Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BK8267

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-01-2010
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
572966 az 09-531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door werknemer afgewezen na eerdere opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever met gebruikmaking van verleende ontslagvergunning. Het argument dat werknemer een zwaarwegend belang heeft om op korte termijn zekerheid te krijgen omtrent zijn materiële en financiële gevolgen kan, hoe invoelbaar overigens ook, naar het oordeel van de kantonrechter niet als een zodanige verandering in de omstandigheden worden aangemerkt, waarop de Hoge Raad blijkens zijn uitspraak van 11 december 2009 het oog heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Breda

zaak/rolnr.: 572966 AZ VERZ 09-531

beschikking d.d. 4 januari 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.M. van Gelderen-Hol, advocaat te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WITTE MOLEN B.V.,

gevestigd te Wijk en Aalburg,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel, advocaat te Breda.

Partijen worden door de kantonrechter hierna aangeduid als [adres] en De Witte Molen.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

a. het op 6 november 2009 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;

b. de brief van de gemachtigde van [adres] van 20 november 2009, met producties;

c. het daarop op 11 december 2009 ontvangen verweerschrift, met producties;

d. de brief van de gemachtigde van [adres] van 16 december 2009, met producties.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2009, waarbij verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gelderen voornoemd. Namens De Witte Molen was [F.] aanwezig, bijgestaan door mr. Verwiel voornoemd. Mr.Van Gelderen heeft een pleitnota overgelegd en van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

2. Het verzoek en de beoordeling

2.1 [adres] heeft de kantonrechter gevraagd de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewichtige redenen, gelegen in een verandering van omstandig-heden. De Witte Molen heeft zich verzet tegen de inhoud van het verzoekschrift.

2.2 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

a. [adres], geboren op [datum], is op 13 mei 1974 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) De Witte Molen en is laatstelijk werkzaam in de functie van magazijnbediende. Het salaris van [adres] bedraagt € 2.331,02 bruto per maand.

b. Bij brief van 24 augustus 2009 heeft De Witte Molen bij het UWV WERKbedrijf Breda een ontslagvergunning voor [adres] aangevraagd op grond van bedrijfseconomische redenen. [adres] heeft inhoudelijk verweer gevoerd. Bij beslissing van 28 oktober 2009 heeft UWV WERKbedrijf De Witte Molen toestemming verleend om de arbeidsovereen-komst met [adres] te beëindigen. Bij brief van 29 oktober 2009 heeft De Witte Molen van de verleende ontslagvergunning gebruik gemaakt en heeft zij de arbeidsovereenkomst van [adres] opgezegd tegen 31 maart 2010.

2.3 Het standpunt van [adres]

[adres] stelt dat De Witte Molen blijkbaar bewust heeft gekozen voor de UWV-route, zonder daarbij als goed werkgever zorg te dragen voor een adequate voorziening met betrekking tot de risico’s en nadelige gevolgen voor [adres] van het ontslag. Als gevolg van deze processuele keuze heeft De Witte Molen voor [adres] een zeer onzekere en

stresserende situatie in het leven geroepen. [adres] heeft dan ook een zwaarwegend belang om op korte termijn zekerheid te verkrijgen omtrent de materiële en financiële gevolgen van het ontslag en de wijze waarop dit door De Witte Molen dient te worden gecompenseerd.

Het is evident dat [adres] door de beëindiging van het dienstverband ernstig en onevenredig zal worden benadeeld. Gelet op zijn leeftijd alsmede de zeer selectieve arbeidsmarkt met hoge functie-eisen is het arbeidsmarktperspectief van [adres] weinig rooskleurig te noemen. Het kan volgens [adres] niet zo zijn dat een onderneming, die om haar eigen

continuïteit en/of andere commerciële belangen veilig te stellen werknemers ontslaat, dit op de ontslagen werknemers afwentelt en deze met lege handen naar huis stuurt. [adres] verzoekt de kantonrechter om een vergoeding van

€ 122.728,12 bruto (gebaseerd op een correctiefactor van 1,5).

2.4 Het standpunt van De Witte Molen

De Witte Molen is van mening dat [adres] niet ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen. Dit is gebaseerd op het standpunt dat er misbruik dan wel oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de ontbindingsprocedure. Na verkregen toestemming en opzegging door de werkgever kan de werknemer een schadever-goeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag (artikel 7:681 van het Burgerlijk Wet-boek) volgen. Ook zijn er volgens De Witte Molen geen zeer bijzondere omstandigheden die een tussentijdse ontbinding zouden rechtvaardigen. Inhoudelijk betwist De Witte Molen de stelling van [adres] dat zij geen adequate voorziening heeft getroffen. [adres] gaat daarbij voorbij aan de faciliteiten die zijn aangeboden rondom solliciteren, opleiding en outplacement. De Witte Molen is verder financieel niet in staat om een ander pakket faciliteiten te bieden dan zij heeft aangeboden. Zij beroept zich in dat verband op het Habe nichts beginsel.

2.5 De kantonrechter oordeelt als volgt.

In zijn uitspraak van 11 december 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BJ9069 heeft de Hoge Raad in de hoger beroepzaak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2009, waarop [adres] onder meer een beroep heeft gedaan, het volgende overwogen: “De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst eindigt met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve voort tot die datum, hetgeen meebrengt dat deze tot die datum nog ontbonden kan worden op de voet van art. 7:685 BW, indien daartoe grond bestaat. Nu echter de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging nog maar een beperkte looptijd heeft, zal de ontbinding slechts voor die beperkte looptijd effect (kunnen) hebben. Dit brengt mee dat voor de toewijsbaarheid van een desbetreffend, op verandering in de omstandigheden gegrond verzoek van de werknemer bepalend is of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen, en dat ook de ontbindingsvergoeding van art. 7:685 lid 8 bepaald moet worden met inachtneming van het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De vraag of de ontslagen werknemer ook aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de opzegging, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art. 7:681 BW.”

Uit deze uitspraak volgt onder meer dat, wil in een situatie als de onderhavige een ontbindingsverzoek toegewezen kunnen worden, er sprake dient te zijn van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip behoort te eindigen dan waartegen is opgezegd. [adres] heeft aangevoerd dat het ontslag voor hem een onzekere en stresserende situatie met zich meebrengt en dat hij daarom een zwaarwegend belang heeft om op korte termijn zekerheid te krijgen omtrent zijn materiële en financiële gevolgen. Dit argument, hoe invoelbaar overigens ook, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als een zodanige verandering worden aangemerkt, waarop de Hoge Raad blijkens zijn uitspraak het oog heeft. Het verzoek van [adres] dient dan ook te worden afgewezen. Nu partijen er tijdens de mondelinge behandeling ook niet in zijn geslaagd een minnelijke regeling te bereiken, dient [adres] voor de inhoudelijke beoor-deling van zijn zaak desgewenst een vordering ter zake van kennelijk onredelijk ontslag in te stellen.

2.6 De omstandigheden van het geval geven aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op

4 januari 2010.