dat in 2006 ook al voor (eigen) vennootschappen werd gewerkt, maar dan heeft belanghebbende toen wezenlijke informatie niet verstrekt die van belang was voor de beoordeling van zijn arbeidsverhoudingen. In beide gevallen is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van in rechte te honoreren vertrouwen dat in 2009 een VAR WUO zou worden afgegeven.

2.12.Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat er terecht een VAR-loon uit dienstbetrekking is afgegeven.

2.13.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.14.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en door deze en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26-02-2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.