Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BM9452

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-04-2009
Datum publicatie
28-06-2010
Zaaknummer
02-811261-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending ambtsgeheim, bezit 10 gram cocaïne, 4 maanden gevangenisstraf waarvan 1 voorwaarlijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/811261-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 april 2009

in de [verdachte]zaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. M.D. van Bruggen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 maart 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als politieambtenaar een ambtsgeheim heeft geschonden;

feit 2: 10,4 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte opzettelijk een ambtsgeheim heeft geschonden en dat hij opzettelijk 10,4 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij het sms’je dat in de tenlastelegging is genoemd naar [betrokkene] verzonden heeft. De cocaïne is aangetroffen op de werkplek van verdachte. Er is een regeling die mogelijk maakt dat in beslag genomen goederen worden gebruikt voor educatieve doeleinden. Er moet dan toestemming aan de officier van justitie worden gevraagd. De reden hiervan is dat men zicht houdt op wat er met de goederen gebeurt. Verdachte moet op de hoogte zijn geweest van deze regeling. De feiten 1 en 2 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Hoewel het bewuste sms’je door verdachte aan [betrokkene] is verzonden, is dit op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring van feit 1 te kunnen komen. Er is immers geen sprake van een geheim in de zin van artikel 272 Sr. Bovendien is het maar de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat hij verplicht was om dit “geheim” te bewaren. Er was geen sprake meer van een geheim op het moment dat de politie publiekelijk met veel mankracht en explosieven bij de woning van [betrokkene] binnenviel. Door deze actie kon immers iedereen weten dat de politie naar [betrokkene] op zoek was. Nergens blijkt uit dat men hem op heterdaad wilde pakken. Daarbij komt dat de politie reeds de moeder van [betrokkene] had benaderd over zijn verblijfplaats. Er is tegen verdachte niet verteld dat het een geheim was dat men [betrokkene] zocht en men heeft hem juist uitdrukkelijk gevraagd of verdachte kon helpen [betrokkene] binnen te halen. Derhalve kan ook niet bewezen worden dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat hij verplicht was het geheim te bewaren. Gelet hierop zou vrijspraak van feit 1 moeten volgen. Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht, waardoor verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte zat immers in tweestrijd en bevond zich in een conflict tussen twee belangen, namelijk het belang van de politie enerzijds en het belang van zijn vriend [betrokkene] anderzijds.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangegeven dat er slechts een bewezenverklaring kan volgen voor een hoeveelheid van 2 gram cocaïne, nu er slechts twee zakjes getest zijn op cocaïne.

Met betrekking tot dit feit heeft de raadsman de rechtbank verzocht getuigen te doen horen bij de rechter-commissaris, omdat zij zouden kunnen bevestigen dat verdachte de cocaïne slechts gebruikte voor trainingsdoeleinden in zijn werk als praktijkopleider van nieuwe agenten.

Hoewel het feit technisch gezien bewezen kan worden, is het volgens de raadsman geen strafbaar feit onder deze omstandigheden. De gedraging van verdachte zou juist pogen de belangen die de Opiumwet probeert te beschermen, te dienen. Doel van het gebruik van de gripzakjes was immers het opleiden van agenten in het herkennen en opsporen van drugs. Het doel was daarmee exact wat de Opiumwet ook nastreeft, te weten drugsbestrijding. Hiermee ontbreekt volgens de raadsman de materiële wederrechtelijkheid, zodat ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen. Als dit beroep niet slaagt dan verkeerde verdachte kennelijk in de veronderstelling dat hij materieel niet wederrechtelijk handelde en dwaalde hij in dat opzicht. Dit levert een putatieve rechtvaardigingsgrond op, wat zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van strafrechtelijk relevante schuld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

In de ochtend van 28 augustus 2008 heeft de politie gepoogd een verdachte, zijnde [betrokkene] [betrokkene], in zijn woning aan te houden. Deze [betrokkene] bleek echter op dat moment niet thuis te zijn, waardoor de poging hem aan te houden op niets uitliep. In de middag van diezelfde dag werd verdachte [verdachte], werkzaam als politieambtenaar bij de politie regio Midden en West Brabant, op de hoogte gesteld van het feit dat men die ochtend had getracht [betrokkene] aan te houden. Verdachte en [betrokkene] kenden elkaar al van jongs af aan en hadden nog steeds contact met elkaar. Om deze reden werd verdachte door een collega gevraagd of hij relevante informatie kon verschaffen die zou kunnen helpen bij het aanhouden van [betrokkene]. Nadat verdachte met zijn leidinggevenden had gesproken, heeft verdachte besloten de gevraagde informatie niet te geven. Verdachte is vervolgens naar een telefoonwinkel in Tilburg gegaan, heeft daar een nieuwe simkaart aangeschaft en heeft deze in zijn mobiele telefoon gestopt. Verdachte heeft toen twee sms’jes verzonden naar telefoonnummer [telefoonnr], zijnde het mobiele nummer van die [betrokkene], met daarin de tekst: “Heej maat, de cops zyn met groot geschut op zoek naar je! Zorg dat je niets by je draagt en gooi je sim nu weg. Bevestig ff dat je dit hebt ontvangen en dan alles weg gooien. Succes en denk goed na wat je doet! Gr. Borry “de wolf”. Door [betrokkene] is verklaard dat hij dit sms’je heeft ontvangen van zijn vriend, de politieman [verdachte] [verdachte], en dat hij door dit sms’je te weten was gekomen dat de politie naar hem op zoek was. Verdachte heeft uiteindelijk ter zitting bekend dat hij voornoemd sms’je inderdaad heeft verzonden.

Bij de beoordeling of in casu sprake is van “een geheim” als bedoeld in artikel 272 Sr moet gekeken worden naar de aard van de informatie, het moment dat de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. In dit specifieke geval gaat het om informatie over een voorhanden zijnde aanhouding van een verdachte. Of verdachte [betrokkene] op het moment dat hij het sms’je kreeg al op de hoogte was van de op handen zijnde aanhouding, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Het gaat hier immers om informatie die niet algemeen bekend is en bovendien zijn opsporingshandelingen uit hun aard al zaken die zich moeten beperken tot vertrouwelijke kringen van politie en justitie. Verdachte kreeg kennis van deze informatie op het moment dat hij als politieambtenaar werkzaam was op het politiebureau en heeft de informatie dus in diensttijd verkregen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank in tegenstelling tot de raadsman van oordeel dat er wel degelijk sprake was van “een geheim”.

Verdachte is door zijn collega’s benaderd omdat hij mogelijk kon helpen bij de aanhouding van [betrokkene]. Verdachte heeft besloten in overleg met zijn leidinggevenden om geen informatie over [betrokkene] te verschaffen. Het moet voor verdachte onder deze omstandigheden duidelijk zijn geweest dat het niet de bedoeling was dat verdachte op eigen houtje contact opnam met [betrokkene] in verband met zijn aanhouding.

Ook uit de woorden die in de twee sms’jes gebruikt zijn en de wijze waarop verdachte gehandeld heeft, namelijk door eerst een nieuwe simkaart te kopen, deze in zijn telefoon te plaatsen en hiermee de sms’jes te verzenden, leidt de rechtbank af dat verdachte wel degelijk wist dat hetgeen waar hij mee bezig was niet in de haak was en dat hij zich door zijn handelen schuldig maakte aan de opzettelijke schending van een ambtsgeheim. Feit 1 kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ook van een strafuitsluitingsgrond in de vorm van psychische overmacht is hier volgens de rechtbank geen sprake. Hoewel het zo kan zijn dat verdachte in dubio heeft gezeten over hoe te handelen, had hij naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen handelen dan hij uiteindelijk op de bewuste dag heeft gedaan. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte geheel was overgeleverd aan de gedachte om de belangen van zijn vriend [betrokkene] te behartigen en niet in staat was om hieraan voldoende psychische weerstand te bieden. Een geslaagd beroep op psychische overmacht heeft dan ook geen kans van slagen, zodat verdachte niet zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Feit 2

Naar aanleiding van de verdenking van feit 1 hebben er op 3 september 2008 doorzoekingen plaatsgevonden in de woning en op de werkplek van verdachte. In het ladeblok op de werkplek van en in gebruik bij verdachte werd een enveloppe gevonden. In de enveloppe werden 11 plastic gripzakjes aangetroffen. Het NFI heeft geconstateerd dat twee van de aangeboden en onderzochte sporen, cocaïne bevatten. Verdachte heeft bekend dat hij verantwoordelijk is voor de cocaïne.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen van de tenlastegelegde 10,4 gram cocaïne. Het NFI heeft slechts een hoeveelheid van 2,0 gram bemonsterd en positief getest op cocaïne. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte op 3 september 2008 een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad.

De rechtbank zal het verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen over feit 2, afwijzen. De lezing van verdachte, dat hij de gripzakjes met cocaïne gebruikte voor trainingsdoeleinden en hij de gripzakjes om die reden in zijn ladeblok bewaarde, wordt immers weerlegd door de verklaring van zijn direct leidinggevende Van Gestel. Deze heeft verklaard dat de gang van zaken zoals door verdachte is aangegeven, niet gebruikelijk is bij het Team Tilburg West. Al zouden eventueel nader te horen getuigen bij de rechter-commissaris dan ook allen verklaren dat verdachte de gripzakjes inderdaad voor trainingsdoeleinden gebruikte, doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake nu gebleken is dat verdachte niet de juiste procedures heeft gevolgd en hij technisch gezien dan ook nog immer 2,0 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal de zaak dan ook afdoen zonder het nader horen van getuigen.

Voorts acht de rechtbank het voorhanden hebben van cocaïne in dit geval geen rechtvaardigingsgrond in die zin dat het de wetsbepaling van de Opiumwet op wat voor wijze dan ook zou dienen. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman. Het beroep op afwezigheid van alle schuld zal eveneens niet worden gehonoreerd.

De rechtbank is namelijk van oordeel dat een ervaren politieambtenaar als verdachte simpelweg moet weten dat zijn wijze van handelen wettelijk niet is toegestaan en dat het zeker niet de wetsbepaling dient. Ook met betrekking tot dit feit zal de rechtbank derhalve geen ontslag van alle rechtsvervolging aannemen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2008 te Tilburg een geheim waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk

voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, verplicht was te bewaren,

opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij als politieambtenaar, werkzaam

bij politie Midden en West Brabant, een of meer sms-bericht(en) verzonden naar

(telefoonnummer [telefoonnr], in gebruik bij) [verdachte] [betrokkene], althans een derde,

met de tekst: Heej maat, de cops zyn met groot geschut op zoek naar je! Zorg

dat je niets by je draagt en gooi je sim nu weg. Bevestig ff dat je dit hebt

ontvangen en dan alles weg gooien. Succes en denk goed na wat je doet! Gr.

Borry "de wolf".

2.

hij op of omstreeks 03 september 2008 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 10,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

4 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat verdachte door de hele affaire ernstig in de problemen is gekomen. Verdachte was een goede en gedreven politieman en hem is als gevolg van het hele gebeuren strafontslag aangezegd. Hij kan nu zijn geliefde vak niet langer uitoefenen en dit is voor hem al een zeer ingrijpende straf. Gelet op alle omstandigheden in deze zaak heeft de raadsman de rechtbank verzocht om niet verder te gaan dan het opleggen van een voorwaardelijke geldboete. In het geval de rechtbank een zwaardere straf mocht willen opleggen, heeft de raadsman voorts bepleit om dan in plaats van voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te kiezen voor het opleggen van een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich als politieambtenaar schuldig gemaakt aan het opzettelijk schenden van een ambtsgeheim. Nadat verdachte op de hoogte was gesteld dat een bekende van hem, zijnde [betrokkene] [betrokkene], werd gezocht door de politie en dat men voornemens was hem te gaan aanhouden, heeft verdachte een sms’je verzonden naar [betrokkene] waarin hij hem waarschuwde dat de politie naar hem op zoek was, dat hij niets bij zich moest dragen en zijn sim weg moest gooien. Nadat dit feit bekend was geworden is bij een doorzoeking op de werkplek van verdachte in het ladeblok een hoeveelheid cocaïne aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat met name feit 1 een zeer ernstig feit betreft. Door zijn manier van handelen heeft verdachte het vertrouwen beschaamd van enerzijds zijn directe collega’s bij de politie, anderzijds dat van de maatschappij, die er op moet kunnen vertrouwen dat politieambtenaren zich niet inlaten met zaken als deze. Politieambtenaren hebben een voorbeeldfunctie en moeten zich in integriteitkwesties als deze daarnaar gedragen. Dit geldt in deze zaak te meer daar verdachte al een jarenlange ervaring heeft als politieambtenaar en zelfs fungeert als praktijkopleider van nieuwe agenten. Daarbij komt dat verdachte door zijn handelen de kans op de koop toe heeft genomen dat zijn collega’s die bij een mogelijk latere aanhouding betrokken zouden zijn, in gevaar konden worden gebracht. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf gaat de rechtbank ten aanzien van feit 2 uit van een hoeveelheid van 2 gram cocaïne, nu dit de hoeveelheid is die door het NFI is getest en ook is bestempeld als zijnde cocaïne.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 1 maand, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 57, 91 en 272 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijke schending van een ambtsgeheim;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Hopmans en mr. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 april 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2008 te Tilburg een geheim waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk

voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, verplicht was te bewaren,

opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij als politieambtenaar, werkzaam

bij politie Midden en West Brabant, een of meer sms-bericht(en) verzonden naar

(telefoonnummer [telefoonnr], in gebruik bij) [verdachte] [betrokkene], althans een derde,

met de tekst: Heej maat, de cops zyn met groot geschut op zoek naar je! Zorg

dat je niets by je draagt en gooi je sim nu weg. Bevestig ff dat je dit hebt

ontvangen en dan alles weg gooien. Succes en denk goed na wat je doet! Gr.

Borry "de wolf";

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 september 2008 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 10,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet