Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK8208

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
09/2812
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BP6402, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting (uitgaven voor monumentenpanden)

Belanghebbende is eigenaar van een appartement, dat onderdeel vormt van een voormalige koekfabriek met de status van rijksmonument. De aanwijzing als rijksmonument is overgegaan op de in de koekfabriek tot stand gekomen appartementen. Het totaal van de door de inspecteur opgesomde werkzaamheden, resulterend in hetgeen de werkzaamheden in hun totaliteit in bouwkundig opzicht hebben opgeleverd, is van zo ingrijpende aard geweest dat de rechtbank van oordeel is in het onderhavige geval van een radicale vernieuwing moet worden gesproken. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het pand vóór de verbouwing een voormalige koekfabriek was en derhalve een andere bestemming had, zodat niet anders kan worden geoordeeld dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden (beroep ongegrond).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2812

Uitspraakdatum: 16 december 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 25 mei 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.022 (aanslagnummer [nummer]H66).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het pand). Het pand maakt onderdeel uit van een voormalige koekfabriek met de status van rijksmonument. De aanwijzing als rijksmonument is overgegaan op de in de koekfabriek tot stand gekomen appartementen (10), waarvan het pand van belanghebbende onderdeel uitmaakt.

2.2.Het pand is aangemerkt als eigen woning, in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), en kwalificeert als een monumentenpand, in de zin van artikel 6.31 van de Wet IB 2001.

2.3.Ten tijde van de verbouwing is, op verzoek van de Belastingdienst Amersfoort, Bureau Monumentenpanden, door de afdeling Waardeonderzoek van de Belastingdienst Breda tot een splitsing gekomen van de totale verbouwingskosten van de voormalige koekfabriek in kosten van onderhoud en kosten van verbetering. De kosten van onderhoud zijn vastgesteld op in totaal € 412.765, hetgeen voor belanghebbende neerkomt op een aandeel van € 41.276. Gelijktijdig heeft de waardecontroleur evenwel zijn twijfels kenbaar gemaakt omtrent de vraag of in het onderhavige geval geen sprake is van een nieuwe bron van inkomen.

2.4.Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 (hierna: de aangifte) een bedrag van € 42.365, verminderd met de drempel van € 2.096, dus per saldo € 40.269, afgetrokken als kosten van onderhoud van een monumentenpand. De inspecteur laat de kosten niet in aftrek toe, omdat deze, naar zijn oordeel, aangemerkt dienen te worden als kosten ter verwerving van een nieuwe bron van inkomen.

2.5.Tussen partijen is (primair) in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van onderhoudskosten van in totaal € 40.269, dan wel (subsidiair) van een bedrag van € 41.276 minus € 2.096, zijnde € 39.180. Waaruit het verschil tussen beide bedragen bestaat is ter zitting niet duidelijk geworden.

2.6.In artikel 6.31 van de Wet IB 2001 is de aftrek voor uitgaven voor monumentenpanden geregeld. Het derde lid van dit artikel bepaalt:

“3. Onderhoudskosten van een monumentenpand zijn de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt.”

2.7. In zijn arrest van 10 maart 1999, nr. 34348, BNB 1999/213, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag wanneer sprake is van (al dan niet) ‘aftrekbare onderhoudskosten’. Aan punt 3.2 van dit arrest kan worden ontleend dat bij verbouwingswerkzaamheden waarbij zowel herstel als vernieuwing plaatsvindt, de verbouwingskosten in de regel worden gesplitst in onderhoudskosten en kosten van verbetering. Een dergelijke splitsing komt evenwel niet meer aan de orde indien de in de verbouwing betrokken wooneenheid of wooneenheden zo radicaal is (zijn) vernieuwd dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een zo radicale vernieuwing moet worden bezien wat er in bouwkundig opzicht is geschied. Daarbij is niet van doorslaggevend belang of bij de verbouwing zelfstandige wooneenheden ontstaan of tenietgaan, al kan dat wel enig licht werpen op de aard van de kosten.

2.8.Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het onderhoud weliswaar gelijktijdig met de verbouwing heeft plaatsgevonden, maar dat het onderhoud, gezien de aard van de daaraan verbonden werkzaamheden, ook later had kunnen plaatsvinden.

2.9.De inspecteur stelt dat de verbouwing zo radicaal is geweest dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden en derhalve sprake is van een nieuwe bron van inkomen. Voor wat betreft hetgeen in bouwkundig opzicht is geschied, heeft de inspecteur, onweersproken, op de volgende punten gewezen:

-er zijn scheidingsmuren tussen en scheidingswanden binnen de woningen aangebracht;

-er zijn voorzieningen aangebracht die aantasting van het casco van het gebouw nodig maken, zoals riolering, aan- en afvoerleiding van gas, centrale verwarming, ventilatie en elektra;

-er zijn (nieuwe) (toe)gangen om de woningen te bereiken aangebracht;

-er zijn nieuwe gevels, daken, vloeren en trappen aangebracht.

2.10.Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een nieuwe bron van inkomen. Het feit dat de status van monument, zoals die gold voor de voormalige koekfabriek, ook na de verbouwing in zijn totaliteit, dus voor het pand van belanghebbende en de andere negen appartementen, is gehandhaafd, kan niet anders betekenen dan dat het pand in stand is gebleven en dus geen nieuwe bron van inkomen vormt.

2.11.De rechtbank stelt voorop dat splitsing van de kosten in onderhoud en verbouwing niet meer aan de orde komt, indien sprake is van radicale vernieuwing, waarbij in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat de Belastingdienst ten tijde van de verbouwing is gekomen tot een splitsing van de totale kosten in onderhoud en verbetering, en dat het onderhoud ook later had kunnen plaatsvinden, maakt dit niet anders.

2.12.Het totaal van de in 2.9 opgesomde werkzaamheden, gevoegd bij de overige bouwkundige informatie die tot de stukken van het geding behoort, resulterend in hetgeen de werkzaamheden in hun totaliteit in bouwkundig opzicht hebben opgeleverd, is van zo ingrijpende aard geweest dat de rechtbank van oordeel is in het onderhavige geval van een radicale vernieuwing moet worden gesproken. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het pand vóór de verbouwing een voormalige koekfabriek was en derhalve een andere bestemming had, zodat niet anders kan worden geoordeeld dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Dat het pand voorheen eveneens de status van rijksmonument had, is niet van belang, nu de rechtbank van oordeel is dat de kosten aangemerkt kunnen worden als kosten ter verwerving van een nieuwe bron van inkomen.

2.13.Nu sprake is van radicale vernieuwing en derhalve een nieuwe bron van inkomen, mag belanghebbende in de aangifte geen bedrag aan aftrekbare onderhoudskosten in aanmerking nemen.

2.14.Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur, ter gelegenheid van de gemaakte splitsing tussen verbouwingskosten en onderhoudskosten, ten opzichte van hem een als een toezegging of bewuste standpuntbepaling op te vatten uitlating heeft gedaan, waaraan de inspecteur op grond van het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende vertrouwensbeginsel zou zijn gebonden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur volgens de stukken van het geding, reeds bij het maken van de splitsing kenbaar heeft gemaakt dat hij twijfels had over de fiscale kwalificatie daarvan.

2.15.Ook het beroep van belanghebbende op het besluit van de Staatssecretaris van 10 juni 2008, nr. CPP2009/1076M, met betrekking tot de overdrachtsbelasting, kan hem niet baten. De overdrachtsbelasting heeft een andere systematiek dan de inkomstenbelasting. Het feit dat inschrijving in één van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers, voldoende is voor vrijstelling van overdrachtsbelasting, heeft geen betekenis voor de aftrek voor uitgaven voor monumentenpanden in de inkomstenbelasting. Beslissend daarvoor is de regeling die is neergelegd in artikel 6.31 van de Wet IB 2001.

2.16.Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. D. Hund, rechter, en door deze en mr. W.Y. Ip, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 januari 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.