Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BR2701

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
205642 / KG ZA 09-357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag op grond van misbruik van recht door niet binnen redelijke termijn een schadestaatprocedure te entameren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: 205642 / KG ZA 09-357

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MALEX BV,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. N.S. Reerink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTEGRATED COMPUTER CONTROL SYSTEMS BV,

kantoorhoudende te Nuenen en gevestigd te Geldrop,

gedaagde,

advocaat mr. G.S. de Haas.

Partijen zullen hierna Malex en ICCS genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van Malex met producties 1 tot en met 15,

- de pleitnota van ICCS met producties 1 tot en met 8.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1 Malex vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Malex te machtigen tot het verrichten van alle handelingen en formaliteiten die in verband met de feitelijke uitvoering van de opheffing van het beslag noodzakelijk zijn;

2. ICCS te verbieden opnieuw ten laste van Malex beslag te leggen ter zake van dezelfde vorderingen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 25.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan gedurende welke ICCS in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

3. ICCS te veroordelen aan Malex te voldoen, ten titel van voorschot op de geldelijke vergoeding voor de door Malex geleden schade en te lijden schade, een bedrag van EUR 50.000,--

4. die voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren; alsmede;

5. ICCS te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2 ICCS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De feiten

3.1 Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. In 1996 heeft de heer Van den Wildenberg met Van Leeuwen Systeembouw BV, hierna te noemen VLS, Malex een overeenkomst gesloten ter zake een door VLS te bouwen bedrijfshal tegen een prijs van EUR 161.319,60.

b. In 1997 is er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden tussen deze partijen een geschil ontstaan, als gevolg waarvan VLS haar retentierecht heeft uitgeoefend.

c. Bij vonnis van de Raad van Arbitrage voor de Bouw van 29 maart 1999 is -onder meer- voor recht verklaard dat de overeenkomst ter zake de bouw van de bedrijfshal als ontbonden moest worden beschouwd vanwege toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van VLS, dat VLS onrechtmatig jegens Van den Wildenberg had gehandeld door zonder rechtsgrond over te gaan tot uitoefening van haar retentierecht en VLS veroordeeld tot het vergoeden van schade die Van den Wildenberg had geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

d. Het vonnis van 29 maart 1999 is in hoger beroep bekrachtigd.

e. VLS is bij notariële akte van 31 december 2001 gefuseerd met Van Wijnen Eindhoven BV, hierna te noemen VWE.

f. Van den Wildenberg is enig aandeelhouder van ICCS, welke vennootschap als aanstaand huurder van de te bouwen bedrijfshal, stelt eveneens schade te hebben geleden ten gevolge van het toerekenbaar tekortschieten van VWE.

g. ICCS heeft op 30 september 2002, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, tot zekerheid van verhaal van haar schadevordering op VWE, ten laste van VWE conservatoir derdenbeslag gelegd op een vordering groot EUR 1.143.000,-- van VWE op Holding Jac. van Dorst BV te Rijen, welke vordering inclusief rente en kosten voorlopig is begroot op EUR 830.000,--.

h. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2002 is een vordering van VWE strekkende tot opheffing van het door ICCS op 30 september 2002 gelegde conservatoir beslag afgewezen.

i. VWE heeft aan Van den Wildenberg, die eveneens ten laste van VWE tot zekerheid van verhaal van diens schadevordering conservatoir derdenbeslag had gelegd op dezelfde vordering van VWE op Holding Jac. van Dorst BV te Rijen, van het onder beslag liggend bedrag een bedrag van EUR 380.000,-- voldaan.

j. Thans wordt door het door ICCS gelegde beslag nog een bedrag van EUR 763.000,-- geblokkeerd.

k. Bij vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2005 is voor recht verklaard dat VWE door het uitoefenen van haar retentierecht op het bedrijfspand door haar rechtsvoorgangster tevens onrechtmatig jegens ICCS heeft gehandeld en is VWE veroordeeld om aan ICCS te voldoen de door ICCS als gevolg van het uitoefenen van retentierecht geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

l. Bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 9 januari 2007 is VWE in haar beroep tegen het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2005 niet ontvankelijk verklaard. Nu Malex tegen dit oordeel niet in cassatie is gegaan heeft daarmee het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2005 kracht van gewijsde verkregen.

m. De Van Wijnen Groep, aan welke vennootschap VWE samen met een vijftal andere vennootschappen (gezamenlijk: de M&M Groep) bij overeenkomst van 6 mei 1999 is verkocht, heeft bij die verkoop bedongen dat lopende geschillen niet werden mee verkocht.

n. Blijkens een vaststellingsovereenkomst van 2 september 2004 heeft de Van Wijnen Groep het door ICCS ten laste van VWE beslagen bedrag onder Jac. van Dorst BW aan VWE geleend.

o. VWE heeft met ingang van 28 september 2004 haar statutaire naam gewijzigd in Malex.

p. Eind 2008 heeft de Van Wijnen Groep zich tot Malex en Muvest Nederland BV (de voormalige aandeelhouder van de M&M Groep) gewend om over te gaan tot terugbetaling van de lening van de Van Wijnen Groep aan Muvest/Malex, welke lening ingevolge artikel 7 van de Vaststellingsovereenkomst van 2 september 2004 opeisbaar was geworden.

q. Bij aangetekende brief van 19 augustus 2008 heeft de Van Wijnen Groep ICCS gesommeerd om binnen zes weken de schadestaatprocedure aanhangig te maken, dan wel binnen de gestelde termijn onvoorwaardelijk afstand te doen van het recht om een schadestaatprocedure aanhangig te maken, dan wel binnen de gestelde termijn het beslag op de vordering van Jac. van Dorst op te heffen. ICCS heeft op deze brief niet gereageerd.

r. Bij aangetekende brief van 30 september 2008 heeft Malex aan ICCS het verzoek gedaan binnen een termijn van zes weken het conservatoire beslag op te heffen. Deze brief werd niet door ICCS afgehaald en is ongeopend geretourneerd aan Malex.

4. De beoordeling

4.1 De stelling van ICCS dat Malex niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat Malex de dagvaarding niet tijdig, uiterlijk 10 juli 2009, heeft betekend, wordt gepasseerd. Blijkens het exploit van dagvaarding, overgelegd als productie 0, is de dagvaarding op 9 juli 2009 dor de deurwaarder betekend aan het adres van ICCS door achterlating in gesloten envelop overeenkomstig de wet, omdat de deurwaarder aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.

4.2 Malex grondt haar vorderingen ondermeer op de stelling dat ICCS geen eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 RV heeft ingesteld. Hiertoe voert zij aan dat noch het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2004, noch het arrest van het Hof te ’s-Hertogenbosch van 9 januari 2007 vatbaar is voor executie, terwijl het primaire doel van artikel 700 Rv is dat zo spoedig mogelijk een procedure aanhangig wordt gemaakt waarin zowel de omvang als de gegrondheid van de vordering van de eisende partij kan worden vastgesteld.

4.3 De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de uitleg van het begrip “hoofdzaak” als uitgangspunt geldt dat het dient te gaan om een procedure die strekt tot het uiteindelijk verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering tot zekerheid waarvan het conservatoir beslag is gelegd. De door ICCS ingestelde procedure tot schadevergoeding nader op te maken bij staat is te beschouwen als een voorstadium van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, welke uiteindelijk zal kunnen worden verkregen in de schadestaatprocedure. De schadestaatprocedure vormt, zie artikel 613 Rv, een bijzondere wijze van tenuitvoerlegging en moet worden gezien als een voortzetting van het door ICCS aanhangig gemaakte hoofdgeding, waarin op 11 februari 2005 vonnis is gewezen.

4.4 Malex stelt voorts dat de vordering van ICCS, die aan het beslag ten grondslag ligt ondeugdelijk is, omdat de schade van ICCS reeds geheel is vergoed door de uitkering aan Van den Wildenberg, die als enig aandeelhouder en bestuurder van ICCS gelijk te stellen is met ICCS. Daarnaast heeft ICCS volgens Malex nagelaten schadebeperkende maatregelen te treffen door een andere bedrijfsruimte te huren.

4.5 De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van Malex dat zij, door de uitkering van EUR 380.000,-- aan Van den Wildenberg, enig aandeelhouder van ICCS, alle schade van ICCS heeft vergoed. Van den Wildenberg en ICCS zijn (rechts-)personen die zelfstandig, als drager van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelnemen. Door Malex zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die de door Malex bepleite vereenzelviging kunnen rechtvaardigen. Dat Van den Wildenberg van ICCS enig aandeelhouder is laat onverlet dat ICCS zelfstandig schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig handelen van VLS/Malex.

ICCS heeft gemotiveerd gesteld dat de te bouwen bedrijfshal ten behoeve van ICCS was voorzien van speciale technische voorzieningen en het derhalve niet mogelijk was om op eenvoudige wijze ICCS op een andere locatie onder te brengen.

Geconcludeerd wordt daarom dat Malex er niet in is geslaagd summierlijk de ondeugdelijkheid van de door ICCS aan het conservatoir beslag ten grondslag gelegde vordering aan te tonen.

4.6 Malex stelt daarnaast dat ICCS misbruik maakt van recht in de zin van artikel 3:13 BW, omdat de beslaglegging door ICCS wordt gebruikt om Malex dwars te zitten. Hiertoe voert Malex aan dat inmiddels door het beslag al ruim zeven jaar een bedrag van EUR 763.000,- wordt geblokkeerd, terwijl ICCS sinds het arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 9 januari 2007 stil zit en ICCS ondanks verzoeken en sommaties van Malex weigert een schadestaatprocedure te entameren.

4.7 ICCS betwist dat zij vanaf 9 januari 2007 heeft stilgezeten. Hiertoe voert ICCS aan dat zij zonder succes herhaalde pogingen heeft gedaan haar administratie terug te halen bij een administratiekantoor in Oosterhout, genaamd Quick Office Support Ltd. Dit kantoor is inmiddels gefailleerd en haar directie wordt strafrechtelijk vervolgd. De curator zegt wel ICCS ter wille te willen zijn door de stukken te laten zoeken, maar dit heeft tot op heden niets opgeleverd. Alhoewel niet alle voor de bepaling van de door ICCS geleden schade van belang zijnde stukken zich onder de failliet bevinden, wordt ICCS hierdoor wel gehinderd bij het opstellen van haar schadeberekening en –onderbouwing. Voorts is de heer van den Wildenberg, directeur en enig aandeelhouder van ICCS, door de jarenlange rechtstrijd met Malex en de Van Wijnen Groep en het, in ieder geval aan Malex toe te schrijven stranden van zijn ondernemersplannen, overspannen geraakt, waardoor er al een aantal jaren niets meer uit zijn handen komt. Tot slot is het zo dat ICCS nauwelijks beschikt over liquide middelen en derhalve is ICCS (thans) niet in staat de schadestaatprocedure op te starten.

Tot slot stelt ICCS dat zij niet kan worden gedwongen binnen een bepaalde termijn een schadestaatprocedure aanhangig te maken, aangezien het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2005, waarbij VWE is veroordeeld om aan ICCS te voldoen de door ICCS als gevolg van het uitoefenen van retentierecht geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een verjaringstermijn kent van 20 jaar.

4.8 De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Of een redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de complexiteit van de zaak, het optreden van de justitiële autoriteiten en de houding van partijen alsmede hun belangen in het conflict.

In het onderhavige geval is door ICCS op 30 september 2002 ten laste van Malex conservatoir beslag gelegd. Het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2005 heeft kracht van gewijsde verkregen op 9 april 2007, na het verstrijken van de cassatietermijn van drie maanden sinds het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 9 januari 2007 arrest heeft gewezen. Vanaf 9 april 2007 tot heden, gedurende een periode van ruim twee jaar, heeft ICCS, ondanks verzoeken van Malex, geen stappen ondernomen om de schadestaatprocedure te entameren. Wat er ook zij van de door ICCS aangevoerde omstandigheden: de gezondheid van Van den Wildenberg, de solvabiliteit van ICCS en het niet kunnen beschikken over enkele administratieve stukken van ICCS, deze omstandigheden rechtvaardigen niet dat ICCS geen enkele actie onderneemt of in het vooruitzicht stelt om de schadestaatprocedure te entameren. Het stilzitten van ICCS heeft een onredelijke vertraging van de procedure die als eis in de hoofdzaak geldt ten aanzien van het onderhavige beslag tot gevolg en is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Malex mag van ICCS als beslagleggger verwachten dat zij binnen een redelijke termijn zekerheid verkrijgt. Nu het door ICCS gelegde onderhavige conservatoir beslag ten laste van Malex reeds vanaf 2002 een bedrag van EUR 763.000,-- blokkeert en ICCS nalaat en niet voornemens is op korte termijn een schadestaatprocedure te entameren, is handhaving van het conservatoir beslag onder deze omstandigheden aan te merken als misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW. De vordering sub 1 zal aldus worden toegewezen dat de voorzieningenrechter het onderhavige beslag zal opheffen. In de omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat Malex, na opheffing van het onderhavige beslag, onvoldoende verhaal zal bieden aan ICCS, ziet de voorzieningenrechter aanleiding dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren teneinde ICCS in de gelegenheid te stellen appel aan te tekenen tegen dit vonnis.

4.9 Het sub 2 gevorderde verbod om opnieuw ter zake van dezelfde vordering ten laste van Malex conservatoir beslag te leggen is te ruim geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te komen. De voorzieningenrechter zal ICCS bevelen om in het geval zij opnieuw beslag wenst te leggen bij het indienen van een verzoek tot verlof een afschrift van dit vonnis in kort geding over te leggen, zodat de beslagrechter in staat zal zijn om te beoordelen of er nieuwe omstandigheden en feiten zijn ter onderbouwing van de deugdelijkheid van de vordering en van de noodzaak tot beslaglegging.

4.10 De sub 3 gevorderde schadevergoeding is door ICCS betwist en door Malex onvoldoende onderbouwd. Deze vordering is daarom onvoldoende aannemelijk om voor toewijzing in kort geding in aanmerking te komen.

4.11 ICCS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Malex worden begroot op:

- dagvaarding EUR 72,25

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.150,25

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 heft op het op 30 september 2002 door ICCS ten laste van VWE gelegde conservatoir derdenbeslag op een vordering groot EUR 1.143.000,-- van VWE op Holding Jac. van Dorst BV te Rijen, welke vordering inclusief rente en kosten voorlopig is begroot op EUR 830.000,--;

5.2 beveelt ICCS bij het indienen van een verzoek tot verlof voor enig nieuw conservatoir beslag ten laste van Malex een afschrift van dit vonnis in kort geding over te leggen, zodat de beslagrechter in staat zal zijn om te beoordelen of er nieuwe omstandigheden en feiten zijn ter onderbouwing van de deugdelijkheid van de vordering en van de noodzaak tot beslaglegging, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 25.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan gedurende welke ICCS in strijd handelt met dit bevel;

5.3 veroordeelt ICCS in de proceskosten, aan de zijde van Malex tot op heden begroot op EUR 1.150,25,

5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Hooff en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van de Kreeke-Schütz op 13 augustus 2009.