Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL4909

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
800190-09 en 801070-07 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens ovetreding artikel 5 van de Wegenverkeerswet tot geldboete en voorwaardelijke rijontzegging en spreekt vrij van poging tot doodslag en bedreiging. Tevens veroordeling wegens bedreiging van een politieagent. Hiervoor wordt een werkstraf opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummers: 800190-09 en 801070-07 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 februari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op 31 december 1967 te Aruba (Nederlandse Antillen)

wonende te [adres]

raadsman mr. Langenberg, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 februari 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel te bedreigen door met zijn auto met aanzienlijke snelheid in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te rijden en hen op zeer korte afstand te passeren dan wel dat verdachte met zijn auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op die weg heeft gehinderd;

feit 2: verbalisant [verbalisant 1] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Uit het dossier blijkt dat verdachte in opgefokte toestand in zijn auto met een behoorlijke snelheid op de kruising Mathildastraat met de Schapendries te Oosterhout vlak langs de kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is gereden. Naar de mening van de officier van justitie valt uit het dossier niet af te leiden dat verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om de kinderen dood te rijden dan wel zwaar te verwonden of te bedreigen, zoals onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij hiervan vrijgesproken dient te worden.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte is op 24 februari 2009 blind voor zijn omgeving met een auto met behoorlijke snelheid en tegen het verkeer in van de Schapendries de Mathildastraat te Oosterhout opgereden en hij heeft daarbij 2 kinderen op een haar na gemist. Door deze gedragingen van verdachte is gevaar en hinder op de weg ontstaan.

De officier van justitie acht, gelet op het proces-verbaal van bevindingen en de gedeeltelijke bekentenis van verdachte bij de rechter-commissaris, ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Daarbij is het feit als een bedreiging in de zin van het Wetboek van Strafrecht te beschouwen nu de door verdachte gebruikte woorden van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat bij verbalisant [verbalisant 1] redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1. primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder tweede subsidiair tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging refereert zich ook ten aanzien van feit 2 aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte met het voor deze misdrijven vereiste opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehandeld.

De rechtbank acht wel het tweede subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 februari 2010;

- de verklaring van [getuige 1] ;

- de verklaring van [getuige 2] .

Ten aanzien van feit 2

Op 24 februari 2009 werd verdachte in de Klappeijstraat te Oosterhout door de politie aangehouden voor poging tot doodslag. Verbalisant [initialen] [verbalisant 1], brigadier van politie en werkzaam bij regiopolitie Midden en West Brabant, opende de arrestantenkooi van de politieauto, zodat verdachte daarin geplaatst kon worden. Tijdens de rit naar het arrestantencomplex hoorden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verdachte met luide stem roepen: ‘jij bestuurder, ik ben binnen twee dagen weer vrij, ik rijd je kapot. Dat is geen bedreiging, maar een belofte’. Verbalisant [verbalisant 1], die de politieauto bestuurde, voelde zich door de uitlatingen van verdachte bedreigd en deed vervolgens aangifte.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat uit voornoemd proces-verbaal, dat door beide verbalisanten op ambtseed is opgemaakt en ondertekend, volgt dat de door verdachte gebruikte bewoordingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij verbalisant [verbalisant 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte (zodra hij vrij zou komen) de bedreigingen zou realiseren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

(tweede subsidiair)

op 24 februari 2009 te Oosterhout als bestuurder van een voertuig (een auto, merk Ford type Escort Van 1.8t met kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Schapendries en de Mathildastraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar en hinder op die wegen werd veroorzaakt immers heeft hij verdachte toen en daar

- op de Schapendries tegen de voorgeschreven rijrichting van die weg ingereden en

- met een voor de verkeerssituatie aldaar ter plaatse te hoge snelheid gereden en

- aldaar ter plaatse gereden op zeer korte afstand van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die zich op voornoemde weg bevonden als voetgangers en

- geen acht geslagen op voetgangers welke, al lopend op de Mathildastraat, de Schapendries wilden oversteken, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt en het verkeer op die

wegen werd gehinderd;

2.

op 24 februari 2009 te Oosterhout [initialen] [verbalisant 1] (ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als opsporingsambtenaar van de Politie Midden en West Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [verbalisant 1] de volgende woorden toegevoegd: "Jij bestuurder

Ik ben binnen twee dagen weer vrij Ik rijd je kapot. Dat is geen bedreiging maar een belofte” en aldus heeft verdachte door woorden een bedreigende situatie doen ontstaan.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte ten aanzien van feit 1, tweede subsidiair een geldboete van € 250,= en een voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren op te leggen. Met betrekking tot feit 2 vordert hij verdachte een werkstraf van 80 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hij zich kan vinden in de strafeis van de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is na een meningsverschil in zijn auto gestapt om vervolgens richting het centrum van Oosterhout te rijden. Het incident vond tijdens carnaval plaats, het moment waarop het erg druk in de straten van het centrum van Oosterhout kan zijn. Op het moment dat verdachte met te hoge snelheid tegen de rijrichting in de Schapendries inreed, liepen daar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Verdachte reed vervolgens op zeer korte afstand langs [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], waardoor met name de ouders bang waren dat hun kinderen zouden worden aangereden. Dit komt duidelijk naar voren in de verklaringen. Verdachte heeft evenmin acht geslagen op de voetgangers die op de Mathildastraat liepen. De rechtbank is van oordeel dat de agressieve rijstijl van verdachte uitermate gevaarlijk is geweest, zowel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als voor de overige deelnemers aan het verkeer op dat moment. De gevolgen hadden vele malen ernstiger kunnen zijn. Deze manier van handelen rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de ernstige bedreiging van een politieagent op het moment dat hij naar het arrestantencomplex werd vervoerd. Het uiten van een dergelijke bedreiging in de richting van politieagenten geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende respect voor het werk dat zij uitvoeren ten dienste van de maatschappij. Verdachte heeft zich onvoldoende gerealiseerd dat in zijn boosheid zijn woorden en daden als zeer bedreigend over kunnen komen.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Uit dit strafblad blijkt dat verdachte met justitie in aanraking is geweest wegens het plegen van geweldsdelicten, maar ook dat hij een zeer beperkt strafblad heeft op het gebied van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de strafbare feiten wel in een proeftijd van een eerder door de rechter opgelegde voorwaardelijke straf. Dit heeft hem er toch kennelijk niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling tevens aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door deze rechtbank in gevallen – grosso modo – vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen die aan verdachte door de politierechter is opgelegd bij vonnis van 18 december 2007 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank, in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie, verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 62, 91 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 tweede subsidiair: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1, tweede subsidiair:

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 250,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 5 dagen;

Ten aanzien van feit 2:

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Bijkomende straffen

Ten aanzien van feit 1, tweede subsidiair:

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 18 december 2007 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 801070-07 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 30 dagen;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. De Graaf en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 februari 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 februari 2009 te Oosterhout ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[achternaam slach[achternaam slachtoffer 1] van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet als bestuurder van een auto/bestelbusje (merk Ford

Escort Van 1.8t met kenteken [kenteken]) met aanzienlijke snelheid en/of

onverminderde snelheid op die [slachtoffer 1] [achternaam slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is ingereden,

althans met aanzienlijke en onverminderde snelheid in de richting van A. [achternaam slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] is gereden en daarbij die [achternaam slachtoffer 1] en [achternaam slachtoffer 2] op zeer korte

afstand is gepasseerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 februari 2009 te Oosterhout, [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als

bestuurder van een auto/bestelbusje (merk Ford Escort Van 1.8t met kenteken

[kenteken]) met aanzienlijke snelheid en/of onverminderde snelheid op die [slachtoffer 1]

[achternaam slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ingereden (waarbij die [achternaam slachtoffer 1] en/of [achternaam slachtoffer 2]

naar achteren werden getrokken teneinde een verkeersongeval met hem/hun/haar

en de door verdachte, bestuurde auto/bestelbusje te voorkomen), althans met

aanzienlijke en onverminderde snelheid in de richting gereden van A. [achternaam slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] waarbij hij, verdachte die [achternaam slachtoffer 1] en [achternaam slachtoffer 2] op zeer

korte afstand is gepasseerd en/of aldus heeft verdachte door zijn rijgedrag

een bedreigende situatie doen onstaan;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 februari 2009 te Oosterhout als bestuurder van een

voertuig (een auto, merk Ford type Escort Van 1.8t met kenteken [kenteken]),

daarmee rijdende op de weg, de Schapendries en/of de Mathildastraat, zich

zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar en/of hinder op die weg/wegen werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, immers heeft hij verdachte toen

en daar

- op de Schapendries tegen de voorgeschreven rijrichting van die weg ingereden

en/of

- met hoge, althans aanzienlijke snelheid, althans voor de verkeerssituatie

aldaar ter plaatse te hoge snelheid gereden en/of

- met hoge, althans aanzienlijke snelheid, althans voor de verkeerssituatie

aldaar ter plaatse te hoge snelheid gereden op zeer korte, althans korte

afstand van A. [achternaam slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], die zich op voornoemde weg/wegen

bevonden als voetgangers en/of

- geen acht geslagen op een of meer voetgangers welke, al lopend op de

Mathildastraat, de Schapendries wilden oversteken,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg/wegen werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 24 februari 2009 te Oosterhout [initialen] [verbalisant 1] (gedurende

en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als

opsporingsambtenaar van de Politie Midden en West Brabant) heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend die [verbalisant 1] de volgende woorden

toegevoegd: "Jij bestuurder, jij kankerlijer, jij Jodenkop, je ziet er uit als

een Jood. Ik ben binnen twee dagen weer vrij. Je zal heus nog wel eens in

burger rond lopen. Ik rijd je kapot. Dat is geen bedreiging maar een belofte.

Nu lach je nog teringlijer die je daar bent" en/of aldus heeft verdachte door

houding, gebaren en/of woorden (van gelijke dreigende aard en/of strekking)

een bedreigende situatie en/of sfeer doen onstaan;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht