Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BL2804

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
574511 cv 09-10591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; telefoonabonnement; ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden

de (kanton)rechter is, ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 2000 (NJ 200/730 Océano), 26 oktober 2006 (NJ 2007/201, Mostaza Claro) en vaste nationale jurisprudentie bevoegd en ingevolge het arrest van 4 juni 2009 (NJ 2009, 395 Pannon) ook gehouden, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechten, beschikt.

O.g.v. 6:237 aanhef en sub k BW moet de consument bij een contractsduur van meer dan een (1) jaar de mogelijkheid worden geboden om de overeenkomst in elk geval na een (1) jaar op te zeggen.

Bij het op grond van de algemene voorwaarden in rekening brengen van de resterende termijnen als schadevergoeding kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding. Immers, tegenover de verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd, staan vanaf datum ontbinding geen diensten meer van de wederpartij.

Geen gronden voor toewijzing schadevergoeding over langere periode dan resterende duur eerste contractsjaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

zaak/rolnr.: 574511 CV EXPL 09-10591

vonnis d.d. 3 februari 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intrum Justitia Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

eisende partij bij exploot van dagvaarding d.d. 9 november 2009,

gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders te Etten-Leur

tegen:

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde partij bij voormeld exploot,

procederend in persoon.

Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

a. het tussenvonnis van 25 november 2009 met alle daarin genoemde stukken,

b. de door eiseres overgelegde producties 1 t/m 9,

c. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot het verhandelde ter terechtzitting van 18 januari 2010.

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de ter comparitie overgelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd.

De verdere beoordeling van het geschil

De bij voormeld tussenvonnis gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden. Gedaagde is ter zitting niet verschenen. Eiseres heeft haar stellingen toegelicht en daarbij volhard. De door eiseres verstrekte inlichtingen zijn neergelegd in de aantekeningen van de griffier die als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

1. De feiten

1.1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast. Partijen worden in het vervolg tevens aangeduid met respectievelijk Intrum Justitia en [Eiseres].

1.2. [Eiseres] is op 12 december 2008 met Vodafone Libertel B.V. (hierna: Vodafone) een overeenkomst aangegaan – samengevat – inhoudend het gebruik van het mobiele communicatienetwerk van Vodafone, voor een contractsduur van 24 maanden.

De maandelijkse vaste kosten bedragen € 22,-- (inclusief BTW).

1.3. Op de overeenkomst zijn van toepassing de algemene voorwaarden “Consumenten Vodafone Libertel B.V.” en de algemene voorwaarden “Consumenten Vodafone Libertel N.V.”.

De in de algemene voorwaarden opgenomen bepalingen luiden – voor zover in casu van belang – als volgt:

“Artikel 4

1. Elk abonnement wordt door de Contractant aangegaan voor een bij het desbetreffende type Abonnement behorende minimumduur. De minimumduur bedraagt ten minste twaalf maanden. Na de initiële duur van het Abonnement wordt dit Abonnement voortgezet voor onbepaalde tijd.

2. Tegen het einde van de minimumduur kan de Overeenkomst wederzijds worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden.

(…..)

4. Partijen kunnen een Overeenkomst te allen tijde ontbinden met behoud van recht op schadevergoeding, indien de andere partij in de nakoming van één of meer van de overeengekomen verplichtingen tekortschiet en in verzuim verkeert.

5. (….)

Bij opzegging van de Overeenkomst op grond van dit artikel voorafgaande aan het verstrijken van de minimumduur zijn alle vaste kosten van de resterende periode van die minimumduur onverkort en direct verschuldigd door de Contractant.”

“Artikel 10

6. betaling zal altijd moeten plaatsvinden binnen veertien dagen na de datum van de factuur. Het moment waarop Vodafone de betaling ontvangt, geldt als betalingsmoment.”

“Artikel 11

1. Indien Vodafone de verschuldigde betaling niet binnen de termijn genoemd in artikel 10.5 heeft ontvangen, is de Contractant zonder nadere ingebrekestelling in verzuim. Vanaf dat moment mag Vodafone de wettelijke rente in rekening brengen. Indien ter verkrijging van het verschuldigde bedrag een incassoprocedure noodzakelijk is, zijn alle daaraan verbonden kosten (volgens het algemeen erkende deurwaarderstarief) voor rekening van de Contactant. De buitengerechtelijke kosten bedragen ten minste 15% van het openstaande bedrag met een minimum van 35 euro.”

1.4. De facturen van april 2009 ad € 31,25 en van juni 2009 ad € 22,65 zijn door [Eiseres] niet voldaan.

Als gevolg daarvan heeft Vodafone de overeenkomst per 28 juni 2009 ontbonden en een factuur gezonden, gedateerd 5 juli 2009, met een totaalbedrag van € 478,43 (inclusief BTW).

Volgens de toelichting op deze factuur wordt het volledige bedrag aangemerkt als “resterende abonnementskosten tot einde contract i.v.m. beëindiging overeenkomst”.

1.5. De vordering van Vodafone is middels een akte van cessie van 19 mei 2008, overgedragen aan Intrum Justitia. Van de overdracht, is [Eiseres] op 6 augustus 2008 per brief door Intrum Justitia op de hoogte gesteld.

1.6. [Eiseres] heeft op of omstreeks 30 augustus 2009 een bedrag van € 25,-- betaald aan Intrum Justitia.

2. Het geschil

2.1. Intrum Justitia vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [Eiseres] veroordeeld zal worden om aan Intrum Justitia te betalen, de somma van € 664,02 (uitmakende de optelsom van de facturen van de maanden april, juni en juli, tezamen ad

€ 532,33 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der opeisbaarheid tot 3 november 2009 ad € 6,69 en vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten , conform Aanbeveling II van Rapport Voor-Werk II begroot op

€ 150,-- en verminderd met gemelde betaling ad € 25,--), dat te vermeerderen met de wettelijke rente over € 532,33 vanaf 3 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van [Eiseres] in de kosten van deze procedure waaronder een bedrag aan salaris van de gemachtigden van Intrum Justitia.

2.2. [Eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Intrum Justitia voert als grondslag voor haar vordering aan dat [Eiseres] de facturen van april en juni, ondanks aanmaningen daartoe, niet voldeed. Op grond van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden van Vodafone, zo stelt Intrum Justitia, was Vodafone bevoegd als gevolg daarvan de overeenkomst eenzijdig te ontbinden. Uit de algemene voorwaarden volgt dat bij ontbinding van de overeenkomst voor het einde van de overeengekomen contractsduur, [Eiseres] gehouden is tot betaling van de vaste periodieke kosten over de resterende contractsduur. De bevoegdheid tot het vorderen van de wettelijke rente, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten, vloeien eveneens voort uit de algemene voorwaarden. Intrum Justitia stelt de buitengerechtelijke kosten, onverplicht, te hebben tot het bedrag conform de aanbevelingen van Rapport Voor-Werk II.

3.2. [Eiseres] heeft de hoogte van de vordering niet betwist. Zij heeft enkel verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke kosten en de mogelijke proceskostenveroordeling. Daartoe heeft zij gesteld dat er een betalingsregeling was overeengekomen, inhoudende de betaling in termijnen van € 25,-- per maand. Volgens [Eiseres] weigerde PVU (de gemachtigde van Intrum Justitia) akkoord te gaan met een regeling op basis van € 25,-- per maand en wilde PVU een regeling met een betalingsverplichting van € 50,-- per maand.

Bestaan betalingsregeling

3.3. Aangezien [Eiseres] niet is verschenen ter comparitie, zijn haar stellingen, niet nader gemotiveerd. Het bestaan van een betalingsregeling wordt door PVU bovendien betwist. Volgens PVU is tussen [Eiseres] en PVU geen betalingsregeling tot stand gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt dit bevestigd door de als productie 8 overgelegde systeemuitdraai. Daaruit blijkt dat na de ontvangst van gegevens omtrent inkomen en uitgaven van [Eiseres], het voorstel van € 25,-- per maand is geweigerd en een tegenvoorstel is gedaan van € 52,81.

Nu het bestaan van de betalingsregeling voldoende is betwist door Intrum Justitia en door [Eiseres] niet nader is onderbouwd, slaagt het verweer niet.

Derhalve kan niet worden aangenomen dat van een betalingsregeling als gesteld door [Eiseres], sprake was.

Ambsthalve toetsing bedingen in consumentenovereenkomsten

3.4. de (kanton)rechter is, ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 2000 (NJ 200/730 Océano), 26 oktober 2006 (NJ 2007/201, Mostaza Claro) en vaste nationale jurisprudentie bevoegd en ingevolge het arrest van 4 juni 2009 (NJ 2009, 395 Pannon) ook gehouden, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechten, beschikt.

3.5. In EG-Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is onder meer bepaald:

“Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. (…)

De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.

In de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG is opgenomen onder e) dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

Onder o) is opgenomen dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: de consument te verplichten al zijn verbintenissen na te komen, zelfs wanneer de verkoper zijn verbintenissen niet nakomt.

In het kader van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6:233 aanhef en sub a BW vormt het feit dat een beding is opgenomen in de bijlage bij artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 93/13/EEG, een indicatie dat er sprake is van een onredelijk bezwarend beding.

Bij het op grond van de algemene voorwaarden in rekening brengen van de resterende termijnen als schadevergoeding kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding zoals hiervoor bedoeld.

Immers, tegenover de verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst, staan vanaf datum ontbinding geen diensten meer van Vodafone.

Of sprake is van een onevenredig hoge schadevergoeding en een onredelijk bezwarend beding dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval.

3.6. De tussen partijen gesloten overeenkomst strekte tot het geregeld doen van verrichtingen en dient derhalve te worden aangemerkt als een overeenkomst omschreven in artikel 6:236 aanhef en sub j BW.

Uit artikel 6:237 aanhef en sub k BW volgt dat de consument bij een contractsduur van meer dan een (1) jaar de mogelijkheid behoort te worden geboden om de overeenkomst in elk geval na een (1) jaar op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van ten hoogste drie maanden.

De in casu tussen partijen overeengekomen contractsduur bedroeg 24 maanden.

In de algemene voorwaarden is niet voorzien in de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen na een (1)jaar. In plaats daarvan is in artikel 4.2 van de algemene voorwaarden bepaald dat de Contractant de Overeenkomst tegen en na het verstrijken van de minimale contractperiode schriftelijk kan opzeggen. Volgens artikel 4.1 van de algemene voorwaarden bedraagt deze minimale contractsduur ten minste twaalf maanden.

Het vorenstaande brengt mee dat aangenomen moet worden dat [Eiseres] de overeenkomst — indien deze niet per 28 juni 2009 was ontbonden — tegen 12 december 2009 had kunnen opzeggen.

Vodafone, althans Intrum Justitia, is daaraan voorbijgegaan, zodat daarmee bij het schatten van de hoogte van de schadevergoeding rekening dient te worden gehouden.

3.7. Nu Intrum Justitia verder niet heeft toegelicht op grond waarvan zij een schadevergoeding tot het beloop van de resterende termijnen tot 12 december 2010 zou kunnen vorderen, moet er van uitgegaan worden dat tegenover de gemiste inkomsten uit abonnementsgelden ook een besparing op kosten bestaat.

Bovendien moet er gezien het bovenstaande vanuit worden gegaan dat [Eiseres] de overeenkomst als zij niet door Vodafone was ontbonden, tegen de eerst mogelijke datum, te weten 12 december 2009 zou hebben opgezegd.

Daaruit vloeit voort dat er geen gronden zijn waarop ook over de periode na 12 december 2009 schadevergoeding gevorderd zou kunnen worden.

Op grond hiervan oordeelt de kantonrechter dat aan gedaagde slechts het gederfde abonnementsgeld tot aan het einde van het eerste contractsjaar of wel 12 december 2009 als schadevergoeding in rekening kan worden gebracht.

3.8. Nu Intrum Justitia de schade ten aanzien van een eventueel door Vodafone aan gedaagde ter beschikking gesteld mobiel telefoontoestel, niet heeft gesteld en evenmin heeft gemotiveerd dat deze schade onderdeel uitmaakte van het gevorderde bedrag, kan hiervoor in het onderhavige geval geen (afzonderlijke of extra) vergoeding worden toegewezen. Dit klemt temeer nu de toepassing van de wijze van schadebegroting geacht wordt reeds enige tijd bekend te zijn bij Vodafone en Intrum Justitia als grote zakelijk opererende marktpartijen.

3.9. De schade becijfert de kantonrechter op € 154,-- (inclusief btw, zijnde zeven termijnen ad € 22,--), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2009 tot aan de dag van algehele voldoening. Op dit bedrag zal in mindering strekken de betaling van [Eiseres] ad € 25,--.

3.10. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten, is de kantonrechter van oordeel, dat nu deze kosten een contractuele grondslag kennen en bovendien zijn beperkt tot het bedrag conform de aanbevelingen van Rapport Voor-Werk II, en bovendien voldoende is vast komen te staan dat Intrum Justitia werkzaamheden heeft verricht of kosten heeft gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan, deze kosten voor rekening komen van gedaagde.

3.11. Nu de facturen van april 2009 en juni 2009 niet door [Eiseres] zijn betwist, zal de vordering ter zake van een bedrag gelijk aan die facturen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening ervan.

3.12. De gevorderde proceskostenveroordeling zal worden toegewezen, aangezien [Eiseres] kan worden aangemerkt als de meest in het ongelijk gestelde partij. Gezien het geldelijk belang van het toegewezen deel van de vordering, wordt voor wat betreft de toe te wijzen kosten voor het vastrecht en salaris gemachtigde wordt uitgegaan van een geldelijk belang van tussen de € 250,-- en € 500,--.

De kosten aan de zijde van de Intrum Justitia worden begroot op:

- Vast recht € 90,00

- Explootkosten € 72,25

- Salaris gemachtigde € 120,-- (2,0 punten x tarief per punt € 60,--)

- Totaal € 282,25

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt gedaagde [Eiseres], om aan eiseres Intrum Justitia te betalen:

1. een bedrag aan schadevergoeding € 129,-- (eenhonderd negenentwintig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 154,-- vanaf 1 juli 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

2. de facturen van april 2009 ad € 22,65 (tweeëntwintig euro zestig eurocent) en van juni 2009 ad € 31,25 (eenendertig euro en vijfentwintig eurocent), beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

3. een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 150,-- (eenhonderdvijftig euro);

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres gevallen, tot op heden begroot op € 282,25;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, kantonrechter-plaatsvervanger en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.?