Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BV6660

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
08/3369
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV6835, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op aftrek voorbelasting aangezien niet vaststaat wie de ondernemer is die de levering heeft verricht en de tenaamstelling van de factuur onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 717

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3369

Uitspraakdatum: 25 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost Brabant, kantoor Helmond,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 6 juni 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting (aanslagnummer: [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] vergezeld van [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] B.V. te Best, alsmede namens de inspecteur mr. [gemachtigden]

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Met dagtekening 31 oktober 2007 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 opgelegd naar een bedrag van € 1.118.350. De naheffingsaanslag betreft de correctie van door belanghebbende op aangifte in aftrek gebrachte voorbelasting ten bedrage van € 1.118.350. Deze voorbelasting betreft het totaal van de op drie facturen met dagtekening 22 december 2006 vermelde omzetbelasting aangaande de aanschaf door belanghebbende van onder meer fokteven, reuen, een tractor en machines.

2.2. De inspecteur heeft ter zitting bepleit dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de op de drie facturen in rekening gebrachte omzetbelasting aangezien deze facturen niet voldoen aan de eisen van artikel 35a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Voor zover de gemachtigde van belanghebbende ter zitting bedoeld heeft te stellen dat de stelling van de inspecteur tardief is en dientengevolge buiten beschouwing moet worden gelaten, overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur verwijst in de gedingstukken niet expliciet naar artikel 35a van de Wet OB. Echter, uit de inhoud en de context van de door de inspecteur ingebrachte gedingstukken kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de inspecteur van mening was dat de facturen niet voldoen aan artikel 35a van de Wet OB. De stellingname van de inspecteur behelst dan ook niet meer dan een precisering van zijn standpunt en is derhalve niet tardief. Belanghebbendes grief faalt dan ook.

2.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB kan de ondernemer in aftrek brengen:

‘de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;’

In artikel 35a, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet OB is bepaald:

‘Op de factuur zijn de volgende vermeldingen verplicht:

... e. de naam en het adres van de ondernemer en zijn afnemer;’

De Hoge Raad overweegt omtrent de factuurvereisten van de Wet OB in zijn arrest van 19 december 1990 (nummer 26 904, gepubliceerd in onder meer BNB 1991/235) in rechtsoverweging 4.1.2. als volgt:

‘.......Ingevolge genoemde wetsbepaling dienen in de factuur op duidelijke en overzichtelijke wijze te zijn vermeld de naam en het adres van de ondernemer die de levering of dienst verricht. Aan dit vereiste is, voor wat betreft de vermelding van de naam van de ondernemer, nog voldaan, indien een in de factuur vermelde onjuiste naam ondanks de gemaakte fout geen ruimte laat voor misverstand omtrent de identiteit van de ondernemer......’

2.4. De litigieuze facturen vermelden als leverancier: ‘[de heer D.]’. Op de facturen is een nummer vermeld dat volgens de inspecteur duidt op het omzetbelastingnummer dat is toegekend aan [onderneming D.] B.V., een vennootschap waarvan [de heer D.] 100% van de aandelen bezit. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat de ondernemer die de levering heeft verricht òf [onderneming H] B.V. is òf [onderneming F.] B.V., eveneens vennootschappen waarvan [de heer D.] 100% van de aandelen bezit. Gelet op het vorenoverwogene is in het onderhavige geval niet duidelijk wie de ondernemer is die de levering heeft verricht. Van afwezigheid van ruimte voor een misverstand omtrent de identiteit van de leverancier is dan ook geen sprake. Dit geldt te meer nu kennelijk ook belanghebbende niet weet door wie de desbetreffende goederen zijn geleverd.

2.5. De resolutie van 18 augustus 1982, nr. 281-18 051, VN 1982 bl. 1755, 1991 en 1294), ingetrokken bij het Besluit van 12 augustus 2004, nr. CPP2004/1537M, VN 2004/ 45.17), biedt belanghebbende geen soelaas aangezien ook in deze resolutie wordt geëist dat omtrent de hoedanigheid van de presterende ondernemer geen twijfel bestaat. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is van afwezigheid van zodanige twijfel geen sprake.

In laatstbedoeld besluit en in het Besluit van 19 april 2007, nr. CPP2007/308M (VN 2007/ 26.26), waarbij het besluit van 12 augustus 2004 weer is ingetrokken, wordt de mogelijkheid opengelaten facturen die niet op de voorgeschreven wijze zijn opgemaakt toch te aanvaarden als basis van de aftrek van de daarop vermelde omzetbelasting, maar alleen als het gaat om gebreken in de factuur die de wettelijk aan de factuur gestelde eisen niet wezenlijk aantasten. Van een dergelijke aantasting is in het onderhavige geval, waarin niet vaststaat wie de leverancier van de goederen is en waarin naar belanghebbende stelt dat dat in elk geval niet de als zodanig vermelde persoon is, naar het oordeel van de rechtbank sprake. Uit een en ander volgt dat belanghebbende er niet op heeft mogen vertrouwen dat de door haar aanvaarde facturen aanspraak zouden geven op aftrek van de daarop vermelde bedragen aan omzetbelasting.

2.6. Aangezien ter zitting is vast komen te staan dat [de heer J.] sinds 2003 geen onderdeel meer vormt van belanghebbende en de factuur is gericht aan ‘[de heer J.]’ in plaats van aan belanghebbende of aan een van de tot haar behorende vennootschappen, is de tenaamstelling van de afnemer op de factuur eveneens onjuist. Gelet op het onder 2.4. en 2.5. overwogene heeft belanghebbende ook om die reden geen aanspraak op aftrek van de in deze facturen vermelde omzetbelasting.

2.7. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van belanghebbende is dan ook ongegrond.

2.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en

mr. D.B. Bijl, rechters, en door de voorzitter en mr. M.C.W. Hermus, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 december 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.