Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BP2615

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-03-2009
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
08/4231
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4231

Uitspraakdatum: 30 maart 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 29 augustus 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde navorderingsaanslag inkomsten¬belasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.401 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.997 (aanslagnummer [nummer]H47).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009 te Bergen op Zoom. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde].

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 6 februari 2009 aan [belanghebbende] op het adres [adres] te [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 10 februari 2009 op het postkantoor [postkantoor] aan belanghebbende is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig is aangeboden.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is gehuwd en is woonachtig op het adres [adres] te [woonplaats].

2.2.Voor de woning van belanghebbende is een WOZ-beschikking afgegeven voor de periode 2001-2004 met een waarde van € 104.369. Het daarbij behorende huurwaardeforfait bedraagt € 887. In zijn aangifte is belanghebbende uitgegaan van een waarde van de woning van € 100.000 en een huurwaardeforfait van € 800. Belanghebbende heeft ter zake van de eigen woning geen hypotheek- of andere kosten gemaakt. Van het bedrag van € 800 heeft hij de helft aan zichzelf toegerekend en de andere helft aan zijn echtgenote.

2.3.Belanghebbende heeft in zijn aangifte onder de rubriek “aftrek uitgaven voor levens¬onderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar” een bedrag opgevoerd van € 9.708. Het betreft kosten die gemaakt zijn voor de zoon van belanghebbende, [zoon]. De zoon is geboren is op [datum] 1977, studeerde in Groningen en woonde in [woonplaats]. Hij had in het jaar 2004 geen eigen inkomsten.

2.4.Op 11 mei 2005 is overeenkomstig de aangifte een voorlopige aanslag opgelegd. Met dagtekening 10 januari 2007 is zonder nader onderzoek en zonder correcties de definitieve aanslag opgelegd.

2.5.Bij brief van 4 januari 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat in de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, die belanghebbende binnenkort zal ontvangen, het belastbaar inkomen uit werk en woning tot een te laag bedrag is vast¬gesteld. Als oorzaak daarvan wordt vermeld dat de kosten levensonderhoud tot een te hoog bedrag in aftrek zijn gebracht. Nader onderzoek zal de juiste, lagere, aftrek uit moeten wijzen.

2.6.Met dagtekening 14 maart 2008 is aan belanghebbende de onderhavige navorderings¬aanslag opgelegd, waarbij de kosten van levensonderhoud nader zijn vastgesteld op € 3.960.

2.7.In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

1.Is de navorderingsaanslag terecht opgelegd?

2.Is het voordeel uit eigen woning op het juiste bedrag vastgesteld?

3.Heeft belanghebbende recht op aftrek van de kosten van inning van huur?

4.Is de aftrek van kosten levensonderhoud terecht beperkt tot een bedrag van € 3.960?

5.In hoeverre bestaat recht op aftrek van buitengewone uitgaven?

6.In hoeverre heeft belanghebbende recht op een schade- of proceskostenvergoeding?

Met betrekking tot de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

2.8.1.Naar het oordeel van de rechtbank geldt de eis van het nieuwe feit niet indien aan de belastingplichtige ten tijde van de uitreiking van het aanslagbiljet reeds door de inspecteur kenbaar was gemaakt dat de aanslag ten gevolge van een misslag van de inspecteur onjuist was vastgesteld. Voorwaarde daarbij is dat door de inspecteur met voldoende scherpte is aangegeven welke misslag hij heeft begaan. Gelet op de inhoud van voornoemde brief van 4 januari 2007 heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank voldoende helder aangegeven welke misstap hij heeft begaan. De stelling van belanghebbende dat voornoemde brief eerst op 6 februari 2007 aan hem is uitgereikt, acht de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, niet aannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende vóór het tijdstip waarop de aanslag hem had bereikt op de hoogte was van de onjuistheid van de aanslag.

2.8.2.Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het ontbreken van een nieuw feit in het voorliggende geval niet aan navordering in de weg staat.

Met betrekking tot het voordeel uit eigen woning.

2.9.Bij het opleggen van de aanslag is de inspecteur op dit punt niet afgeweken van de aangifte. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift gesteld dat het voordeel uit de eigen woning op nihil dient te worden gesteld, zoals ook voor 2006 is gebeurd. Hij verwijst daarvoor naar een brief van de inspecteur van 5 maart 2008. Nu de wettelijke regeling in het jaar 2004 anders is in die zin dat de aftrek wegens geen of geringe eigen woning schuld toen nog niet bestond, kan belanghebbende reeds om die reden geen vertrouwen ontlenen aan voornoemde brief voor een gelijke behandeling in het onderhavige jaar.

Met betrekking tot de kosten van inning van huurpenningen.

2.10.Eerst in beroep stelt belanghebbende dat hij ten behoeve van de inning van huur¬penningen een bedrag van € 2.169 aan kosten gemaakt heeft en hij wenst deze in aftrek te brengen op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. Nu sprake is van een verhuurde en dus niet van een eigen woning dienen inkomsten en kosten te worden gerangschikt onder de voordelen uit sparen en beleggen. Ter zake wordt een forfaitaire rendementsheffing geheven. Voor een afzonderlijke aftrek van daadwerkelijk gemaakte kosten is binnen de wettelijke regeling geen plaats.

Met betrekking tot de aftrek van kosten van levensonderhoud.

2.11.Ingevolge artikel 36, tweede lid, Uitvoeringsregeling IB, juncto artikel 6.13, Wet IB 2001, heeft belanghebbende recht op een aftrek van € 3.960. De hogere aftrek waarom belanghebbende verzoekt, is naar het oordeel van de rechtbank wettelijk uitgesloten en kan mitsdien niet verleend worden.

Met betrekking tot de aftrek van buitengewone uitgaven.

2.12.1.Eerst in beroep voert belanghebbende een bedrag van € 1.534 aan buitengewone uitgaven op. Het bedrag is als volgt samengesteld.

•Werkgeversaandeel ziekenfondswet € 1.528

•Premie VGZ € 2.268

•Nota tandarts € 172

•Kosten medicijnkast € 100

Totaal € 4.068

Af: drempel € 22.630 maal 11,2% € 2.534

Aftrekbaar € 1.534

2.12.2.Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, alleen het werkgeversaandeel ziekenfondswet aannemelijk gemaakt. Voor het overige zijn naar het oordeel van de rechtbank geen of onvoldoende bewijsstukken overgelegd. Nu de aannemelijk gemaakte kosten het drempelbedrag niet overschrijden, bestaat geen recht op aftrek van buitengewone uitgaven.

2.13.Al hetgeen belang¬hebbende voor het overige heeft aangedragen, wat hiervan ook verder zij, kan niet tot gegrondbevinding van het beroep leiden. Het beroep is ongegrond verklaard.

Met betrekking tot de proceskosten- en schadevergoeding.

2.14.Gelet op het feit dat de bestreden uitspraak in stand is gebleven, ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Awb de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en eventueel geleden schade.

Aldus gedaan door mr A.A. den Hartog, rechter, en door hem en mr. M.J. van Balkom, griffier ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 07 april 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.