Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK7320

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
29-12-2009
Zaaknummer
09/2410
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 66 van de Wet belastingen op milieugrondslag heeft een belastingplichtige recht op teruggaaf van energiebelasting voorzover de verbruiksdrempel van 153.000 liter gasolie in een kalenderjaar wordt overschreden. Per 1 juli 2008 is het teruggaaftarief verlaagd. Belanghebbende verzoekt om een tijdsevenredige verlaging van de drempel, zodat zij over het eerste halfjaar teruggaaf zou kunnen krijgen op basis van het hogere tarief. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de tekst van de wet, van een tijdsevenredige verlaging van de drempel geen sprake kan zijn. Nu belanghebbende pas na 1 juli 2008 de drempel van 153.000 liter heeft overschreden bestond slechts recht op teruggaaf naar het dan geldende lagere tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2410

Uitspraakdatum: 25 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres] BV, gevestigd te Someren,

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid, kantoor Roosendaal,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 april 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de teruggaafbeschikking Accijns verbruiksbelasting [nummer I]D.007 met dagtekening 18 maart 2009 (hierna: beschikking).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een grote hoeveelheid gasolie ingekocht. Zij heeft in februari 2009 op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet) om teruggaaf van energiebelasting verzocht. De inspecteur heeft bij beschikking € 16.391 teruggaaf verleend (134.614 liter tegen het tarief van € 121,76 per 1000 liter).

2.2.Artikel 66 van de Wet bepaalt dat om teruggaaf energiebelasting verzocht kan worden voor die hoeveelheid gasolie die (in één kalenderjaar) de drempel van 153.000 liter te boven gaat. Het tarief voor de teruggaaf op gasolie is op 1 juli 2008 verlaagd van € 151,76 naar € 121,76 per 1000 liter. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende pas na 30 juni 2008 de drempel van 153.000 liter heeft overschreden.

2.3.In geschil is het antwoord op de vraag of het vanaf 1 juli 2008 geldende tarief terecht is toegepast voor het hele kalenderjaar 2008. Belanghebbende meent dat de inspecteur rekening had moeten houden met deze tariefswijziging door een drempel van 76.500 liter voor het eerste half jaar en eenzelfde drempel voor het tweede half jaar te hanteren. De inspecteur is van mening dat van een tijdsevenredige verlaging van de drempel geen sprake kan zijn en dat, nu de drempel van 153.000 liter eerst na 30 juni 2008 is overschreden, slechts het dan geldende tarief van toepassing kon zijn.

2.4.Het recht op teruggaaf vloeit rechtstreeks voort uit de Wet. Belanghebbende heeft, zoals vastgesteld in 2.2, pas in de tweede helft van 2008 de drempel van 153.000 liter overschreden. In de Wet noch in de wetsgeschiedenis is steun te vinden voor het standpunt van belanghebbende dat aanpassing van de drempel voor teruggaaf plaats kan vinden naar geldigheidsduur van het toepasselijke tarief.

2.5.Voor zover belanghebbende betoogt dat hierdoor rechtsongelijkheid ontstaat, volgt de rechtbank haar niet. Elke verbruiker heeft recht op teruggaaf zodra en voor zover de drempel van 153.000 liter overschreden wordt tegen het op dat moment geldende tarief.

2.6.Voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op de redelijkheid en billijkheid kan dit beroep niet slagen. De rechtbank is niet bevoegd een juiste wetstoepassing op grond van redelijkheid en billijkheid achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. Dat ligt slechts anders indien de wet in strijd zou zijn met enig internationaal verdrag waaraan Nederland zich heeft verbonden. Niet is gesteld noch is de rechtbank anderszins gebleken dat van dit laatste in het onderhavige geval sprake is.

2.7.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.8.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en mr. M.J.M. Mies, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 8 december 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.