Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BO5425

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
08/2499
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2499

Uitspraakdatum: 16 januari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft met dagtekening 15 februari 2008 aan belanghebbende over het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 113 vastgesteld (hierna: de boetebeschikking).

1.2.De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 31 mei 2008, ontvangen bij de rechtbank op 2 juni 2008, beroep ingesteld. De griffier heeft daarbij van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van deze pleitnota is een afschrift aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.In het onderhavige jaar verkeerde belanghebbende in staat van faillissement, welk faillissement in maart 2006 is geëindigd. Vanaf maart 2006 staat belanghebbende niet meer onder curatele.

2.2.De inspecteur heeft op 20 september 2006 het aangiftebiljet over het jaar 2005 aan belanghebbende uitgereikt. Het aangiftebiljet, dat op naam van belanghebbende stond, is door belanghebbende ontvangen.

2.3.Bij brief van 20 september 2006 heeft belanghebbende aan de Belastingdienst te Eindhoven medegedeeld dat hij niet in staat was om aangifte te doen. Als reden voerde belanghebbende aan dat hij geen aangiftediskette kon gebruiken bij het doen van aangifte aangezien hij een aantal ‘drivers’ voor de grafische kaart was kwijtgeraakt. Daarnaast beschikte hij niet over de gegevens van eerdere jaren welke hij van de ontvanger nog wenste te ontvangen.

Bij brief van 21 maart 2007 heeft belanghebbende aan de Belastingdienst te Helmond medegedeeld dat hij door zijn faillissement, en toedoen van de curator daarin, niet beschikte over de administratie, jaarstukken danwel aangiften over de jaren 1995 tot en met 2006 en daardoor geen aangifte kon doen.

2.4.De inspecteur heeft per brief van 26 maart 2007 belanghebbende aangemaand tot het doen van aangifte.

2.5.Tot 15 februari 2008 is door of namens belanghebbende geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft de aanslag ambtshalve, aan de hand van de bij de Belastingdienst bekende gegevens, vastgesteld.

3. Geschil

3.1.Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen:

-of de aanslag tot een juist bedrag is vastgesteld; en

-of terecht een verzuimboete is vastgesteld.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting heeft belanghebbende, naast de voorgedragen pleitnota, hier, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd:

“De aanslag is niet op goede gronden vastgesteld. Er is ook geen aangifte ingediend. De door de inspecteur bij de aanslag in aanmerking genomen inkomensbestanddelen zijn juist. Er dient echter rekening te worden gehouden met verliezen uit het verleden. Deze zijn echter moeilijk is vast te stellen door het ontbreken van de benodigde administratie.

De inspecteur stelt dat degene die het aangiftebiljet ontvangt de aangifte moet indienen. Dat was in dit geval de curator. ”

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en, naar de rechtbank begrijpt, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en tot vernietiging van de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de aanslag

4.1.Vaststaat dat belanghebbende de aangifte voor het onderhavige jaar niet heeft gedaan. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd tenzij gebleken is, dat en in hoeverre die aanslag onjuist is. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, dat er sprake is van te verrekenen verliezen, is daartoe onvoldoende. Met het enkel stellen van deze verliezen, welke stelling door de inspecteur wordt bestreden, heeft belanghebbende niet doen blijken dat en in hoeverre de aanslag te hoog is vastgesteld. De omstandigheid dat belanghebbende, ten gevolge van zijn faillissement in het verleden, niet goed in staat is deze verliezen te concretiseren, acht de rechtbank in het geval dat in het geheel geen aangifte wordt gedaan, niet van belang. Het ontbreken van het bedrag van die mogelijk verrekenbare verliezen ontslaat belanghebbende niet van de plicht een uitgereikt aangiftebiljet tijdig ingevuld in te dienen. Belanghebbendes stelling dat zijn curator aangifte had moeten doen baat hem niet, nu de aangifte aan belanghebbende is uitgereikt nadat het faillissement was opgeheven en belanghebbende op dat moment al minstens een half jaar niet meer onder curatele stond.

4.2.Vaststaat dat de door de inspecteur in de aanslag betrokken inkomensbestanddelen door belanghebbende in het onderhavige jaar zijn genoten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de onderhavige aanslag in redelijkheid is vastgesteld.

4.3.Op grond van het in 4.1 en 4.2 overwogene is het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de zijde van de inspecteur.

Ten aanzien van de boete

4.4.Vaststaat dat belanghebbende de aangifte voor het onderhavige jaar niet heeft gedaan en dat hem met betrekking tot de aan het onderhavige jaar voorafgaande vijf belastingjaren een dergelijk verwijt niet wordt gemaakt. Op grond van artikel 67a van de AWR kan de inspecteur alsdan een verzuimboete opleggen van maximaal € 1.134. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd. Aangezien sprake is van een eerste verzuim heeft de inspecteur op grond van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 terecht de boete niet hoger vastgesteld dan € 113.

4.5.Belanghebbendes beroep op afwezigheid van alle schuld wordt op grond van het navolgende afgewezen. Belanghebbende maakt met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk dat hem geen enkele blaam treft dat die aangifte niet is gedaan. Het aangiftebiljet is aan belanghebbende uitgereikt nadat het faillissement was opgeheven en belanghebbende al minstens een half jaar niet meer onder curatele stond. De omstandigheid dat belanghebbende met betrekking tot eerdere jaren, door toedoen van de curator in zijn faillissement, niet goed in staat is de verrekenbare verliezen van die eerdere jaren vast te stellen, ontslaat hem niet van zijn plicht om aangifte te doen. Evenmin kan deze omstandigheid in aanmerking worden genomen als verontschuldiging voor het niet doen van aangifte.

4.6.Op grond van het in 4.4 en 4.5 overwogene is het gelijk met betrekking tot de

tweede in geschil zijnde vraag aan de zijde van de inspecteur.

Conclusie

4.7.Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 januari 2009 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 januari 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.