Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL6006

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
09/3106
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sinds de eerdere uitspraak van 4 april 2006 is bij verweerder een bezwaarschrift in behandeling i.v.m. de weigering handhavend op te treden tegen een door belanghebbende illegaal gerealiseerd bouwwerk. Verweerder heeft zich blijkens de brief van 26 mei 2009 op het standpunt gesteld dat op dat moment nog niet duidelijk was of sprake was van een concreet zicht op legalisatie. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze brief te worden aangemerkt als een schriftelijke weigering een besluit op bezwaar te nemen, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb rust op verweerder evenwel de rechtsplicht om op een bij hem ingediend bezwaarschrift te beslissen. Hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder al in een brief van 9 december 2003 heeft aangekondigd “bij voorrang een herziening van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] in procedure te brengen” en dat blijkens het verhandelde ter zitting nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Beroep gegrond. De rechtbank draagt verweerder op binnen vier weken na verzending van de uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 3106 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te Kaatsheuvel, eiser,

gemachtigde mr. B. Maat,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van verweerder van 26 mei 2009, waarin het nemen van een beslissing op bezwaar op het handhavingsverzoek van eiser is verdaagd tot 1 januari 2010.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2010, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder [woordvoerder verweerder]. Tevens was [woordvoerder belanghebbende] namens [belanghebbende] (belanghebbende) aanwezig, bijgestaan door [gemachtigde belanghebbende].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 7 september 2004 heeft eiser, woonachtig aan de [adres] te Kaatsheuvel, verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de door belanghebbende illegaal gerealiseerde bouwwerken aan de [adres] te Kaatsheuvel.

Bij (primair) besluit van 4 januari 2005 heeft verweerder geweigerd handhavend op te treden. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de thans bestaande situatie op het perceel [adres] te Kaatsheuvel als eindsituatie ruimtelijk verantwoord is te achten, dat een concept-ontwerpbestemmingsplan inmiddels in het kader van het vooroverleg aan de provincie is aangeboden, dat in het eerste kwartaal van 2005 naar verwachting daarop gelegenheid tot inspraak zal worden aangeboden, zodat een zeker reëel en voldoende concreet zicht op legalisering van de zonder vergunning gerealiseerde bebouwing bestaat.

Bij uitspraak van 4 april 2006, procedurenummer 05 / 407 GEMWT, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep van 15 februari 2005 gericht tegen het primair besluit kennis te nemen. De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat het beroepschrift van eiser wordt doorgezonden naar verweerder teneinde dit als bezwaarschrift in behandeling te laten nemen.

Bij uitspraak van 15 april 2009, procedurenummer 09 / 500 GEMWT, heeft de rechtbank het beroep van 26 november 2008 tegen de weigering van verweerder om tijdig op het bezwaarschrift van eiser te beslissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het beroep onredelijk laat heeft ingediend.

In de brief van 26 mei 2009 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij nog immer de mening is toegedaan dat de thans aanwezige bebouwing van het [soort bedrijf] voor verweerder als eindsituatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Verweerder gaat ervan uit dat in de raadsvergadering van december 2009 de herziening van het bestemmingsplan zal worden vastgesteld. De daarvoor voorgeschreven procedure is bij uitstek geschikt en bedoeld om de inhoudelijke discussie te voeren over hoeveel bebouwing voor welk doel waar mag worden opgericht. Gelet op deze planning is dan duidelijk of er een reëel en concreet zicht op legalisatie aanwezig is. Indien de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt overeenkomstig de thans voorziene opzet (gericht op legalisering) kan/moet handhavend optreden verder achterwege blijven. Besluit de gemeenteraad anders, dan dient handhavend te worden opgetreden, aldus verweerder. Gelet hierop heeft verweerder de beslissing op het handhavingsverzoek verdaagd tot 1 januari 2010.

Bij brief van 28 december 2009 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat op 22 december 2009 het eindverslag van de inspraakprocedure over het voorontwerp van het bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan]” is vastgesteld. Verweerder verwacht dat het ontwerp-bestemmingsplan in de tweede of de derde week van januari 2010 ter inzage wordt gelegd.

2.2 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder met de brief van 26 mei 2009 heeft beslist op het bezwaarschrift van eiser van 15 februari 2005. Eiser heeft allereerst verzocht om de beroepsgronden van 15 maart 2005, ingediend in procedurenummer 05 / 407 GEMWT, als herhaald en ingelast beschouwen. Voorts heeft eiser in de beroepsgronden van 9 juli 2009 aangevoerd dat, hoewel verweerder al vanaf 2002 roept dat het bestemmingsplan herzien wordt, waardoor de illegale uitbreiding van de bedrijfsruimte zal worden gelegaliseerd, dit nog steeds niet is gebeurd. Er is zelfs nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Verder heeft de provincie al in 1997 aangegeven dat de eindsituatie van de bedrijfsbebouwing ter plaatse was bereikt. Daarom heeft de rechtbank de verleende bouwvergunningvoor ter legalisering van de illegale uitbreiding bij uitspraak van 23 juli 2003 vernietigd. In het bestreden besluit geeft verweerder echter aan dat zij nog steeds de mening heeft dat de bebouwing ruimtelijk aanvaardbaar is. Verweerder geeft in de brief van 26 mei 2009 echter ook aan dat het nog niet duidelijk is of er een concreet zicht op legalisering is, omdat dit afhangt van de besluitvorming door de gemeenteraad. Eiser is van mening dat verweerder het op zijn beloop heeft gelaten om belanghebbende ter wille te zijn. Verweerder had in het bestreden besluit een concreet besluit over handhaving moeten nemen. Met het vooruitschuiven van een inhoudelijke beslissing heeft verweerder gehandeld in strijd met vaste jurisprudentie hieromtrent.

2.3 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep de schriftelijke weigering een besluit te nemen met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, zoals dit gold ten tijde in geding, beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

2.4 Sinds de uitspraak van 4 april 2006 van deze rechtbank is bij verweerder een bezwaarschrift in behandeling tegen het primaire besluit van 4 januari 2005. In de uitspraak van deze rechtbank van 15 april 2009 is overwogen dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is overschreden.

Verweerder heeft zich blijkens de brief van 26 mei 2009 op het standpunt gesteld dat op dat moment nog niet duidelijk was of er sprake was van een concreet zicht op legalisatie van het bouwwerk. Gewacht diende te worden op de vaststelling van de herziening van het bestemmingsplan. Pas dan is de situatie duidelijk en kan worden vastgesteld of handhavend moet worden opgetreden. Verweerder heeft het gepast geacht de beslissing op het handhavingsverzoek te verdagen tot 1 januari 2010. Verweerder heeft de brief afgesloten met een rechtsmiddelenclausule.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de brief van 26 mei 2009 vervatte schriftelijke mededeling – nog daargelaten de juistheid van de mededeling – de weigering besloten om op de ingediende bezwaarschrift te beslissen terwijl de beslistermijn inmiddels ruimschoots was overschreden, zodat de brief dient te worden aangemerkt als een schriftelijke weigering een besluit op bezwaar te nemen, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb rust op verweerder evenwel de rechtsplicht om op een bij hem ingediend bezwaarschrift te beslissen. Hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder al in een brief van 9 december 2003, dus ruim zeven jaar geleden, heeft aangekondigd “bij voorrang een herziening van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] in procedure te brengen” en dat blijkens het verhandelde ter zitting nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. De ter zitting door verweerders vertegenwoordiger uitgesproken verwachting dat het ontwerpbestemmingsplan binnen hele korte tijd daadwerkelijk ter inzage zal worden gelegd, kan verweerder niet baten gezien de lange voorgeschiedenis die met de aangekondigde bestemmingsplanwijziging gemoeid is.

Reeds op grond van het vorenstaande is het beroep gegrond en komt de weigering om een besluit te nemen voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient alsnog op het bezwaarschrift van eiser te beslissen. Daartoe zal de rechtbank een termijn stellen.

2.5 De rechtbank overweegt ter voorlichting dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Het enkele voornemen om een ontwerp van de herziening van het bestemmingsplan ter inzage te leggen, is onvoldoende om te kunnen spreken over concreet zicht op legalisering (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 augustus 2002, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AE6185).

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank het bedrag van die kosten vast op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de met een besluit gelijk te stellen weigering een beslissing op het bezwaarschrift van eiser van 15 februari 2005 te nemen, vervat in de brief van verweerder van 26 mei 2009;

draagt verweerder op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar te nemen en deze op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, en door deze en mr. M.P.J. Tillie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

‘s-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 9 februari 2010