Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK8070

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
31-12-2009
Zaaknummer
08/3382
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenoptierecht

Op 27 maart 2001 zijn opties tot het kopen van 20.000 aandelen in het geplaatst kapitaal van de werkgever aan belanghebbende toegekend. Vaststaat dat de opties op 1 juni 2001 door belanghebbende zijn geaccepteerd en dat sprake is van onvoorwaardelijk toegekende opties. Volgens de in het jaar van toekenning van de opties (2001) geldende regeling gold als hoofdregel dat loonbelasting verschuldigd was op het moment van toekennen van onvoorwaardelijke opties. Dat is op 1 juni 2001. Van deze regel kon op grond van artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Wet LB slechts worden afgeweken indien de inspecteur schriftelijk door de werknemer en de werkgever gezamenlijk uiterlijk op het eerste heffings¬moment van de keuze voor uitstel van heffing over de opties op de hoogte is gesteld. Nu de inspecteur van mening is dat heffing over de opties niet volgens de hoofdregel in 2001 doch in 2005 dient plaatst te vinden is het aan hem om deze door hem bepleite afwijking van de hoofdregel aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet geslaagd in het bewijs dat de melding van uitstel van belastingheffing over de opties uiterlijk 1 juni 2001 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat op grond van de geldende regelgeving, belastingheffing dient plaats te vinden op het moment van onvoorwaar¬delijke toekenning van de opties in 2001 en dus niet in 2005 (beroep gegrond).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2010, 43
FutD 2010-0041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3382

Uitspraakdatum: 9 december 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], domicilie kiezend te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 17 juni 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 703.395 (aanslagnummer [nummer]H56).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam]. De bij de rechtbank onder de nummers 08/3650 en 08/3382 bekende procedures zijn gelijktijdig ter zitting behandeld.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 234.209;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

2.Gronden

2.1.Met dagtekening 17 mei 2008 is aan belanghebbende een aanslag inkomsten¬belasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) voor het jaar 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 703.395. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

2.2.Belanghebbende was in 2001 in dienstbetrekking bij [X] BV (voorheen [X] BV) te Hoofddorp (hierna: de werkgever). De werkgever had als onderdeel van haar beloningssysteem een optieregeling, waaraan werknemers deel konden nemen.

2.3.Op 8 maart 2001 heeft belanghebbende een verklaring ondertekend waarin staat dat hij voor uitstel van belastingheffing zal kiezen op het moment dat opties om aandelen van de werkgever te kopen aan hem zullen worden toegekend. Onduidelijk is of de werkgever van belanghebbende de verklaring op 12 maart 2001 dan wel op 12 maart 2002 heeft ondertekend.

2.4.Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een faxbericht met dagtekening 23 mei 2001, afkomstig van de werkgever en gericht aan de Belastingdienst Grote Ondernemingen Haarlem. Als faxdatum bovenaan het bericht wordt niet de datum 23 mei 2001 genoemd doch de data 29 augustus 2001 en 7 april 2005. In het faxbericht staat vermeld dat elf werknemers, waaronder belang¬hebbende, voornemens zijn om aandelenoptierechten te accepteren en wensen te opteren voor uitstel van belastingheffing conform artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) tot het moment van uitoefening van de optierechten. Het bericht is ondertekend door me[Y] (hierna: [Y]), die ook tot de in het faxbericht genoemde werknemers behoort waarvoor het verzoek is ingediend.

2.5.Op 27 maart 2001 zijn opties tot het kopen van 20.000 aandelen in het geplaatst kapitaal van de werkgever aan belanghebbende toegekend. Vaststaat dat de opties op 1 juni 2001 door belanghebbende zijn geaccepteerd en dat sprake is van onvoorwaardelijk toegekende opties. De uitoefenprijs is bepaald op 15 USD per aandeel.

2.6.In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 van belanghebbende is geen melding gemaakt van loon in de vorm van onvoorwaardelijk toegekende opties.

2.7.In april 2005 heeft belanghebbende de toegekende opties verzilverd. Blijkens de salarisstrook van belanghebbende heeft de werkgever ter zake van de verzilvering van de opties in april 2005 loonbelasting ingehouden. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 het resultaat van de verzilvering van zijn opties van € 469.185 buiten beschouwing gelaten.

2.8.In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende het resultaat ter zake van de verzilvering van zijn opties in het onderhavige jaar tot zijn inkomen dient te rekenen. Belanghebbende vindt van niet, de inspecteur heeft een tegenovergestelde mening. Meer in het bijzonder is daarbij de vraag of belanghebbende en zijn werkgever de inspecteur tijdig op de hoogte hebben gesteld van de keuze voor uitstel van belasting¬heffing over de toegekende opties als bedoeld in artikel 10a van de Wet LB. Ingeval voornoemde vraag bevestigend wordt beantwoord, is tevens in geschil of sprake is van opgewekt vertrouwen. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De inspecteur daarentegen is van mening dat vorenbedoelde keuze wel tijdig is gemeld en dat geen sprake is van opgewekt vertrouwen.

2.9.Niet in geschil is de berekening van het resultaat van de verzilvering van de opties van € 469.185, zoals vermeld in 2.7.

2.10.De voor het onderhavige geschil relevante regelgeving luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 10a van de Wet LB (tekst 28 december 2000 tot en met 31 december 2004)

1. Naar keuze van de werknemer met wie in het kader van de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking een aandelenoptierecht is overeengekomen, wordt de verwachtingswaarde van een aandelenoptierecht niet als loon in aanmerking genomen. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt voorts niet als loon in aanmerking genomen de aangroei van de intrinsieke waarde die heeft plaatsgevonden tussen het toekenningstijdstip en het genietingstijdstip van het aandelenoptierecht, met dien verstande dat bij deze berekening de intrinsieke waarde op het toekenningstijdstip tenminste wordt gesteld op nihil. De verwachtingswaarde van het aandelen¬optierecht is het verschil tussen de waarde van het aandelenoptierecht en de intrinsieke waarde.

De intrinsieke waarde van een aandelenoptierecht is het verschil tussen de waarde van het aandeel waarop het aandelenoptierecht betrekking heeft en de prijs waartegen het aandelenoptierecht kan worden uitgeoefend. Indien naar de keuze van de werknemer de verwachtingswaarde niet als loon in aanmerking wordt genomen, wordt de intrinsieke waarde van het aandelenoptierecht ten minste gesteld op nihil.

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien de inspecteur schriftelijk door de werknemer en de inhoudingsplichtige gezamenlijk uiterlijk op het eerst mogelijke tijdstip waarop het aandelenoptie¬recht als loon kan worden genoten van de keuze van de werknemer op de hoogte is gesteld. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

3. Ingeval in het kader van de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort mede tot het loon hetgeen door hem wordt genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht boven hetgeen in verband met dat recht reeds als loon in aanmerking is genomen, ingeval:

a. de uitoefening of vervreemding geschiedt binnen drie jaren na het overeenkomen van dat recht;

b. het eerste lid toepassing heeft gevonden.

Artikel 36 van de Wet LB (tekst 2005)

Artikel 10a zoals dat luidde op 31 december 2004 blijft van toepassing op vóór 1 januari 2005 overeengekomen aandelenoptierechten ter zake waarvan vóór die datum reeds een bedrag als loon is genoten........”.

2.11.Volgens de in het jaar van toekenning van de opties (2001) geldende regeling gold als hoofdregel dat loonbelasting verschuldigd was op het moment van toekennen van onvoorwaardelijke opties. Dat is, gelet op het in 2.5 gestelde, op 1 juni 2001. Van deze regel kon op grond van artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Wet LB slechts worden afgeweken indien de inspecteur schriftelijk door de werknemer en de werkgever gezamenlijk uiterlijk op het eerste heffings¬moment van de keuze voor uitstel van heffing over de opties op de hoogte is gesteld.

2.12.Nu de inspecteur van mening is dat heffing over de opties niet volgens de hoofdregel in 2001 doch in 2005 dient plaatst te vinden is het aan hem om deze door hem bepleite afwijking van de hoofdregel aannemelijk te maken.

In dat verband verwijst de inspecteur naar de onder 2.3 vermelde verklaring waarin belanghebbende en de werkgever zijn overeengekomen dat gekozen zal worden voor uitstel van belastingheffing. De werkgever van belanghebbende heeft daarnaar ook gehandeld, nu het gerealiseerde voordeel ter zake van de uitoefening van de toegekende opties is verwerkt op de salarisstrook van belanghebbende van april 2005. Ook belanghebbende heeft aanvankelijk hiernaar gehandeld, nu hij heeft ingestemd met het achterwege laten van inhouding van loonbelasting in 2001 en geen bezwaar heeft gemaakt tegen de inhouding van loonbelasting over het voordeel bij de verzilvering van zijn opties in 2005.

2.13.De inspecteur stelt zich, onder verwijzing naar het onder 2.4 genoemde faxbericht, op het standpunt dat de melding van de keuze voor uitstel van heffing over de opties op 23 mei 2001, dus vóór het onder 2.5 genoemde eerste heffingsmoment, heeft plaatsgevonden.

2.14.Belanghebbende stelt hiertegenover dat het bewuste faxbericht slechts een door de werkgever in 2005 opgestuurd kopie betreft en dat de inspecteur geen origineel exemplaar bezit. Volgens belanghebbende kan de melding van uitstel van belastingheffing niet op 23 mei 2001 verzonden zijn, nu [Y] eerst op 1 augustus 2001 bij de werkgever in dienst is getreden. Deze datum van indiensttreding is in een tot de gedingstukken behorend emailbericht bevestigd door (een personeelsmedewerker van) de werkgever. De inspecteur brengt hiertegenin dat [Y] zelf één van de werknemers was waarvoor de melding werd gedaan, hetgeen in de visie van de inspecteur zou moeten inhouden dat de melding op 23 mei 2001 was gedaan. Echter, de rechtbank ziet niet in waarom [Y] deze melding niet gedaan zou kunnen hebben op of na 1 augustus 2001. In ieder geval vormt de enkele omstandigheid dat [Y] ook behoorde tot de op het faxbericht genoemde medewerkers geen sluitend bewijs voor de datum van 23 mei 2001 als verzenddatum. Ook de bovenaan het faxbericht vermelde faxdata vormen geen bewijs voor de stelling van de inspecteur dat het bericht op 23 mei 2001 is verzonden, doch wijzen er eerder op dat het bericht later of veel later is verzonden.

2.15.Ter zitting heeft de inspecteur bevestigd dat het originele faxbericht niet (meer) beschikbaar is en heeft hij verklaard dat zich, toen in 2005 de onderhavige problematiek ging spelen, in het geheel geen gegevens inzake de optieregeling in het dossier bevonden.

Tevens heeft hij verklaard dat loongegevens van de werkgever over het jaar 2001 beschikbaar zijn, maar dat hij daarin de datum van indiensttreding van [Y] niet heeft geverifieerd. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur aldus nagelaten heeft om op eenvoudige wijze na te gaan of hetgeen door belanghebbende gesteld is inzake het moment van indiensttreding van [Y] al of niet op waarheid berustte.

2.16. Door belanghebbende is ter zitting onweersproken gesteld dat er in 2001 een slechte organisatie binnen de onderneming heerste. De niet-tijdige melding van het uitstel zou daaraan te wijten kunnen zijn.

2.17.Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in het bewijs dat het faxbericht is verzonden op of vóór 24 mei 2001 of uiterlijk 1 juni 2001 en daarom ook niet in het bewijs dat melding van uitstel van belastingheffing over de opties als bedoeld in artikel 10a van de Wet LB tijdig heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat op grond van de geldende regelgeving, belastingheffing dient plaats te vinden op het moment van onvoorwaar¬delijke toekenning van de opties in 2001 en dus niet in 2005. Het beroep is derhalve gegrond verklaard. De overige stellingen van belanghebbende behoeven, wat daar ook van zij, geen oordeel meer.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belang¬hebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (hierna: het besluit) vastgesteld op € 644

(1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De zaken met procedurenummers 08/3650 en 08/3382 worden door de rechtbank aangemerkt als samenhangende zaken, zodat de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenvergoeding toekent van € 322.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr. dr. M.J.G.A.M. Weerepas, rechters, en door de voorzitter en mr. W.Y. Ip, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 17 december 2009

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.