Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK8079

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
09-2522
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of verweerder belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, vanwege het ontbreken van een volmacht. Gelet op de ernstige gevolgen welke voor een belastingplichtige zijn verbonden aan het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaarschrift, dient een bestuursorgaan de hem in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid met behoedzaamheid te hanteren en behoort hij in verband hiermede van deze bevoegdheid slechts gebruik te maken nadat hij de belastingplichtige ruimschoots en voldoende in de gelegenheid heeft gesteld het desbetreffende verzuim te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn brief met onderwerp ‘ontvangstbevestiging bezwaar’ onvoldoende duidelijk naar voren laten komen dat een machtiging werd verlangd, waardoor belanghebbende geen reële mogelijkheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Het bezwaar is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/207 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2522

Uitspraakdatum: 16 december 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaatsnaam]

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 20 mei 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres X] te [plaatsnaam] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2009.

Zitting

Met toestemming van partijen is een mondelinge behandeling achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-wijst de zaak terug naar verweerder om, na het onherroepelijk worden van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw te beslissen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322;

-gelast dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Met dagtekening 20 maart 2009 diende de gemachtigde van belanghebbende, [kantoornaam gemachtigde], een bezwaarschrift in tegen de WOZ-beschikking c.q. de aanslag onroerendezaakbelastingen. Bij brief van 27 maart 2009 heeft verweerder de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd. Het onderwerp van de brief is ‘ontvangstbevestiging bezwaarschrift’. In de derde tot en met de vijfde alinea van de brief wordt melding gemaakt van het ontbreken van een volmacht. Gemachtigde wordt verzocht deze volmacht voor 28 april 2009 toe te zenden, waarbij niet-ontvankelijk verklaring in het vooruitzicht wordt gesteld ingeval niet (tijdig) een volmacht wordt overgelegd. Onderaan de brief wordt nog vermeld dat de brief automatisch is vervaardigd en om die reden niet is ondertekend.

2.2.Met dagtekening 20 mei 2009 is het bezwaarschrift vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, op grond van de overweging dat een door belanghebbende afgegeven volmacht ontbreekt en voorts dat dit verzuim niet is hersteld binnen de nadien door verweerder gestelde termijn.

2.3.Tussen partijen is in geschil of verweerder belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

2.4.De gemachtigde van belanghebbende stelt dat hij het in de ontvangstbevestiging gedane verzoek om een machtiging niet heeft opgemerkt en dat de inhoud van de ontvangstbevestiging misleidend is. Hij stelt dat hij de ontvangstbevestiging, zoals in het verleden, voor kennisgeving heeft aangenomen.

2.5.De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen (artikel 2:1, tweede lid, van de Awb) en dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet is voldaan aan een bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar (artikel 6:6 onderdeel a, van de Awb). Deze bepalingen houden dus een bevoegdheid in en geen verplichting voor het al dan niet niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.

2.6.Gelet op de ernstige gevolgen welke voor een belastingplichtige zijn verbonden aan het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaarschrift, te weten het blokkeren van een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, dient een bestuursorgaan de hem in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid met behoedzaamheid te hanteren en behoort hij in verband hiermede van deze bevoegdheid slechts gebruik te maken nadat hij de belastingplichtige ruimschoots en voldoende duidelijk in de gelegenheid heeft gesteld het desbetreffende verzuim te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn brief van 27 maart 2009 onvoldoende duidelijk naar voren laten komen dat een machtiging werd verlangd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het onderwerp van de brief enkel aangaf ‘ontvangstbevestiging bezwaarschrift’, dat voorts het verzoek om een machtiging tussen meer algemeen geformuleerde bepalingen stond vermeld en tot slot dat de brief automatisch is vervaardigd en ondertekening ontbrak. Gelet hierop kon er bij de indiener van het bezwaar redelijkerwijs onduidelijkheid, althans onbekendheid, bestaan met wat er van hem werd verwacht, waardoor hij geen reële mogelijkheid heeft gehad om het betreffende verzuim te herstellen.

2.7. Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen, heeft verweerder in casu bij het hanteren van de hem in artikel 6:6 van de Awb verleende bevoegdheid gehandeld in strijd met het van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur deel uitmakende zorgvuldigheidsbeginsel. De bestreden uitspraak dient derhalve te worden vernietigd.

2.8. Belanghebbende heeft de rechtbank niet uitdrukkelijk verzocht zelf in de zaak te voorzien. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om dit, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, ambtshalve te doen. De rechtbank zal daarom de zaak terugwijzen naar verweerder, waarna de bezwaarprocedure in volle omvang opnieuw dient plaats te vinden.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskostenveroordeling

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Aldus gedaan door mr D. Hund, rechter, en door deze en mr.drs. M.H. van Schaik, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 januari 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.