Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL6648

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
02/800883-09 en 601282-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In verband met twee winkeldiefstallen wordt verdachte, een zgn. veelpleger, veroordeeld tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders. Het verzoek van de verdediging om dit in een voorwaardelijke vorm te doen wordt afgewezen nu vele eerdere trajecten om mevrouw van haar drugsverslaving af te brengen zijn mislukt en de hulpverlening geen mogelijkheden ziet om haar in een meer vrijwillig verband te laten afkicken. Wel heeft de rechtbank een toetsing na een half jaar bepaald om de voortgang van haar behandeling te bewaken en mede om te beoordelen of voortzetting van de ISD-maatregel in een forensisch psychiatrische kliniek wellicht de voorkeur heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800883-09 en 601282-08 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in de P.I. voor Vrouwen te Breda

raadsvrouw mr. H.J. Roks, advocate te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Laheij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 juli 2009 alleen en op 27 juli 2009 met anderen Zwitsalproducten heeft gestolen uit een supermarkt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiftes van Albert Heijn en van Super de Boer en de bekennende verklaringen van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

m.b.t. feit 1

Assistent Supermarktmanager [naam assistent] verklaarde dat op 27 juli 2009 bij de supermarkt Albert Heijn aan het Brabantplein 24 te Breda tussen 19.40 uur en 19.50 uur een vrouw goederen uit de winkel in een plastic tas stopte. Voorbij de kassa heeft hij in de plastic tas van de vrouw gekeken en daarin zaten ongeveer 60 Zwitsal producten.

m.b.t. feit 2

Bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] verklaarde dat op camerabeelden te zien is dat op 14 juli 2009 om 15.12 uur bij de supermarkt Super de Boer, Cypresstraat 21 te Breda, een vrouw het schap met Zwitsal producten leeghaalde en in een plastic tas stopte. Zij liep met die goederen zonder af te rekenen langs de kassa naar buiten.

Verbalisant [naam verbalisant] herkende verdachte als de vrouw die hij op de camerabeelden van Super de Boer had gezien.

m.b.t. feit 1 en 2

Verdachte bekende dat zij beide winkeldiefstallen heeft gepleegd.

Op grond daarvan acht de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat bij de winkeldiefstal bij Albert Heijn (feit 1) nog een ander betrokken was.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 27 juli 2009 te Breda, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid verzorgingsproducten (merk Zwitsal), toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal Brabantplein 24 te Breda) ;

2.

op 14 juli 2009 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid Zwitsalproducten, toebehorende aan het winkelbedrijf Super de Boer;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD).

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om geen onvoorwaardelijke, maar een voorwaardelijke ISD op te leggen, met als bijzondere voorwaarde klinische opname bij de Mondriaan Zorggroep.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de door verdachte bekende, maar haar niet ten laste gelegde strafbare feiten, zoals opgenomen in de door de officier van justitie ad informandum bij het dossier gevoegde zaak onder parketnummer 02/665123-10. Dit betreffen winkeldiefstallen bij Blokker en Kruidvat te Breda op 30 april 2009.

Verdachte heeft binnen een tijdsbestek van twee weken zowel bij een vestiging van Albert Heijn als bij een van Super de Boer een groot aantal Zwitsalproducten gestolen. Verdachte heeft voor die producten haar vaste afzet adres.

Winkeldiefstallen zorgen voor veel overlast. Ook al wordt er voor relatief lage bedragen gestolen, het bezorgt de winkelier handenvol extra werk en het levert de middenstand jaarlijks een meer dan forse schadepost op.

Het is beslist niet de eerste keer dat verdachte voor dit soort feiten voor de rechter moet verschijnen. De laatste 2 jaar is zij voor maar liefst 9 vergelijkbare feiten veroordeeld. Verdachte geeft toe dat zij iedere keer opnieuw probeert om, al of niet met hulp van Novadic-Kentron, van haar verslaving af te komen, maar steeds weer terugvalt. Telkens als zij terug is gevallen, pleegt zij winkeldiefstallen om haar harddrugs te bekostigen.

De officier van justitie had al op een vorige zitting een onvoorwaardelijke ISD gevorderd. De raadsvrouw en verdachte hadden een klinische behandeling bij de Mondriaan Zorggroep bepleit en deze behandeling zou als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke ISD kunnen worden opgelegd. De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan de behandeling aangehouden en nader advies gevraagd omtrent de mogelijkheden van een voorwaardelijke ISD. De ketenpartners van het zogenaamde Veelplegersoverleg hebben daaromtrent aanvullend gerapporteerd. Zij komen tot de conclusie dat verdachte herhaaldelijk heeft laten blijken in een vrijwillig kader onbehandelbaar te zijn en een gedwongen behandeling kan alleen in het kader van een onvoorwaardelijke ISD.

De officier van justitie kiest met haar eis voor beveiliging van de maatschappij tegen de voortdurende strafbare feiten die verdachte pleegt.

De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat een ISD een ultimum remedium is en niet lichtzinnig moet worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn echter alle hulpverleningstrajecten inmiddels doorlopen. Verdachte heeft kans op kans gehad. Zij is er een keer in geslaagd circa anderhalf jaar clean te blijven, maar viel toch weer terug.

Verdachte slaagt er niet in om een regulier, drugsvrij, leven op te bouwen, ondanks de diepe wens van haar dochter, die indringend om compassie heeft verzocht.

Doordat ondanks de veelvuldige hulpverlening verdachte blijft terugvallen, is naar het oordeel van de rechtbank nu het punt bereikt dat de veiligheid van de maatschappij dient te prevaleren. Zoals de officier van justitie terecht aanvoerde, het houdt een keer op.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders thans wenselijk en noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers op de door verdachte begane misdrijven is voorlopige hechtenis toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de door haar begane misdrijven ten minste driemaal onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf veroordeeld. Verder zijn de huidige feiten begaan na tenuitvoerlegging van die straffen of maatregelen. Tot slot moet er, zoals hiervoor reeds overwogen, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

Wel acht de rechtbank een tussentijdse toets van belang. Verdachte verwacht van de ISD een “kale” opsluiting van twee jaar. Die gedachtegang werkt demotiverend en is noch in het belang van verdachte, noch in die van de maatschappij. Verdachte moet het uitzicht houden dat een ISD niet alleen bedoeld is om de maatschappij te beschermen, maar ook om haar nu eindelijk eens van haar verslavingsproblemen te verlossen en haar een reële kans op een regulier leven, en daarmee samenhangend een goed contact met haar dochter, te bieden. Zij stelt thans gemotiveerd te zijn en de rechtbank acht het belangrijk dat zij over een half jaar kan laten zien dat dit echt zo is.

De rechtbank zal bij het bepalen van de duur van de maatregel geen rekening gehouden met de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, nu dit de behandeling in het kader van de ISD zou verstoren.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft ter zitting voorgesteld haar vordering, om de voorwaardelijke straf van 4 weken gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter alhier d.d. 19 december 2008 ten uitvoer te leggen, af te wijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat zij een tenuitvoerlegging niet opportuun acht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal;

feit 2: Diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

- bepaalt dat het verloop van deze maatregel tussentijds dient te worden beoordeeld na zes maanden;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Prenger en mr. Van Breugel, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 maart 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

zij op of omstreeks 27 juli 2009 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (ongeveer) zestig, althans een grote hoeveelheid, althans een of meer verzorgingsproducten (merk Zwitsal), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijfAlbert Heijn (filiaal Brabantplein 24 te Breda), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

zij op of omstreeks 14 juli 2009 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid zwitsalprodukten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Super de Boer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.