Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BN2682

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09/1025
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 1879
FutD 2010-1863

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1025

Uitspraakdatum: 23 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 januari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.893 (aanslagnummer [nummer]H.66).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2009. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam]. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en hervat op

10 november 2009. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienstbetrekking bij [X] B.V. (hierna: [X]). Volgens de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen bedroeg het loon uit dienstbetrekking van belanghebbende in 2006 € 104.747. Aan loonheffing is een bedrag van € 44.238 ingehouden.

2.2.Belanghebbende heeft in 2001 geparticipeerd in het zogenoemde Shareplan 2001 voor werknemers van de [A]. Dit Shareplan bood belanghebbende de mogelijkheid om units te kopen in het “[B]” (hierna: [B]) met een korting van 20% op de inschrijfprijs, zijnde de gemiddelde koers van de aandelen [X] op de beurs in Parijs over de 20 beursdagen van 24 september tot en met 19 oktober 2001. De units konden vijf jaar lang niet worden verkocht. Na vijf jaar kon worden verzocht om uitbetaling van de dan geldende waarde van de units in contanten dan wel in aandelen.

2.3.Voor deelname aan het Shareplan had [X] twee varianten opengesteld: [1] en [2]. In [1] kon de werknemer units kopen in het [B], waarbij de inschrijfprijs door de werknemer werd gefinancierd. Belanghebbende heeft daarentegen gekozen gebruik te maken van [2]. Hierbij heeft hij 10% van de inschrijfprijs zelf gefinancierd. De overige 90% heeft het [B] geleend aan belanghebbende door tussenkomst van de Deutsche Bank. De bank ontving in ruil daarvoor alle dividenden gedurende de blokkeringsperiode van vijf jaar, alsmede een bedrag gelijk aan 41% van de eventuele waardestijging van het totale pakket. Na vijf jaar had belanghebbende recht op 100% van de inschrijfprijs en 59% van de eventuele meerwaarde.

2.4.[X] heeft bij brief van 3 september 2001 een voorstel gedaan aan de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam betreffende de fiscale gevolgen van deze participatieregeling 2001 in de beide varianten. De inspecteur heeft zich bij brief van 6 september 2001 akkoord verklaard met dit voorstel. De afspraak kan als volgt worden samengevat:

-bij [1] zal de deelnemende werknemer een belastbaar voordeel genieten op het moment van inschrijving. Het belastbaar bedrag zal bedragen het verschil tussen de waarde van de verkregen aandelen op de dag van inschrijving (slotkoers) en de door de werknemer betaalde inschrijfprijs. De waarde van deze verkregen aandelen wordt daarbij in verband met de blokkeringsperiode van vijf jaar verminderd met 12,5%.

-bij [2] zal het voordeel als loon in geld worden genoten op het moment van uitbetaling van de units in contanten of in aandelen. Het verschil tussen de waarde van de betreffende uitkering en de door de werknemer betaalde inschrijfprijs zal voor de rijksbelastingen en premie volksverzekeringen worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. De inschrijfprijs zal niet kunnen worden aangemerkt als negatief loon.

-de (Nederlandse) dochtervennootschappen van [X] zullen voor de loonbelasting optreden als inhoudingsplichtigen.

2.5.Belanghebbende heeft op 1 november 2001 een verklaring getekend waarbij hij zich akkoord heeft verklaard met deze wijze van belastingheffing. Tevens heeft hij op

1 november 2001 een inschrijfprijs betaald van € 2.042,01 (f 4.500) voor deelname aan [2].

2.6.Na vijf jaar, in 2006, heeft belanghebbende een uitkering ontvangen van – naar de rechtbank verstaat- € 5.943,53. Overeenkomstig de onder 2.4. opgenomen afspraak heeft [X] een bedrag van € 3.901,52 (€ 5.943,53 -/- € 2.042,01) aangemerkt als belastbaar loon. Aan loonheffing is vervolgens een bedrag van € 2.028,79 ingehouden.

2.7.De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 is vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte. Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. De inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.8.In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

a.Is belanghebbende gebonden aan de overeenkomst tussen [X] en de inspecteur?

b. Heeft de belastingheffing als gevolg van deelname aan [2] op de juiste wijze plaatsgevonden?

2.9.Met betrekking tot het eerste geschilpunt overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is de overeenkomst tussen [X] en de Belastingdienst opgesteld ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. Zo regelt de overeenkomst de gevolgen voor de belastingheffing per variant en worden in de overeenkomst de dochtervennootschappen aangemerkt als inhoudingsplichtigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vaststellingovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek.

2.10.Belanghebbende heeft bij brief van 18 september 2009 de inschrijvingsbrochure van het Shareplan 2001 overgelegd. In “Bijlage: Fiscale gevolgen” is onder “2. [X] [2]” het volgende opgenomen:

(…)”Loonbelasting aspecten

Met de belastingdienst is afgesproken dat het voordeel dat je geniet op het moment van inschrijving niet zal worden belast als loon, doch wordt belast na de vijf jaar periode. Hiertoe dien je in de bijlage bij dit memorandum een verklaring te ondertekenen.

Op het moment dat je een (contante) uitkering uit het fonds ontvangt is sprake van belastbaar loon. Het belastbaar bedrag zal worden berekend als het verschil tussen (a) de (contante) uitkering van het fonds en (b) de door jou bij deelname betaalde inschrijfprijs. De inschrijfprijs kan niet aangemerkt worden als negatief loon.

(…)

Na de blokkeringsperiode van vijf jaar zal het door jou genoten voordeel in de loonheffing worden betrokken zoals hiervoor uiteengezet. Vanaf dat moment dien je de waarde van de units aan te geven in jouw aangifte inkomstenbelasting.”(…)

2.11.Belanghebbende heeft de verklaring bij de inschrijvingsbrochure op 1 november 2001 ondertekend. Gelet op hetgeen in de brochure hierover is opgenomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende op het moment van ondertekening van de verklaring op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomst. Belanghebbende heeft zulks ook niet ontkend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende door de verklaring te ondertekenen geparticipeerd in de vaststellingsovereenkomst tussen [X] en de belastingdienst (vergelijk Hoge Raad 9 december 2005, nr. 41 117, onder andere te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN: AU 7728). Belanghebbende heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 het door hem binnen het kader van het Shareplan ontvangen bedrag van € 3.901,53 terecht begrepen in het belastbaar inkomen uit werk en woning.

2.12.Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de overeenkomst zozeer in strijd is met de wet dat partijen niet op nakoming hoefden te rekenen. Tot slot zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst naar inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde of dat gebondenheid aan de overeenkomst in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

2.13.Naar het oordeel van de rechtbank is de overeenkomst bindend voor belanghebbende en is het belastbaar loon van € 3.901,53 terecht in de aanslag inkomstenbelasting 2006 van belanghebbende opgenomen. Nu het antwoord op vraag a. onder 2.8. bevestigend moet luiden, behoeft vraag b. geen verdere behandeling meer.

2.14.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.15.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. W. Brouwer, rechter, en door deze en mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 1 december 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.