Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL6088

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09/1556
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2011:BT1514, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BT1514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een inwoner van Duitsland met vermogen in Nederland, die niet gekozen heeft voor de binnenlandse belastingplicht, heeft geen recht op aftrek van het heffingsvrije vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/23.11 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1556

Uitspraakdatum: 15 februari 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam] (Duitsland),

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 5 maart 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.935, aanslagnummer [nummer]

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord,belanghebbendes gemachtigde [naam] bijgestaan door [naam], verbonden aan KPMG Meijburg & Co Belastingadviseurs te Arnhem, alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is inwoner van Duitsland. Tot zijn vermogen in Nederland behoren participaties in [X]. Dit zijn fiscaal transparante beleggingsfondsen die beleggen in Nederlands vastgoed.

2.2.Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting over 2007 (hierna: aangifte) gedaan als buitenlands belastingplichtige. In de aangifte heeft belanghebbende verzocht om aftrek van het heffingsvrije vermogen ad € 20.014 (artikel 5.5. Wet Inkomstenbelasting 2001, verder Wet IB 2001). De inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag het heffingsvrije vermogen niet in aanmerking genomen (artikel 7.7 Wet IB 2001). Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

2.3.In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op toepassing van het heffingsvrije vermogen op basis van artikel 56 EG-Verdrag. Meer in het bijzonder is in geschil of het heffingsvrije vermogen als een brongebonden aftrekpost dient te worden gekwalificeerd. Niet in geschil is dat belanghebbende minder dan 90% van zijn gezinsinkomen in Nederland geniet. Indien er sprake is van een brongebonden aftrekpost is voorts niet in geschil dat belanghebbende op grond van artikel 56 EG-Verdrag hiervoor in aanmerking komt.

2.4.Investeringen in onroerende zaken, zoals de onderhavige participaties, vormen kapitaalverkeer in de zin van artikel 1, eerste lid van richtlijn 88/361. Artikel 56 EG-Verdrag verbiedt, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 58 EG-Verdrag, alle beperkingen van het kapitaalverkeer. Uit artikel 58, eerste en derde lid, EG-Verdrag volgt dat de lidstaten in hun belastingwetgeving onderscheid mogen maken tussen binnenlands en buitenlands belastingplichtigen, voor zover dit onderscheid noch een middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (HvJ EG 5 juli 2005, zaak C-376/03 (zaak D)).

2.5.Met betrekking tot de inkomstenbelasting heeft het HvJ EG geoordeeld dat de situatie van een ingezetene verschilt van die van een niet-ingezetene, aangezien in zijn geval de belangrijkste inkomstenbestanddelen gewoonlijk in de woonstaat zijn geconcentreerd. Voorts beschikt deze staat in het algemeen over de nodige gegevens om de totale draagkracht van de belastingplichtige, gelet op zijn persoonlijke en gezinssituatie, te kunnen beoordelen (o.a. HvJ EG 14 februari 1995, zaak C-279/93 (Schumacker)). Op deze regel bestaan, kort gezegd, twee uitzonderingen namelijk (1) de situatie dat een niet-ingezetene voor ten minste 90% van zijn wereldinkomen in die lidstaat aan belasting is onderworpen (HvJ EG 14 september 1999, zaak C-391/97 (Gschwind)) en (2) de situatie waarin een binnenlands en buitenlands belastingplichtige ter zake van dezelfde activiteiten of hetzelfde heffingsobject ongelijk worden behandeld (HvJ EG 6 juli 2006, C-346/04, V-N 2006/38.8 (Conijn) en HvJ EG 12 juni 2003, C-234/01, BNB 2003/284 (Gerritse)).

2.6.Tussen partijen is niet in geschil dat uitzondering (1) zich hier niet voordoet. In geschil is of uitzondering (2) zich wel voordoet.

2.7.In de wetsgeschiedenis van artikel 5.5 Wet IB 2001 is over de heffingvrije som het volgende vermeld:

“Alvorens het tarief van 30% wordt toegepast, mag eerst een zogenoemd heffingvrij vermogen van de rendementsgrondslag worden afgetrokken. (…) Met het heffingvrije vermogen (een vrijstelling 'aan de voet') wordt bereikt dat belastingplichtigen met een positief nettovermogen niet reeds vanaf de eerste euro of gulden van dat vermogen in de heffing van het forfaitaire rendement worden betrokken. Deze tegemoetkoming - die qua werking in grote lijnen overeenkomt met de rente- en de dividendvrijstellingen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 - is bedoeld voor alle belastingplichtigen, maar heeft relatief het meeste effect voor beleggers en spaarders met kleine vermogens.” (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 237-238)

2.8.Uit deze wetsgeschiedenis blijkt dat beoogd is een algemene aftrekpost te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is het heffingvrije vermogen, zoals dat in de wet is vastgelegd, conform de bedoeling van de wetgever een algemene aftrekpost en niet een die betrekking heeft op bepaalde activiteiten of vermogensbestanddelen. Het heffingvrije vermogen is dan naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de belastingvrije som zoals die bestond voor de vermogensbelasting, waarop een buitenlands belastingplichtige ook geen recht had. Dat was volgens het Hof van Justitie gerechtvaardigd (HvJ 5-7-2005, C-376/03, zaak D). Het gelijk is aan de inspecteur.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en door deze en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26-02-2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.