Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BP2636

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
08/3837
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3837

Uitspraakdatum: 17 februari 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Costa Rica),

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor buitenland,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 juli 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende woont in Costa Rica en geniet een wachtgelduitkering van het Ministerie van Defensie. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend. Deze aangifte ziet er cijfermatig als volgt uit:

Wachtgelduitkering € 38.173

Af: saldo eigen woning € 2.223

uitgaven inkomensvoorzieningen 670

persoonsgebonden aftrek 1.980

-/- 4.873

Belastbaar inkomen uit werk en woning 33.300

Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur geen rekening gehouden met de door belanghebbende vermelde aftrekposten. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 38.173.

2.2.In geschil is of belanghebbende kan kiezen voor de behandeling als binnenlands belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.3.Artikel 2.5, eerste lid, Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang:

‘De binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, en de buitenlandse belastingplichtige die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, in de belastingheffing van die lidstaat of mogendheid wordt betrokken, kunnen kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen.’

2.4.Belanghebbende is buitenlands belastingplichtig, nu hij niet in Nederland woont maar wel Nederlands inkomen geniet als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001. Nederland is met Costa Rica geen regeling ter voorkoming van dubbele belasting overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen. Daarnaast is Costa Rica geen lidstaat van de Europese Unie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende op grond van de wet niet kan kiezen voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige. Dat de inspecteur volgens belanghebbende over voldoende mogelijkheden beschikt om zijn inkomen en aftrekposten te verifiëren, doet daar niet aan af.

2.5.Belanghebbende heeft gesteld dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van buitenlands belastingplichtigen die woonachtig zijn in een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten. Voor zover belanghebbende hiermee heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 26 van het IVBPR, verwerpt de rechtbank dit beroep. In het arrest van de Hoge Raad, 2 november 2001, nr. 36 207, onder meer gepubliceerd in VN 2001/60.18, is beslist dat artikel 26 IVBPR zich niet uitstrekt tot verschillen in behandeling welke voortvloeien uit door een staat gesloten verdragen met verschillende landen. Artikel 26 IVBPR houdt dan ook geen verplichting tot meestbegunstiging in.

2.6.Belanghebbende heeft tevens gesteld dat het niet kunnen kiezen voor de behandeling als binnenlands belastingplichtige financieel nadelig uitwerkt, omdat op die manier geen rekening wordt gehouden met zijn aftrekposten. Belanghebbende ziet in dat verband reden om de keuzeregeling van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 wel op hem van toepassing te laten zijn. Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28), dient de rechter volgens de wet recht te spreken en mag de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende derhalve.

2.7.Belanghebbende heeft een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule gedaan. De in artikel 63 AWR bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, komt echter niet toe aan de belastingrechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.8.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 februari 2009 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 februari 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.